Kwalitatieve Onderzoeksmethoden - B2 - Bedrijfskunde - RUG - Aantekeningen hoorcolleges



Hoorcollege 1: Introductie kwalitatieve onderzoeksmethoden

Bij kwantitatief onderzoek gaat het om dingen meten die geteld kunnen worden en opgedeeld in categorieën. Het gaat over wat men vindt, het eest voorkomend gedrag en hoe tevreden mijn klant of werknemer is.

Bij kwalitatief onderzoek ligt de focus op de ervaringen en meningen van mensen. Hier gaat het om eigen woorden en perspectieven, dit kan men ook zien als bijvoorbeeld redenen en motieven en inzichten in complexiteit fenomeen.

Bij een kwalitatief onderzoek gaat het om 'hoe' en 'waarom'.

Verschillende filosofische perspectieven staan tegen over elkaar en zijn:

Positivisme: Hier is de werkelijkheid is objectief waar te nemen, de wetenschap is puur en alleen gericht op het testen van theorie. Dit past bij kwantitatief onderzoek.

Interpretivisme: Hier is de aanname dat werkelijkheid alleen toegankelijk kan worden gemaakt m.b.v. een sociale constructie, dit zou bijvoorbeeld taal kunnen zijn. Hier is onderzoek gericht op begrijpen van betekenis en zin. Dit past bij kwalitatief onderzoek.

Ontologisch

'Subtle Realism': Hier is de aanname dat de sociale wereld onafhankelijk bestaat van individuele meningen, maar alleen toegankelijk is via de meningen en interpretaties van de respondent. Er is dus altijd vertekening van de werkelijkheid, maar we doen ons best.

Epistemologisch

'Pragmatisme': Bij dit beeld, gelooft men dat we de meest geschikte onderzoeksmethode kiezen. We moeten de perspectieven van mensen zo objectief en neutraal mogelijk begrijpen. Het maakt dus niet uit of je kwantitatief of kwalitatief meet, als het maar het beste bij de vraag past.

Bij een waardevol en valide onderzoek, is er sprake van objectiviteit. Dit betekent dat de informatie niet beïnvloed is door gevoelens van een individu. Dit zijn dingen die gewoon kloppen.

Objectiviteit is te vinden bij kwantitatief onderzoek. Dit komt vanuit de natuurwetenschappen en meet dus waarden waarover niet te discussiëren valt. Hierbij kan je alleen maar tot een bepaald niveau missen.

Bij kwantitatief onderzoek is dit minder het geval en gaat het vooral om de diepgang van een onderzoek. Het is dus wel meer subjectief, wat minder exacte antwoorden geeft.

Kwalitatief onderzoek is contextueel, hier gaat het er meer om wat iets nou precies is. De vragen 'hoe', 'waarom', 'wanneer' en 'waar', zijn hier uiterst belangrijk. De uitkomst van het onderzoek ligt aan het perspectief waar vanuit het onderzoek bekeken wordt. Kwalitatief onderzoek moet worden gedaan bij complexe situaties of gevoelige onderwerpen, hier is een makkelijk antwoord formuleren namelijk niet zomaar mogelijk.

Hoorcollege 2: Interviews als bron van data bij een onderzoeksopzet

Er zijn verschillende niveaus van structuur.

Bij gestructureerd hoort kwalitatief onderzoek. Bij semi-gestructureerd hoort een interview, waar dus wordt doorgevraagd. Bij ongestructureerd wordt er gewoon gevraagd of men iets kan vertellen ergens over, dus niet direct een duidelijke richting uit.

Een diepte-interview is semi-gestructureerd en heeft ook een duidelijke opzet: introductie > inhoud > afsluiting. Tijdens het bespreken van de inhoud wordt het onderzoek en de data gevormd.

Bij conceptualisatie stelt men grenzen om er voor te zorgen dat een onderzoek niet te vaag wordt. Hier legt duidelijk uit wat met bepaalde dingen bedoeld wordt tijdens een onderzoek zodat een antwoord ook binnen de grenzen valt.

Bij operationalisatie kijkt men hoe de variabele wordt gemeten. Het gaat hier niet alleen om hoe er gemeten wordt, maar ook wat er gemeten wordt. Dit kan worden gezien als het definiëren van een concept.

Een conceptuele definitie slaat op een definitie die in een woordenboek te vinden is over een onderwerp. Het kan worden gezien als een synoniem.

Een operationele definitie wordt gebruikt om iets meetbaar te maken. Hiermee zorgt men dat een onderzoek naar iets kan worden gedaan.

De 'stages of discussion' zijn:

  1. Introductie

  2. Makkelijke en oppervlakkige openingsvragen. Dit is ook een soort makkelijke introductie van het onderzoek.

  3. 'Core' van het interview. Hier gaat het om de diepgang. Hier gaat de algemeenheid weg en worden er specifieke vragen gesteld.

  4. Afrondingen, eventuele suggesties en dergelijke.

Een groepsproces bestaat uit 5 verschillende fases:

  1. Forming

  2. Storming

  3. Norming

  4. Performing

  5. Mourning

Bij het opstellen van een onderzoek is het belangrijk om te kijken wat voor een doelgroep je wil. Hierbij is er keuze tussen heterogeen en homogeen. Ook het aantal respondenten is belangrijk. Als laatste is de interactie tussen respondent en onderzoeker cruciaal.

Bij de Delphi methode wordt er gesuggereerd dat een goede doelgroep onmogelijk is, hier wordt gezegd dat experts altijd beter zijn.

Hoorcollege 3: Focusgroepen en projectieve technieken

Het verschil tussen een diepte-interview en een focus groep:

  • Diepte-interview: gaat om persoonlijke meningen en is complex. Het kan hier gaan om gevoelige informatie en ook hele specifieke onderwerpen en informatie.

  • Focus groep: Hier is het vooral het groepsgebeuren wat onderzocht wordt om een conclusie over een groep te trekken. De sociale context is hier belangrijk. Volgens de Delphi methode is dit eigenlijk niet echt mogelijk.

Er zijn verschillende soorten vragen, één soort vraag is bijvoorbeeld een open vraag (OV) hier kan de respondent alles antwoorden.

  • Bij een gesloten vraag (GV) is dit anders, hier staat een kort antwoord vrijwel altijd tegenover. Dit is bijvoorbeeld een vraag die met ja of nee kan worden beantwoord, of specifiek vraagt naar een hoeveelheid o.i.d.

  • Keuzevraag (KV) dit zijn bijvoorbeeld vragen die op een tentamen worden gesteld, maar ook waar 2 of meerdere opties worden voorgelegd in een andere context.

  • Een neutrale vraag (NV) is een vraag zonder de respondent in een antwoordrichting te sturen, zoals vragen hoe iemands dag is.

  • Bij een suggestieve vraag (SV) is dit weer andersom, door de vraag wordt iemand al een bepaalde richting ingeduwd.

Naast verschillende soorten vragen zijn er ook verschillende typen vragen. Zo bestaat de 'content mapping' question, die is onderverdeeld in:

  • Ground mapping: hier wordt er eigenlijk naar spontaniteit gevraagd en een bepaald onderwerp geopend.

  • Dimension mapping: hier wordt er juist een richting aan een interview gegeven, en meer naar een specifiek concept gevraagd.

  • Perspective-widening: bij deze techniek wordt het perspectief van de geïnterviewde vergroot.

De content mining question is ook onderverdeeld in verschillende soorten:

  • Amplificatory probes: het aanscherpen van een uitspraak, dus een volledige beschrijving proberen te krijgen.

  • Exploratory probes: Het verkennen van onderliggende gedachten.

  • Explanatory probes: Het zoeken naar verklaringen voor een bepaald soort gedrag of een bepaald antwoord.

  • Clarifactory probes: het verduidelijken van termen of uitspraken.

Bij het evalueren van antwoord en vraag wordt er gekeken naar validiteit, volledigheid, relevantie en helderheid.

Er zijn ook verstorende factoren tijdens een interview, dit kan de schuld van de interviewer zijn. Een interviewer kan taakgericht zijn, waar deze zorgt dat er aan de voorwaarden voldaan wordt, maar hij kan ook relatiegericht zijn, waar hij de geïnterviewde op zijn of haar gemak probeert te stellen.

De interviewer heeft invloed op het interview door de manier van vragen en door zijn houding en persoonlijkheid. Ook het resultaat wordt beïnvloed door de manier waarop hij de antwoorden interpreteert.

Er bestaat communicatie op 3 niveaus:

  • Woorden (verbaal)

  • Intonatie (para verbaal, vocaal)

  • Lichaamstaal (non verbaal, visueel)

Non-verbale communicatie zijn meerdere vormen van, namelijk:

  • Geluiden

  • Manier van praten

  • Postuur

  • Verschijning

  • Hoofdbewegingen

  • Handbewegingen

  • Oogbewegingen

  • Gezichtsuitdrukking

  • Lichaamscontact

  • Persoonlijke space

Niet alleen een interviewer kan een verstorende rol hebben tijdens een onderzoek of interview, dit kan ook een groep zijn door de volgende dingen.

  • Respondenten praten door elkaar

  • Respondent doet niet mee aan discussie

  • Te veel en te vaak antwoord geven

  • Respondent stelt vragen aan interviewer

  • Respondent gaat groep leiden

  • Respondenten zijn te positief, sociaal wenselijk?

  • Groepsdruk, mensen gedragen anders

Ook een individuele respondenten kunnen een verstorende rol hebben, namelijk doordat ze niet alles willen zeggen, informatie over onszelf is onderverdeeld in de volgende dingen:

  • Public arena: dingen die we zelf en anderen over ons weten - -> wel over praten

  • Facade: dingen die we alleen zelf weten over onszelf -> niet over praten

  • Blind spot: dingen die we niet weten over anderen -> kunnen we niet over praten

  • Unknown: dingen die wij niet weten en anderen niet weten

Projectieve technieken zijn net als enabling technieken, technieken om visies uit te drukken. Projectieve technieken worden gebruikt om verdedigingsmechanismen van respondenten te omzeilen. Een aantal redenen voor projectieve technieken zijn:

  • Freud: Negatieve persoonlijkheidskenmerken toeschrijven aan anderen

  • Individuen kunnen hun diepere gedachten en gevoelens gemakkelijker weergeven wanneer ze dit kunnen projecteren op een ander individu, object of situatie

  • Ongestructureerde indirecte manier van interviewen die aanmoedigt om onderliggende motivaties en beliefs te projecteren

Verschillende projectieve technieken zijn:

  • Associatietechnieken: Woordassociatie, Merkpersoonlijkheid en Woorden & plaatjes >

  • Aanvullingsprocedures: Zinaanvulling en Brand mapping >

  • Constructieve technieken: Projectieve/indirecte vragen, Stereotypen en Tekstballonnen invullen >

  • Expressieve procedures: Psychodrawing, Rollenspel >

  • Rangordetechnieken: Qsort, dit gaat om het rangschikken van stellingen en deze rangschikking uitleggen.

Laddering is een elicitatietechniek, hierdoor leert men begrijpen hoe een respondent de wereld ziet. Hier wordt steeds de vraag 'waarom?' bij 'laddering up' en 'hoe?' bij 'laddering down', en ontstaat er een middel-doel keten. Deze bestaat uit de volgorde: attribuut – consequenties (functioneel en emotioneel) – waarden.

Hoorcollege 4: Observeren

Bij kwalitatieve data, zijn er twee verschillende soorten data te onderscheiden:

  • Primaire data: dit is data die de onderzoeker zelf verzamelt, door middel van bijvoorbeeld enquêtes

  • Secundaire data: data die al eerder bekend was, of door iemand anders is behaald

Er zijn ook verschillende soorten observatie, zo wordt er onderscheid gemaakt tussen de omgeving, die natuurlijk kan zijn, maar ook gesimuleerd.

Daarbij is ook de structuur verschillend, het kan gestructureerd zijn, waar van tevoren precies wordt afgebakend wat getest wil worden, wat belangrijk is om een hypothese te testen. Wanneer een test ongestructureerd is, komen er veel nieuwe ideeën en invalshoeken, wat een goed begin kan zijn van een kwantitatieve studie.

De observant kan zich ook op verschillende manieren inmengen in het onderzoek, namelijk als:

  • Complete observer

  • Observer-as-participant

  • Participant-as-observer

  • Complete participant

Tijdens het observeren zijn er ook verschillende overwegingen, namelijk of de onderzoeker wel of niet aanwezig moet zijn. Dit kan een verschillende uitslag van een onderzoek betekenen. Wanneer de onderzoeker er wel is, zal er meer sociale controle zijn, en kan de respondent anders gaan reageren dan normaal.

Hoorcollege 5: Tekstanalyse

Een textanalyse is een content analysis, ook wel inhoudsanalyse in het Nederlands.

Tekst in essentieel in kwalitatief onderzoek, het kan worden verdeeld in 2 extremen:

  • Inhoudsanalyse is kwantificatie van kwalitatieve data voor statistische interventies

  • Inhoudsanalyse gebaseerd op grounded theory. (constant comparative method)

Men zou ook kunnen zeggen dat je deze extremen kan zien als hypothese testen tegenover theorieontwikkeling.

Ook zou je deze extremen op de volgende manieren tegenover elkaar kunnen zetten:

Het gebruik van een a-priori lijst met vooraf gedefinieerde concepten

  • Voorlopige theorie

  • In tekst opzoek naar deze concepten

  • Uiteindelijk lijst met nieuwe concepten verrijken

En het Beginnen met niets, dus geen gedefinieerde concepten

  • Geen voorlopige theorie voorhanden

  • Grounded theory

  • Alle concepten ontstaan (bijvoorbeeld door het coderen en maken van categorieën)

Het gebruik van perspectieven kan worden onderverdeeld door het gebruik van 1 perspectief als uniforme leidraad en meerdere perspectieven, waar een deel uniform is, maar ook een deel specifieke perspectieven.

Data kunnen ook in 2 manieren georganiseerd worden, cross-sectional, waar een systematisch overzicht van data ontstaat, en non-cross sectional, waar bepaalde data onafhankelijke geanalyseerd wordt.

The analytic hierarchy bestaat uit 3 stadia, deze methode past het meest bij cross-sectional en bewaart alle originele gedachten en data van respondenten.

Stadium 1: Data Management

  • Betekenis aan dingen toewijden

  • Thema’s en concepten bedenken

  • Data van labels voorzien, gesorteerd en samengebracht

Stadium 2: Descriptive accounts

  • Ggebruikmakend van samengebrachte data

  • Beschrijvende accounts

  • Identificatie van sleutel dimensies

  • In kaart brengen van diversiteit (eventueel typologieën)

Stadium 3: Explanatory accounts (verbanden zoeken)

  • zoeken naar associatiepatronen binnen data

  • hoe en waarom vragen

  • zoeken naar waarom associaties bestaan

De procedure om te coderen en te categoriseren bestaat uit 5 stappen:

Stap 1: stel segmenten vast (datafragmentatie)

  • Segmenten: unit of analysis

Stap 2: wijs codes toe binnen segmenten

Stap 3: Orden en analyseer codes

  • Categorieën (groepeer codes die tot hetzelfde onderliggende concept behoren)

  • Trees (organiseer codes/categorieën obv hun hiërarchische relaties)

Stap 4: Analyseer relaties tussen codes, woorden, categorieën, trees

  • Identificeer relaties

  • Maak overzichtsmatrices

  • Uiteindelijk zelfs (semi-)kwantitatieve analyses van deze matrices

Stap 5: Maak observaties/’tracks’

  • Maak memo’s

  • Werk iteratief

Tekstanalyse is een methode om op inductieve wijze tot hypothesen en theorieën te komen op basis van empirische data. Het doel hier is om in toenemende mata een complexe structuur te ontwikkelen.

Het proces van data codering en categorisering om een theorie te ontwikkelen die ontstaat uit de teksten bestaat uit 3 procedures die uiteindelijk moeten resulteren in een theorie.

De eerste is open coding, hier wordt gestart met tekstfragmenten. Dan komen de volgende stappen:

  • Betekenisvolle onderdelen tekst onderscheiden (woorden/zinnen onderstrepen)

  • Toekennen van namen, steekwoorden, omschrijvingen aan deze onderdelen van de tekst

  • Regel voor regel, zin voor zin, paragraaf voor paragraaf

  • Elke code is in deze fase voorlopig: constante aanpassing op basis van data en voortschrijdend inzicht

  • Constant comparison: geen nieuwe inzichten/codes/labels -> verzadiging -> stoppen met sampling

Een ander is axial coding, hier start men met geordende concepten, codes of labels. Vervolgens gaat men:

  • Zoeken naar inhoudelijke verwantschap en terugbrengen tot overkoepelende categorieën

  • Verfijnen en onderscheiden van categorieën door te vergelijken (overeenkomsten/verschillen)

  • Categorieën hebben bepaalde properties, wat hoort hierbij?

  • Definiëren van relaties tussen categorieën (conceptueel model)

De laatste is selective coding, hier start men met een verzameling categorieën of subcategorieën, ook wel axial codes genoemd. Hierna definieert men het kernthema van de categorieën, wat alles samenbindt.

Intersubjectivieit is een aanduiding waar wordt gekeken of meerdere onderzoekers tot dezelfde overkoepelende thema's en codes komen. Dit laat zien hoe betrouwbaar je codes en thema's zijn, dit kan na iedere stap in het proces.

Hoorcollege 6: Validiteit en betrouwbaarheid

Bij positivisme gelooft men dat de werkelijkheid objectief kan worden waargenomen. Goed onderzoek is dus waardevrij en maakt aannames die waar zijn.

Betrouwbaarheid en validiteit zijn belangrijke criteria in het bepalen van de kwaliteit van kwantitatief onderzoek. Betrouwbaarheid, is de mate waarin er steeds hetzelfde gebeurt wanneer het onderzoek opnieuw wordt uitgevoerd. Verschillende omstandigheden mogen eigenlijk niet uit maken wanneer een onderzoek betrouwbaar is.

Interne validiteit is de mate waarin gemeten wordt wat er ook echt gemeten moet worden.

Externe validiteit is de mate waarin de inzichten van een onderzoek ook daadwerkelijk kunnen worden gegeneraliseerd en voor waar kunnen worden aangenomen.

Betrouwbaarheid wordt bedreigd door subjectiviteit, wat kan worden veroorzaakt door een vage of leidende vraagstelling, en een gebrekkige vastlegging van een onderzoeksmethode.

Interne validiteit kan worden bedreigd door sociaal correcte antwoorden of bijvoorbeeld het Hawthorne effect, waar men weet dat ze bestudeerd worden, en daardoor beter hun best doen of anders acteren dan normaal. Na de studie gaat het niveau terug naar vroeger.

Een onderzoek moet ethisch verantwoord zijn, wat betekent dat het geen effect mag hebben op de onderzochte personen. Dit gaat soms fout door misleiding of het schenden van privacy. Dit kan opgelost worden door bijvoorbeeld het anonimiseren van de data.

Betrouwbaarheid bestaat op verschillende manieren in verschillende fases. Zo moet het onderwerp subjectief beschreven worden, moet er gezorgd worden dat de verschillende respondenten vergelijkbare vragen krijgen, moet tijdens het onderzoeksproces gedocumenteerd worden wat er gebeurt en moet er transparantie zijn door standaardisatie en volledige beschrijvingen van onderwerpen.

Generalisatie is vaak heel lastig in kwalitatief onderzoek, dit komt doordat de vragen vanuit een bepaald perspectief worden gesteld. Het is altijd lastig om aan te tonen dat dit voor andere perspectieven hetzelfde zou zijn.

Hierdoor is generalisatie voor kwalitatief en kwantitatief onderzoek ook anders.

Representatieve generalisatie voor kwalitatief onderzoek gaat over het generaliseren naar een specifiek probleem, terwijl dit voor kwantitatief onderzoek een statistische weergave voor een populatie is.

Bij inferentiële generalisatie gaat het er om of de generalisatie ook naar een andere context te brengen is, wat bij kwalitatief onderzoek dus vaak lastig is.

Voor theoretische generalisatie is het meer de vraag of er een algemene theorie kan worden getrokken uit het onderzoek.

Bij het afnemen van interviews zijn de criteria dat er altijd op een objectieve manier vragen worden gesteld en dat respondenten de vragen op één en dezelfde manier opvatten. Daarbij moet de interviewer bewust zijn van zijn eigen rol.

De reflexitiviteit van een onderzoeker betekent dat deze weet wat zijn verwachtingen en aanwezigheid doen met de resultaten. Hierbij moet men goed van zichzelf weten of men de resultaten beïnvloedt. Het is dus belangrijk te reflecteren. Hiervoor is het handig om interviews op te nemen en letterlijke citaten te gebruiken in de tekst van het onderzoek.

Hoorcollege 7: Case studies

Case study research staat voor een tijdelijk fenomeen die onderzocht wordt. Hiermee probeert men het begrip van de casus te begrijpen. Het gaat slechts om een klein stukje werkelijkheid. Dit wordt heel gedetailleerd bestudeerd.

De rol van theorie bij Case Study Research is als volgt:

  • Je moet je bewust zijn van de hoeveelheid theorieën die relevant kunnen zijn voor je onderzoek. >

  • Een (hypothetisch) verhaal over waarom gebeurtenissen, structuur en gedachten plaatsvinden. >

  • Voordeel: sterker design, hogere ability om data te interpreteren. >

  • Analytische generalisatie: “template with which to compare the empirical results of the case study”. >

  • Positivistische aanpak case study research. >

  • Interpretivistisch ook mogelijk.

Het design van case studies is als volgt:

 

Single-case designs

Multiple-case designs

Holistic

Waarom is de nieuwe methode bij X succesvol?

Waarom is de nieuwe methode bij Y1, Y2 en Y3 niet succesvol?

Embedded

Hoe werkt de methode bij de verschillende afdelingen van X?

Hoe werkt de methode bij de verschillende afdelingen van Y1, Y2 en Y3?

Bij design keuzes gaat het om holistic tegenover embedded en single tegenover multiple

Single-case wordt gekozen bij:

  • Critical case

  • Extreme/unieke case

  • Representatieve/typische case

  • Revelatory case

  • Longitudinal case

Multiple-case wordt gekozen bij/omdat:

  • Bewijs is sterker

  • Two tail design

  • Replicatie: Letterlijk/theoretisch en Zelfde/contrasterend

  • Minstens 2 per subgroep o Pilot case study

Er zijn verschillende principes voor het verzamelen van data bij case studies. Zo bestaat er triangluatie, wat betekent dat er meerdere bronnen voor bewijs moeten zijn. Er moet ook een database worden gecreëerd voor je data. En er moet een 'chain of evidence' zijn. Dit betekent dat conclusies herleidbaar moeten zijn.

Volgens Yin moet een onderzoek volgens de volgende stappen worden opgezet:

  1. A study’s questions

  2. Its propositions

  3. Its unit(s) of analysis

  4. The logic linking the data to the propositions

  5. The criteria for interpreting the findings

Vergeleken met onze methode

  1. Probleemstelling en onderzoeksvragen

  2. Aannames & topics

  3. Steekproefplan

  4. Methode & analyseplan

  5. Reflectie

Bij case study research zijn er meerdere criteria voor betrouwbaarheid en validiteit, namelijk:

  • Meerdere informatiebronnen binnen casus, met bijbehorende, misschien verschillende methoden

  • Chain of evidence

  • Keuze data-analyse technieken

  • Replication logic

  • Rival theories/alternatieve verklaringen

  • Case study protocol en database

  • Analytische (vs statistische) generalisatie

Access: 
Public
Check more of this topic?
Work for WorldSupporter

Image

JoHo can really use your help!  Check out the various student jobs here that match your studies, improve your competencies, strengthen your CV and contribute to a more tolerant world

Working for JoHo as a student in Leyden

Parttime werken voor JoHo

Image

This content is also used in .....

Kwalitatieve Onderzoeksmethoden: Samenvattingen, uittreksels, aantekeningen en oefenvragen - RUG

Kwalitatieve Onderzoeksmethoden - B2 - Bedrijfskunde - RUG - Tentamen - winter 2015

Kwalitatieve Onderzoeksmethoden - B2 - Bedrijfskunde - RUG - Tentamen - winter 2015


Vragen

Multiple choice vragen

Vraag 1

Als je probeert uit te leggen waarom de onderzoeksvraag “Hoe tevreden is men over de werktijden” is NIET kwalitatief is, kan dat alleen op basis van welk van onderstaande argumenten? Deze vraagstelling kan niet als kwalitatief worden gezien, omdat …

  1. de mening van respondenten wordt gevraagd

  2. de vraag refereert naar “men”

  3. de vraag begint met het woordje “hoe”

  4. de vraag niet begint met “waarom”

Vraag 2

Bij het uitvoeren van zowel kwalitatief als kwantitatief onderzoek is conceptualisatie en operationalisatie erg belangrijk. Welk van onderstaande beweringen gaat over operationalisatie?

  1. Synoniem beschrijven

  2. Woordenboekdefinitie geven

  3. Bepalen welke empirische observaties moeten worden gemeten

  4. Een manier van denken over een onderwerp vaststellen

Vraag 3

Welke van de onderstaande stellingen past NIET bij ‘positivisme?

  1. De werkelijkheid is objectief waar te nemen

  2. Uit wetenschappelijke theorieën kunnen hypothesen worden gedestilleerd die empirisch getoetst moeten worden

  3. Een kernwoord is ‘understanding’ of ‘verstehen’ van een werkelijkheid

  4. Kennis komt voort uit observeerbare fenomenen

Vraag 4

In het boek en tijdens de cursus, zoals ook uitgelegd tijdens de hoorcolleges, wordt uitgegaan van ‘subtle realism’. Welk van ondertsaande beweringen past het beste bij dit standpunt?

  1. Er bestaat geen externe realiteit onafhankelijk van onze overtuigingen en begrip

  2. De sociale wereld is alleen toegankelijk middels de interpretaties van de respondent

  3. Alleen de fysieke materie van de wereld is ‘real’

  4. Er is geen ‘single shared social reality’

Vraag 5

Kwalitatief onderzoek heeft volgens het boek meerdere functies die zijn gecategoriseerd in vier soorten. Bij welke functie hoort de volgende onderzoeksvraag: “Wat wordt door universiteitsdocenten verstaan onder professionele ruimte?”

  1. Contextual

  2. Explanatory

  3. Evaluative

  4. Generative

Vraag 6

Stel dat uit voorgaand onderzoek blijkt dat universiteitsdocenten verschillend denken over wat hun professionele ruimte is, en het bestuur een focusgroep houdt om mogelijke interventies te vinden die kunnen helpen in de toekomst tot eenzelfde interpretatie te komen. Over welk type onderzoek hebben we het dan?

  1. Contextual

  2. Explanatory

  3. Evaluative

  4. Generative

Vraag 7

Welk van onderstaande begrippen wordt in het boek gezien als een epistemologisch standpunt, in tegenstelling tot de andere drie die geschaard worden onder de ontologische standpunten?

  1. Realism

  2. Materialism

  3. Interpretivism

  4. Relativism

Vraag 8

Het maken van de interviewleidraad (‘topic guide’) behoort tot de fase van

  1. Het opstellen van de onderzoeksvraag

  2. Het kiezen van de onderzoeksmethode

  3. Het

.....read more
Access: 
Public
Kwalitatieve Onderzoeksmethoden - B2 - Bedrijfskunde - RUG - Aantekeningen hoorcolleges

Kwalitatieve Onderzoeksmethoden - B2 - Bedrijfskunde - RUG - Aantekeningen hoorcolleges



Hoorcollege 1: Introductie kwalitatieve onderzoeksmethoden

Bij kwantitatief onderzoek gaat het om dingen meten die geteld kunnen worden en opgedeeld in categorieën. Het gaat over wat men vindt, het eest voorkomend gedrag en hoe tevreden mijn klant of werknemer is.

Bij kwalitatief onderzoek ligt de focus op de ervaringen en meningen van mensen. Hier gaat het om eigen woorden en perspectieven, dit kan men ook zien als bijvoorbeeld redenen en motieven en inzichten in complexiteit fenomeen.

Bij een kwalitatief onderzoek gaat het om 'hoe' en 'waarom'.

Verschillende filosofische perspectieven staan tegen over elkaar en zijn:

Positivisme: Hier is de werkelijkheid is objectief waar te nemen, de wetenschap is puur en alleen gericht op het testen van theorie. Dit past bij kwantitatief onderzoek.

Interpretivisme: Hier is de aanname dat werkelijkheid alleen toegankelijk kan worden gemaakt m.b.v. een sociale constructie, dit zou bijvoorbeeld taal kunnen zijn. Hier is onderzoek gericht op begrijpen van betekenis en zin. Dit past bij kwalitatief onderzoek.

Ontologisch

'Subtle Realism': Hier is de aanname dat de sociale wereld onafhankelijk bestaat van individuele meningen, maar alleen toegankelijk is via de meningen en interpretaties van de respondent. Er is dus altijd vertekening van de werkelijkheid, maar we doen ons best.

Epistemologisch

'Pragmatisme': Bij dit beeld, gelooft men dat we de meest geschikte onderzoeksmethode kiezen. We moeten de perspectieven van mensen zo objectief en neutraal mogelijk begrijpen. Het maakt dus niet uit of je kwantitatief of kwalitatief meet, als het maar het beste bij de vraag past.

Bij een waardevol en valide onderzoek, is er sprake van objectiviteit. Dit betekent dat de informatie niet beïnvloed is door gevoelens van een individu. Dit zijn dingen die gewoon kloppen.

Objectiviteit is te vinden bij kwantitatief onderzoek. Dit komt vanuit de natuurwetenschappen en meet dus waarden waarover niet te discussiëren valt. Hierbij kan je alleen maar tot een bepaald niveau missen.

Bij kwantitatief onderzoek is dit minder het geval en gaat het vooral om de diepgang van een onderzoek. Het is dus wel meer subjectief, wat minder exacte antwoorden.....read more

Access: 
Public
Qualitative Research Methods for IB - Lecture notes - RUG

Qualitative Research Methods for IB - Lecture notes - RUG


Lecture 1

The goal of qualitative research methods (QRM): to perform all stages of a qualitative research project, i.e. perform interviews in a systematic and methodologically responsible way.

 

Essentials of interviewing:

A good interview is a focus on the subject’s (Interviewee/IE) world

 

What to do?:

  • Create a collaborative atmosphere The more comfortable interviewees feel, the more they are prepared to open up and talk, the better your data are likely to be

  • Interviewer’s (IR) contribution: prepare both the task-oriented and the interaction-oriented role before the interview

  • Develop a genuine interest in the interviewee during the interview, listen, prompt, encourage and direct.

 

Interviewers first attention generally goes to content (focus on data). What you SHOULD focus on: interviewee as a way to collect those data  IE mirrors the IR’s attitude: if lack of interest, so does IE.

 

Basic classification of interviews:

a. structured

b. unstructured

c. semi-structured

 

a.) Structured interview:

  • participant responds to list of preconceived topics
  • pre-formulated questions
  • minimal role of interviewer

Advantage: consistency during multiple interviews

Disadvantage: no space for new insights on the basis of voluntary information from the interviewee

The most highly structured interview format is undoubtedly the survey questionnaire: an interview guide that pre-specifies both the content and the possible responses to each question. It involves the use of pre-formulated questions.

 

The whole idea of structured interviews is to ensure consistency across multiple interviews. They tend to be in market research, polling, telephone interviews and with intercept research such as in shopping centres.

 

b.) Unstructured interviews:

The opposite of structured interviews. There may not be a time limit. Questions are only used to jog someone’s memory.

 

Characteristics:

  • very few pre-formulated questions.

  • no attempt to maintain consistency across interviews

advantage: allows the interviewee to talk freely and tell you everything he or she considers important

disadvantage: if interviewee is not talkative, you may end up with too little; if the interviewee is very talkative, you may end up with too much. Also hard to compare answers by different Ies

 

c.) Semi-structured interview: in-depth interview (What we have to do in this course):

  • some pre-formulated questions
  • some control over the direction and content to be discussed,
  • some consistency across interviews

Advantages: takes the best of structured/unstructured approaches while minimizing the risks; it is cost-efficient and relatively easy to conduct.

 

Limitations:

  1. possibly limited ability of the participant to recall his experiences
  2. possibly limited ability of the participant to articulate
  3. possibly limited ability of the researchers to ask the “right” questions and to prompt a
.....read more
Access: 
Public
Samenvattingen en studiehulp voor Bedrijfskunde Bachelor 2 aan de Rijksuniversiteit Groningen

Samenvattingen en studiehulp voor Bedrijfskunde Bachelor 2 aan de Rijksuniversiteit Groningen

  • In deze bundel worden o.a. samenvattingen, oefententamens en collegeaantekeningen gedeeld voor de opleiding Bedrijfskunde, jaar 2, aan de Rijksuniversiteit Groningen.
  • Voor een compleet overzicht van de meest recente, op JoHo WorldSupporter aangeboden samenvattingen & studiehulp maak je gebruik van de zoekfunctie, bv op boektitel.
Access: 
Public
Comments, Compliments & Kudos:

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Promotions
special isis de wereld in

Waag jij binnenkort de sprong naar het buitenland? Verzeker jezelf van een goede ervaring met de JoHo Special ISIS verzekering

Check how to use summaries on WorldSupporter.org


Online access to all summaries, study notes en practice exams

Using and finding summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter

There are several ways to navigate the large amount of summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter.

  1. Use the menu above every page to go to one of the main starting pages
    • Starting pages: for some fields of study and some university curricula editors have created (start) magazines where customised selections of summaries are put together to smoothen navigation. When you have found a magazine of your likings, add that page to your favorites so you can easily go to that starting point directly from your profile during future visits. Below you will find some start magazines per field of study
  2. Use the topics and taxonomy terms
    • The topics and taxonomy of the study and working fields gives you insight in the amount of summaries that are tagged by authors on specific subjects. This type of navigation can help find summaries that you could have missed when just using the search tools. Tags are organised per field of study and per study institution. Note: not all content is tagged thoroughly, so when this approach doesn't give the results you were looking for, please check the search tool as back up
  3. Check or follow your (study) organizations:
    • by checking or using your study organizations you are likely to discover all relevant study materials.
    • this option is only available trough partner organizations
  4. Check or follow authors or other WorldSupporters
    • by following individual users, authors  you are likely to discover more relevant study materials.
  5. Use the Search tools
    • 'Quick & Easy'- not very elegant but the fastest way to find a specific summary of a book or study assistance with a specific course or subject.
    • The search tool is also available at the bottom of most pages

Do you want to share your summaries with JoHo WorldSupporter and its visitors?

Quicklinks to fields of study for summaries and study assistance

Field of study

Check the related and most recent topics and summaries:
Activity abroad, study field of working area:
Institutions, jobs and organizations:
Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
2210