ACE-remmer | Effect op nieren van foetus, waardoor minder vruchtwater, wat leidt tot schedelafwijkingen, ledemaatafwijkingen of zelfs intra-uteriene vruchtdood. |
Obesitas en zwangerschap | BMI >30 Verhoogde kans op miskraam Kans op spina bifida verhoogd, tevens is de kans om dit te missen op een echo verhogd Verhoogd risico op zwangerschapshypertensie, pre-eclampsie, diabetes gravidarum, DVT, macrosomie en sectio caesarea
|
Diabetes Mellitus | Toegenomen insulinebehoefte in zwangerschap ivm insulineresistentie door zwangerschapshormonen Verhoogde kans op een kind met congenitale afwijkingen (cardiaal of neuralebuisdefecten) en macrosomie bij DM1 en 2 Voor de moeder is er een verhoogd risico op het ontwikkelen van orgaanschade, bijvoorbeeld nefropathie of retinopathie. Ook zwangerschapcomplicaties zoals pre-eclampsie, intra-uteriene vruchtdood en infecties komen vaker voor. Kans op complicaties wordt verkleind door goed reguleren van bloedsuikers
|
Hypothyreoïdie | Primair: Hashimoto, secundair: behandeling hyperthyreoïdie, jodiumgebrek, schildklierchirurgie Symptomen: anovulatie, vermoeidheid, lethargie, obstipatie, haaruitval, spierkrampen Gedurende de zwangerschap verhoogd risico op pre-eclampsie, solutio placentae, intra-uteriene vruchtdood en groeiretardatie Behandeling: goede suppletie van schildklierhormoon, levothyroxine kan gedurende zwangerschap en kraambed gegeven worden, de dosering moet met ongeveer 30% verhoogd worden
|
Hyperthyreoïdie | Betreft meestal M. Graves Symptomen: palpitaties, gewichtsverlies, exophthalmus, tachycardie, nervositas Verhoogd risico op: spontane abortus, pre-eclampsie, solutio placentae, vroeggeboorte en groeiretardatie Kans op complicaties wordt verkleind door goede behandeling van de hyperthyreoïdie, bij voorkeur voor de aanvang van de zwangerschap Gedurende zwangerschap zo laag mogelijke dosering thyreostatica, bij voorkeur pylthiouracil Thiamazol en carbimazol kunnen foetale afwijkingen geven Alle thyreostatica gaan over in de borstvoeding, pylthiouracil het minst.
|
Epilepsie | Bij ongeveer 1/3e van de patiënten stijgt de aanvalsfrequentie, bij de overige patiënten daalt deze of blijft gelijk Hoe minder aanvallen er optreden voor de zwangerschap, des te kleiner de kans op verergering hiervan gedurende de zwangerschap Tijdens of binnen 24 uur post partum treden het vaakst aanvallen op Zwangerschapscomplicaties komen niet vaker voor bij vrouwen met epilepsie, wel treden er vaker congenitale afwijkingen op door het gebruik van anti-epileptica Natriumvalproaat/valproïnezuur dient te worden vermeden Gedurende zwangerschap monotherapie in laagste effectieve dosering
|
Endometriose | Hypothesen over het ontstaan: ‘retrograde menstruation’, metaplasie, embryologisch, erfelijkheid, omgevingsfactoren Incidentie: 2-45% van fertiele vrouwen Symptomen: dysmenorroe, pijn in de onderbuik, krampen, dyspareunie, pijn bij defaecatie (cyclisch), pijn in bekken of onderrug, bloedverlies (rectaal, haematurie of zelfs haemoptoë), infertiliteit Diagnostiek: speculumonderzoek, vaginaal toucher, laparoscopie Behandeling: NSAID’s (symptomatisch), continue anticonceptie, progesteron, gonadotropine-agonisten Operatief: laparoscopie/laparotomie waarbij adhesiolysis, punctie en coagultie wordt uitgevoerd. Dit moet altijd worden gecombineerd met medicamenteuze behandeling. Bij ernstige symptomen en geen kinderwens kan een hysterectomie uitgevoerd worden.
|
Dysmenorroe | Pijnlijke menstruatie, waardoor je ook behoefte hebt aan pijnstilling of indien er verzuim van werk/school nodig is, omdat de pijn dusdanig erg is. Oorzaken: Primaire dysmenorroe PID (pelvic inflammatory disease) of resttoestanden hiervan Ovariumafwijkingen (bijv. cysten) Cervixstenose (meestal iatrogeen) Liggingsafwijkingen van de uterus, vooral bij extreme retroflexie Intra-uteriene afwijkingen zoals adhesies Intra-uteriene malformaties Adenomyosis Uterus myomatosus (geeft vooral hevig bloeden) Intra-uteriene synechiae Hymen imperforatus
|
Diepe dyspareunie | Diepe dyspareunie treedt op bij diepe stoten tijdens de penetratie en geeft meestal een dof gevoel in de onderbuik. Het kan onder andere veroorzaakt worden door endometriose. |
Oppervlakkige dyspareunie | Oppervlakkige dyspareunie treedt op bij penetratie of aanraking van de introïtus vaginae en geeft een branderig gevoel. |
Subfertiliteit | Het meer dan 12 maanden uitblijven van een zwangerschap bij onbeschermde, op conceptie gerichte, coïtus. |
Ovulatie-inductie | GnRH-pompje met subcutaan naaldje, deze wordt gebruikt bij WHO I, hoog slagingspercentage. Complicaties: infectie van het toedieningssysteem, verstopping van het toedieningssysteem. Anti-oestrogenen, bijvoorbeeld clomifeencidaat: wordt gebruikt bij WHO II, op cyclusdag 3 tot 7 wordt clomifeencidaat gegeven, dit leidt tot verhoogde FSH afgifte, het heeft na 6 maanden nauwelijks meer effect. Bijwerkingen/complicaties: visusklachten, duizeligheid, hoofdpijn (zelden), meerlingpercentage 8% (relatief hoog). Gonadotrofinen: zeer effectief maar wel gevaarlijk ivm hoge kans op meerlingenzwangerschap. Intensieve monitoring: echo en eventueel serum estradiolspiegels. Indien er een goed gerijpte follikel zichtbaar is op de echo wordt HCG toegediend om de eisprong op gang te brengen.
|
Intra-uteriene inseminatie (IUI) | Bij matige zaadafwijkingen, antistoffen in het zaad, (cervical hostility), onverklaarde subfertiliteit, bij azoöspermie IUD (intra-uteriene donorinseminatie). De timing van inseminatie wordt hierdoor verbeterd en de afstand verkleind. |
In vitro fertilisatie | Indicaties: tubapathologie, na mislukte IUI of na mislukte ovulatie-inductie. Eerst worden de eierstokken gestimulleerd met FSH en wordt de eisprong tegengehouden met een GnRH-antagonist, hierdoor kunnen er meerdere follikels rijpen. Er wordt HCG gegeven om de eicelrijping te stimuleren, waarna een eicelpunctie (vaginale ingreep onder lokale verdoving) wordt uitgevoerd. In het laboratorium worden de eicellen bevrucht door zaadcellen. Na bevruchting wordt er een bevruchte eicel teruggeplaatst. Complicaties: meerlingen, overstimulatiesyndroom (=OHSS, hierbij ontstaan oedemen waardoor kortademigheid en haemoconcentratie waardoor trombose), infectie, bloeding. |
Intra cytoplasmatische sperma injectie (ICSI) | Bij ernstige zaadafwijkingen wordt de zaadcel in de eicel gebracht. |
Polycysteus ovarium syndroom (PCOS) | Symptomen van PCOS: amenorroe, infertiliteit, acné, hirsutisme, alopecia, hypertensie Kenmerken van PCOS: 2 van de 3 kenmerken moeten aanwezig zijn. |
Humaan papilloma virus (HPV) | Speelt een belangrijke rol in het ontstaan van cervixcarcinoom. Laagrisico typen zijn HPV 6 en 11, deze veroorzaken alleen benigne afwijkingen zoals condylomata acuminata. Hoogrisicotypen (hrHPV-typen) zijn typen 16 en 18, deze kunnen cervixcarcinoom veroorzaken. Infecties met hrHPV zijn meestal asymptomatisch en van voorbijgaande aard. De belangrijkste risicofactor voor het oplopen hrHPV is het aantal seksuele partners. De enige risicofactor voor het ontwkkelen van CIN of baarmoederhalskanker is echter een langdurig aanhoudende HPV-infectie. Factoren die gerelateerd zijn aan het ontstaan van een langdurige HPV-infectie zijn het hebben van meer dan 2 seksuele partners, een jeugdige sexarche, roken en een jeugdige kalenderleeftijd. |
Pre-eclampsie | Symptomen: proteïnurie, hypertensie, malaisegevoel, gegeneraliseerd oedeem, snoerende pijn in de bovenbuik, hoofdpijn, sterretjes of lichtflitsen zien, tintelende vingers. Het beloop kan sterk variëren, van relatief mild tot ernstig met maligne hypertensie en stollingsstoornissen. Binnen 2 dagen na de bevalling zijn de symptomen meestal verdwenen of in ieder geval sterk verbeterd. Ernstige pre-eclampsie wordt ook vaak gecompliceerd door het HELLP-syndroom, dit betekent echter niet dat het HELLP-syndroom een ernstigere aandoening is dan pre-eclampsie. Diagnostiek: eiwitten in de urine, eiwit-creatinineratio, leverenzymen, trombocyten. Cardiotocografie kan gebruikt worden om de actuele conditie van het kind in beeld te brengen. Daarbij kan echografie gebruikt worden om informatie te verkrijgen over de mate van placenta-insufficiëntie. Behandeling: de enige oorzakelijke behandeling bij pre-eclampsie is het beëindigen van de zwangerschap, de mogelijkheid hiertoe is echter afhankelijk van hoe ver de zwangerschap gevorderd is. Bij een amenorroeduur van minder dan 34 weken heeft het de voorkeur om de zwangerschap nog minstens 2 weken te verlengen. Bij een bloeddruk hoger dan 170/110 mmHg wordt er gestart met bloeddrukverlagende medicatie. Er wordt gestart met methyldopa, dit kan later eventueel gecombineerd worden met labetolol. Indien deze combinatie niet genoeg is kan een calciumkanaalblokker, zoals nifedipine, worden toegevoegd. Wanneer dit niet genoeg is kan er gekozen worden voor hydralazine (vasodilatantia) in combinatie met chloorthalidon (diureticum). Ook kan gekozen worden voor intraveneuze medicatie in de vorm van ketanserine (alfa-receptorblokker) of nicardipine (calciumantagonist). Ook dient pijn behandeld te worden, dit kan in principe met paracetamol-codeïne. Indien dit niet voldoende is kan pethidine als altneratief worden gebruikt. Eclampsieprofylaxe dient gegeven te worden in de vorm van magnesiumsulfaat. |
Eclampsie | Behandeling: de luchtwegen dienen allereerst vrijgemaakt te worden om aspiratie te voorkomen, eventueel met behulp van een mayo-tube. Daarnaast dient zo snel mogelijk i.v.-toediening van een anticonvulsivum plaats te vinden, magnesiumsulfaat is hierbij het middel van eerste keuze. |
WHO-classificatie cyclusstoornissen | |
WHO I | Verlaagd FSH en verhoogd oestradiol, komt voor bij extreem sporten, extreem afvallen en mogelijk ook bij stress. |
WHO II | FSH en oestradiol zijn normaal (nomogonadotroop). Het grootste deel van deze groep heeft PCOS (50-80%). |
WHO III | Verhoogd FSH en verlaagd oestradiol. Komt vaak voor bij vroege overgang of vrouwen die chemotherapie hebben ondergaan. Het probleem ligt in de ovaria, hier zijn nog maar weinig follikels, waardoor er een hoog gonadotroop signaal is en een laag oestrogeen signaal. Ovulatie-inductie heeft geen zin, omdat er nog maar weinig follikels zijn, eiceldonatie is wel een optie. |
Vaginisme | Aanhoudend probleem om een penis, vinger of iets anders in de vagina naar binnen te brengen, ondanks de vrouw haar nadrukkelijke wens. |
Lichen sclerosus | Huidafwijking, waarschijnlijk auto-immuunaandoening, komt op elke leeftijd voor, kans op maligne ontaarding ongeveer 5%. Bij deze afwijking ontstaat er een versmelting van labia minora en labia majora. Niet altijd progressief, kan lang stabiel blijven. Therapie: corticosteroïd creme, testosteron creme, lidocaine creme, chirurgie: is eigenlijk niet echt een optie, aangezien het ook terugkomt in het geopereerde gebied. |