TentamenTests bij Bestuursrecht 1: Systeem; bevoegdheid; bevoegdheidsuitoefening; handhaving van Bröring et al. - 6e druk

Wat regelt het bestuursrecht? - TentamenTests 1

Vragen bij hoofdstuk 1

Vraag 1

Waarom is het, vanuit het systeem van het bestuursrecht geredeneerd, onwenselijk als in het bijzondere deel van het bestuursrecht te veel afwijkende regels ten opzichte van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden opgenomen?

Antwoordsuggesties bij hoofdstuk 1

Vraag 1

De doelstellingen van de Awb waren onder meer: a) het bevorderen van eenheid binnen de bestuursrechtelijke wetgeving, b) het systematiseren en, waar mogelijk, vereenvoudigen van de bestuursrechtelijke wetgeving, en c) het treffen van algemene voorzieningen. Indien in het bijzondere deel van het bestuursrecht, d.w.z. de wetten en regelingen die de diverse terreinen van overheidszorg bestrijken, te veel afwijkende bepalingen ten opzichte van de Awb zijn opgenomen, wordt in zekere zin de ratio achter de Awb ondergraven.

N.B. Niet alle doelstellingen hoeven te worden genoemd: indien één van de doelstellingen naast de voorgestelde situatie in de vraag wordt gelegd en daarna de conclusie (hierboven) volgt, kan het antwoord al goed zijn.

Welke personen worden er onderscheiden in het bestuursrecht? - TentamenTests 2

Vragen bij hoofdstuk 2

Vraag 1

Projectontwikkelaar Goud wendt zich tot de gemeente Zuiderwaard met het plan een bestaand winkelcentrum aan de rand van de stad te reconstrueren en uit te breiden met een groot outletcentrum. De gemeente Zuiderwaard is enthousiast en sluit met projectontwikkelaar Goud een overeenkomst, waarin de gemeente toezegt zich in te spannen een bestemmingsplan vast te stellen, dat de reconstructie van het winkelcentrum en de vestiging van een outletcentrum mogelijk maakt.

Een aantal jaren later ontstaat tijdens de besluitvormingsprocedure tot vaststelling van het bestemmingsplan een felle discussie in de gemeenteraad over de wenselijkheid van de vestiging van het outletcentum. Na het sluiten van de overeenkomst is een onderzoek gepubliceerd waaruit blijkt dat veel winkels in het centrum van Zuiderwaard als gevolg van de economische crisis leeg staan. Uiteindelijk wordt een bestemmingsplan vastgesteld dat uitsluitend de reconstructie van het winkelcentrum mogelijk maakt, maar niet de vestiging van het outletcentrum. Projectontwikkelaar Goud is woedend omdat het bestemmingsplan niet conform de overeenkomst is vastgesteld.

Welke mogelijkheden heeft projectontwikkelaar Goud om zijn standpunt aan de bestuursrechter en de burgerlijke rechter voor te leggen en wat kan bij hen worden bereikt?

Antwoordsuggesties bij hoofdstuk 2

Vraag 1

Zie HR 8 juli 2011 Damesmode Etam Groep. Het betreft een overeenkomst over de uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid (vaststellen van een bestemmingsplan). Tegen het bestemmingsplan kan beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter. In het kader van dit beroep kan worden aangevoerd dat de overeenkomst niet is nagekomen bij de totstandkoming van het bestemmingsplan. Hier mee kan worden bereikt dat het bestemmingsplan overeenkomstig de overeenkomst wordt herzien, op zodanige wijze dat alsnog een outletcentrum mogelijk wordt gemaakt. Daarnaast kan bij de burgerlijke rechter een vordering worden ingesteld om schadevergoeding wegens niet nakoming (wanprestatie) te verkrijgen.

Hoe worden de publiekrechtelijke bevoegdheden verleend? - TentamenTests 3

Vragen bij hoofdstuk 3

Vraag 1

Zijn B&W bevoegt het vaststellen van het subsidieplafond aan de wethouder van cultuur te mandateren? (je hoeft niet te onderbouwen of het subsidieplafond al dan niet als algemeen verbindend voorschrift is aan te merken)

Vraag 2

Winkeltijdenwet

Artikel 2

  1. Het is verboden een winkel voor het publiek geopend te hebben:
    1. op zondag;
    2. op Nieuwjaarsdag, op Goede Vrijdag (...) op 4 mei na 19 uur;
    3. op werkdagen voor 6 uur en na 22 uur.

Verordening winkeltijden van de gemeente Roermond:

Artikel 5 Vrijstelling

  1. Voor de zondagen en de in artikel 1 onder a van deze verordening genoemde feestdagen geldt een algemene vrijstelling;
  2. Het College van Burgemeester en Wethouders kan op aanvraag ontheffing verlenen van de verboden van artikel 2, eerste lid onder c, van de Winkeltijdenwet voor zover deze betrekking hebben op werkdagen.
  3. Burgemeester en Wethouders kunnen - gehoord het advies van de Politie Midden Limburg - nadere regels stellen ten aanzien van de veiligheidsaspecten verbonden aan de exploitatie van de avondwinkel.

Met het oog op artikel 5, vijfde lid van de verordening winkeltijden besluiten B&W van de gemeente Roermond om aan Mw. van Amersfoort, hoofd van de Afdeling Economische Zaken, de opdracht te geven om te regelen dat de veiligheid rond de exploitatie van avondwinkels is gewaarborgd binnen de gemeente. Mevrouw van Amersfoort stelt vervolgens de ‘Regeling veiligheid en avondverkoop’ vast, waarin winkeliers verplicht worden een financiële bijdrage te leveren aan een particuliere organisatie voor buurtsurveillance. Een ondernemer met een avondwinkel is het daar niet mee eens en wint advies in bij zijn advocaat. De advocaat verzekert hem dat hij zich niets hoeft aan te trekken van de ‘Regeling veiligheid en avondverkoop’. Volgens deze advocaat was mevrouw van Amersfoort namelijk om twee redenen niet bevoegd tot het opstellen ervan.

Welke twee redenen bedoelt de advocaat?

Antwoordsuggesties bij hoofdstuk 3

Vraag 1

Er is geen aparte regeling in de verordening of in artikel 4:25 Awb ev. die betrekking heeft op verlening van mandaat.
Ingevolge artikel 10:3, eerste lid, Awb moet gelet worden op de vraag of de aard van de bevoegdheid zich tegen dit mandaat verzet; hier is van belang of deze wethouder de aangewezen persoon is om in mandaat de bevoegdheid tot vaststelling van het subsidieplafond uit te oefenen.

Van essentieel belang is dat niet alleen de hoogte van het subsidieplafond wordt vastgesteld, maar dat er ook een verdeling moet worden gemaakt tussen het deel voor sportsubsidies en het deel voor cultuursubsidies.
Omdat de wethouder de wethouder cultuur is, zal deze niet onbevooroordeeld de verdeling van het plafond tussen sport- en cultuursubsidies kunnen vaststellen, dus de aard van de bevoegdheid verzet zich ertegen om die alleen aan de wethouder voor cultuur te mandateren.
Dit is geen noodzaak voor dit mandaat, omdat het per jaar eenmalig wordt vastgesteld en B&W een beter overzicht hebben over hoe de financiën moeten worden verdeeld.

Alternatieve redenering als geconstateerd is dat de aard zich er niet tegen verzet:
En ook het bepaalde in artikel 10:3, tweede, derde en vierde lid, Awb verzet zich niet tegen het mandaat, dus het is toegestaan.

Vraag 2

Mevrouw van Amersfoort krijgt een bevoegdheid ‘opgedragen’ tot het vaststellen van nadere regels als bedoeld in artikel 5, lid 3 Verordening Winkeltijden. Dat betekent dat deze bevoegdheid aan haar gemandateerd is.
Het gaat hier om het vaststellen van een AVV en dat mag van Amersfoort niet, omdat dat in strijd is met artikel 10:3, tweede lid sub a Awb. In artikel 5, derde lid is immers niet voorzien in de mogelijkheid dat B&W de regelgevende bevoegdheid mandateren.
Dit mandaat is ook in strijd met art. 10:3, lid 2 sub b, Awb, omdat artikel 5, lid 3 van de Verordening een bijzondere besluitvormingsprocedure voorschrijft, namelijk dat B&W geen regels over de veiligheid vaststellen voordat advies daarover van de politie is verkregen. Er wordt dus vanuit gegaan dat er voorafgaand aan het vaststellen van de regeling contact tussen B&W en de politie is geweest.

Welke handelingen kan het bestuur nemen? - TentamenTests 4

Vragen bij hoofdstuk 4

Vraag 1

Op grond van artikel 4 van de APV 2010 van de gemeente Tafelberg vervalt een terrasvergunning vijf jaren na verlening van deze vergunning. Restaurant “De Wouters” is sinds jaar en dag gevestigd aan het Lucasplein en heeft in die hoedanigheid op 20 december 2011 een terrasvergunning verleend gekregen. Het college van burgemeester en wethouders stuurt op 1 december 2016 aan het restaurant een brief, waarin is vermeld dat de verleende terrasvergunning per 20 december 2016 zal komen te vervallen.

Is deze brief een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb?

Vraag 2

In de voorgeschreven uitspraak Stichting bevordering kwaliteit leefomgeving Schiphol (ABRvS 17 september 2014) valt te lezen: ‘Openbaar gezag kan in beginsel slechts bij wettelijk voorschrift worden toegekend.’ Uit de woorden ‘in beginsel’ valt af te leiden dat er uitzonderingen op deze hoofdregel mogelijk zijn. Waarom betekent die mogelijkheid een verruiming van de toegang tot de bestuursrechter?

Vraag 3a

Is de Tabaks- en rookwarenwet een besluit in de zin van de Awb?

Vraag 3b

Welke bestuursrechter is bevoegd om in eerste aanleg te oordelen over appellabele besluiten genomen op grond van de Tabaks- en rookwarenwet?

Vraag 3c

Welke bestuursrechter is bevoegd om in hoger beroep te oordelen over appellabele besluiten genomen op grond van de Tabaks- en rookwarenwet?

Vraag 4a

Lees onderstaand nieuwsbericht van de website nos.nl:

Boete KLM voor oneerlijke prijzen.

Luchtvaartmaatschappij KLM krijgt een boete voor onjuiste prijsvermeldingen. KLM adverteerde op zijn website met vluchtprijzen waarin de boekingskosten niet waren opgenomen. Daardoor leken de ticketprijzen 10 euro lager dan ze waren. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) heeft KLM daarom een boete opgelegd van 200.000 euro.

Het opleggen van deze boete (op 10 september 2014) was een besluit in de zin van de Awb. Stel dat het anders was gelopen, namelijk als volgt: Voordat zij haar nieuwe boekingswebsite ontwerpt neemt KLM contact op met ACM. KLM vraagt of het in overeenstemming is met geldende wet- en regelgeving, als de boekingskosten pas in een later stadium binnen het boekingsproces bij de ticketprijs worden opgeteld. Per brief laat ACM gemotiveerd weten dat de door KLM voorgestelde wijze van toevoeging van boekingskosten in haar optiek in strijd is met geldende wet- en regelgeving. Verder geeft ACM aan gebruik te kunnen maken van haar handhavende bevoegdheden als KLM dit voorstel tot uitvoering zou brengen. Volgens juristen van KLM klopt de interpretatie van ACM niet.

Is de brief van ACM een besluit in de zin van de Awb of daarmee gelijk te stellen?

Vraag 4b

Is het rechtens toelaatbaar dat ACM op deze manier de ambtenaar van AFM inschakelt?

Antwoordsuggesties bij hoofdstuk 4

Vraag 1

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Ten aanzien van de eis van een rechtshandeling: het rechtsgevolg, waarop een rechtshandeling (besluit) gericht is, dient van die rechtshandeling afhankelijk te zijn; is het rechtsgevolg daarvan niet afhankelijk, maar vloeit het rechtstreeks voort uit bijvoorbeeld de wet, dan is er geen sprake van een besluit ex artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De mededeling (aankondiging) dat de verleende terrasvergunning van rechtswege zal komen te vervallen, is niet op rechtsgevolg gericht. Deze brief verwijst enkel naar het verlopen van de termijn van 5 jaren en het vervallen van de vergunning, dat rechtstreeks voortvloeit uit de APV.

Vraag 2

De mogelijkheid van uitzondering(en) op de hoofdregel betekent dat ook instanties waaraan niet bij wettelijk voorschrift openbaar gezag is toegekend als bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 Awb kunnen worden aangemerkt. Omdat de toegang tot de bestuursrechter gekoppeld is aan het besluitbegrip (artikel 8:1 Awb) en een beslissing alleen een besluit in de zin van de Awb kan zijn indien die door een bestuursorgaan is genomen (artikel 1:3 Awb), is er in meer gevallen toegang tot de bestuursrechter.

Vraag 3a

De Tabaks- en rookwarenwet is vastgesteld door de wetgever. De wetgever is geen bestuursorgaan, artikel 1:1 lid 2 onder a Awb. Daarom is er geen sprake van een besluit, daar het afkomstig zijn van een bestuursorgaan een van de voorwaarden voor het zijn van een besluit i.d.z.v. de Awb is, artikel 1:3 lid 1 Awb.

Vraag 3b

De rechtbank is bevoegd, gelet op artikel 8:6 Awb en hoofdstuk 2 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak. En wel de rechtbank Rotterdam, gelet op artikel 8:7 lid 3 Awb en hoofdstuk 3, artikel 7 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak (bijlage 2 Awb).

Vraag 3c

Het CBb is bevoegd, gelet op artikel 8:105 Awb en hoofdstuk 4, artikel 11 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak (bijlage 2 Awb).

N.B. m.b.t. 7b en 7c: in de Sdu-wettenbundel staat ten onrechte in de tweede bijlage bij de Awb niet de 'Tabaks- en rookwarenwet' vermeld. Hierdoor zijn sommigen van u begrijpelijkerwijs niet bij artikel 7 en 11 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak (en dus bij de rb. R'dam en het Cbb) uitgekomen in de beantwoording van deze vragen. Het is voor ons uiteraard nu niet na te gaan voor wie dit precies geldt. Daarom zijn deze vragen met enige coulance nagekeken, en in het bijzonder zo nagekeken dat met de genoemde onjuistheid in de wettenbundel rekening is gehouden. Het is dus mogelijk dat u alsnog alle of bijna alle punten hebt gekregen, ook al wijkt uw antwoord van onderstaande standaardantwoorden af.

Vraag 4a

Het gaat om een bestuurlijk rechtsoordeel. Dit is in principe geen besluit (geen rechtshandeling, art. 1:3 lid 1 Awb). Of dit oordeel gelijk te stellen is met een besluit hangt af van de vraag of het voor de KLM onredelijk bezwarend (zie jurisprudentie Bovenleidingen of Verhuizen naar Senegal) is een besluit uit te lokken. Twee redeneringen zijn mogelijk:

  1. Dit is niet onredelijk bezwarend. De KLM zou gewoon moeten beginnen met haar boekingssite en wachten tot ACM handhavend optreedt.

  2. Het is wel onredelijk bezwarend. De KLM moet (waarschijnlijk voor vele tonnen) investeren in de constructie van een boekingssite, die meteen uit de lucht moet worden gehaald op het moment dat later alsnog blijkt dat de wijze van prijsstelling niet in orde was.

ACM is eveneens toezichthouder ten aanzien van mededingingsvraagstukken en kartelvorming op grond van de Mededingingswet (Mw). Op grond van artikel 56 Mw is ACM bevoegd handhavend op te treden. Stel dat ACM een tijdelijke piek in werkzaamheden ervaart ten aanzien van de Mededingingswet. Om de werklast te verminderen wordt een ambtenaar van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) per telefoon gevraagd of hij namens ACM een bepaald dossier kan afhandelen. Deze ambtenaar van de AFM houdt zich in de praktijk bezig met toezicht op bonussen in het bankwezen. Hij stemt met het verzoek in en gaat meteen aan de slag.

Vraag 4b

Nee. Het gaat i.c. om mandaatverlening (handelen “namens” ACM). Omdat het mandaatverlening aan een niet-ondergeschikte betreft had mandaatverlening hier sowieso schriftelijk gemoeten (artikel 10:5 lid 2 Awb); i.c. ging het telefonisch. Verder is nodig dat ook de leidinggevende van de ambtenaar van de AFM om instemming wordt gevraagd (artikel 10:4 Awb) De ambtenaar ging “meteen aan de slag” dus deze instemming is niet afgewacht. Tot slot is het de vraag of de aard van de bevoegdheid zich al dan niet tegen mandaatverlening verzet (art. 10:3). Hier kan beide kanten op worden geredeneerd (in hoeverre zit toezicht op bonussen in dezelfde hoek als mededingingstoezicht).

Welke soorten besluiten kunnen er onderscheiden worden? - TentamenTests 5

Vragen bij hoofdstuk 5

Vraag 1a

John Rodriguez woont in de gemeente Heerlen. Hij wil graag zijn eigen horecabedrijf beginnenaan de noordzijde van het grootste marktplein van die gemeente, plein Gulpen. Op 1 juni 2015 is de ‘Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Heerlen 2015’ vastgesteld door de gemeenteraad van Heerlen. Deze verordening luidt voor zover relevant als volgt:

Artikel 11

  1. Het is verboden om op of aan plein Gulpen een horecabedrijf te exploiteren zonder een vergunning van het college van burgemeester en wethouders.
  2. De in het eerste lid bedoelde vergunning wordt verleend indien door de aanvrager aannemelijk wordt gemaakt dat het betreffende horecabedrijf geen grote overlast veroorzaakt en niet is gelegen in het door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen ‘stiltegebied’.

Bij besluit van 20 juni 2015 heeft het college van burgemeester en wethouders de noordzijde van het marktplein aangewezen als ‘stiltegebied’, daar zich aan de noordzijde van het plein veel sociale huurwoningen bevinden waar vooral oude mensen wonen.

Geef aan waarom de Algemene Plaatselijke Verordening een besluit in de zin van de Awb is en geef tevens aan wat voor soort besluit het is.

Vraag 1b

Geef aan wat voor soort besluit het besluit van 20 juni 2015 is.

Vraag 1c

Geef aan of, en zo ja, wat voor bestuurlijke vrijheid of vrijheden het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen bezit bij het al dan niet verlenen van de in artikel 11 van de Algemene Plaatselijke Verordening genoemde vergunning.

Vraag 1d

Is het voor het college van burgemeester en wethouders mogelijk om de bevoegdheid tot het verlenen van de in artikel 11 van de Algemene Plaatselijke Verordening genoemde vergunning te delegeren aan het hoofd van de Afdeling ‘Verkeer, toerisme en vrije tijd’ van de gemeente Heerlen?

Vraag 1e

Geef aan of deze woorden van de heer Rodriguez juridisch juist zijn.

Vraag 1f

Is Oscar Remy belanghebbende bij de verlening van de vergunning aan John Rodriguez?

Vraag 1g

Beargumenteer of het een kansrijk argument zou zijn van de heer Remy, indien hij stelt dat het college van burgemeester en wethouders de vergunning niet had mogen verlenen omdat de lokale economie zal worden verstoord indien er nog meer cafés, clubs en/of kroegen op het marktplein komen​.

Antwoordsuggesties bij hoofdstuk 5

Vraag 1a

De APV is een besluit in de zin van artikel 1:3 lid 1 Awb, want het is een schriftelijk beslissing, afkomstig van een bestuursorgaan (de gemeenteraad, artikel 1:1 lid 1 sub a Awb jo. artikel 2:1 BW jo. artikel 6 Gemeentewet) en het is een rechtshandeling (want het is een beoogde verandering in de wereld van het recht), die ook publiekrechtelijk is (artikel 147/149 Gemeentewet).

Het is een algemeen verbindend voorschrift, want voor herhaalde toepassing vatbare algemene zelfstandige normen die gelden voor een niet te individualiseren groep personen, en de bevoegdheid tot vaststelling is (direct of indirect) ontleend aan wet in formele zin (Gemeentewet).

Vraag 1b

Het is een concretiserend besluit van algemene strekking. De ‘APV gemeente Heerlen 2015’ bevat de norm(en), het besluit van 20 juni 2015 concretiseert die norm(en) naar plaats, namelijk de noordzijde van het marktplein. Het besluit van 20 juni 2015 zelf bevat geen zelfstandige normstelling maar bepaalt het toepassingsbereik van de ‘achterliggende norm’ uit de verordening.

Vraag 1c

Het criterium voor verlening ‘aannemelijk … dat … geen grote overlast veroorzaakt’ is een vaag criterium dat nadere invulling behoeft. In ieder geval dus beoordelingsruimte. Van expliciete beoordelingsvrijheid is geen sprake (geen ‘naar het oordeel van b en w’ o.i.d.), dus moet worden beargumenteerd of er wel of geen sprake is van impliciete beoordelingsvrijheid. Hetgeen hierbij als criterium kan worden gehanteerd, bestuurlijke is de vraag of de of rechterlijke taak invulling van het aangehaalde een typisch is. Oftewel: er moet naar de aard van de bevoegdheid worden gekeken. Welke kant hier vervolgens op wordt geredeneerd maakt niet uit, al ligt het voor de hand te zeggen dat de rechter in bestuurlijk vaarwater komt als hij indringend zou toetsen en er dus sprake is van impliciete beoordelingsvrijheid.

N.B. Van beleidsvrijheid is geen sprake (geen ‘kan-bepaling/‘het college is bevoegd tot’-bepaling).

Vraag 1d

Het desbetreffende hoofd van de afdeling is een ondergeschikte van het college. Delegatie aan ondergeschikten is rechtens niet toegestaan, artikel 10:14 Awb.

N.B. Ook met recht kan worden verdedigd dat niet uit de casus blijkt dat de APV delegatie mogelijk maakt (en er dus vanuit gegaan moet worden dat dit niet in de APV staat), waardoor het gelet op artikel 10:15 Awb niet mogelijk is om te delegeren. Stel dat de heer Rodriguez zowel een vergunning heeft gekregen voor het exploiteren van een horecabedrijf als voor het uitleggen van een rode loper voor zijn horecabedrijf over de stoep van het plein, waarvan de gemeente Heerlen eigenaar is. De belangen die spelen bij die vergunning zijn gelegen, zoals is gezegd, op het vlak van overlast en leefbaarheid. Een ‘bevriende’ eigenaar van een café aan de oostzijde van het plein, Oscar Remy, wijst Rodriguez erop dat hij ook nog toestemming van de gemeente Heerlen moet vragen om de rode loper over de stoep uit te leggen, omdat de gemeente eigenaar is van die grond. De belangen die daarbij spelen kunnen bijvoorbeeld zijn de doorgang van het (voetgangers)verkeer. Rodriguez kan dat niet geloven. ‘Ik heb al een vergunning gekregen. Als ik toestemming vraag om mijn rode loper daar uit te leggen, kan die mij sowieso niet geweigerd worden’, zegt Rodriguez.

Vraag 1e

Het is waar dat waar publiekrechtelijk toestemming is gegeven in beginsel privaatrechtelijke toestemming moet volgen, omdat er anders sprake zou zijn van misbruik van bevoegdheid. Oftewel: de gemeente Heerlen moet de publiekrechtelijke vergunning tot uitgangspunt nemen bij de beslissing over het verlenen van toestemming als eigenaar. Zie HR Amsterdam/Geschiere. Een uitzondering hierop is wanneer er sprake is van zodanig zwaarwegende belangen die zich tegen het gebruik verzetten, dat niet met recht gezegd kan worden dat de gemeente wegens onevenredigheid tussen haar belang bij weigering en het belang van de verzoeker, niet tot weigering heeft kunnen komen. R.o. 3.4.1 van HR Amsterdam/Geschiere.

De woorden van Rodriguez zijn dus rechtens niet geheel correct, in die zin dat er nu ook sowieso privaatrechtelijke toestemming moet komen. Hij is wat te stellig: het is de hoofdregel dat die privaatrechtelijke toestemming er ook moet komen omdat er anders sprake zou zijn van misbruik van bevoegdheid, maar dit kan gelet op r.o. 3.4.1 bij zeer zwaarwegende belangen anders liggen.

Oscar Remy is het niets eens met de verlening van de vergunning. Hij vindt dat er genoeg horecabedrijven op het plein zijn en dat de lokale economie en de financiële gezondheid van zijn café zullen worden verstoord indien er nog meer cafés, clubs en/of kroegen op het marktplein komen. Hij wil dan ook bezwaar maken tegen de verlening van de vergunning aan de heer Rodriguez, maar vraagt zich af of dit wel mogelijk is.

Vraag 1f

Hij is geen normadressaat dus is het van belang om te kijken naar de OPERA-criteria, artikel 1:2 lid 1 Awb. Eigen belang à ja, Remy komt op voor zijn eigen belang, is immers zelf ook eigenaar café. Persoonlijk à concurrent. Zelfde marktsegment? Ja Horeca. Zelfde gebied? Ja zelfde marktplein. Rechtstreeks geraakt à ja, een nieuwe concurrent raakt hem direct, niet via van eenander (geen afgeleid belang o.i.d.). Actueel en voldoende zeker à ja, het is zeker aannemelijk dat er naar aanleiding van dit besluit gevolgen zullen zijn voor dhr. Remy, dus er is sprake van een actueel en voldoende zeker belang. Objectief à ja, niet slechts in de belevingswereld van de betreffende persoon, het gaat om financiële schade.

Vraag 1g

Artikel 11 van de verordening geeft het college de bevoegdheid om de vergunningverlening te weigeren bij grote overlast (of i.v.m. aangewezen gebied), niet om het gevaar voor verstoring van de lokale economie mee te rekenen. Gelet op het specialiteitsbeginsel is dit daarom geen kansrijk argument. [Evt. verwijzing naar (slot r.o. 6.1 van) ABRvSZwarte Piet.]

N.B.1. Een tevens juist antwoord kan zijn als wordt betoogd dat dit indirect via particuliere belangen (van omwonenden/concurrenten op plein Y) alsnog een rol zou kunnen spelen.

N.B.2. Studenten die aandacht besteden aan een evenredige belangenafweging zullen eerst moeten betogen dat het aangevoerde belang überhaupt een rol kan spelen.

Meer TentamenTests - Hoofdstuk 5 t/m 16 (Exclusief voor wie volledige online toegang heeft)

Exclusive section of this page (for members with extra services and online access)

Image

Access: 
Public

Image

Join WorldSupporter!

Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

Check: concept of JoHo WorldSupporter

Concept of JoHo WorldSupporter

JoHo WorldSupporter mission and vision:

  • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it support personal development and promote international cooperation is encouraged.

JoHo concept:

  • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
  • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

Join JoHo WorldSupporter!

for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

Check more: this content is used in

Tentamens: oude tentamens voor bestuursrecht en administratief recht, oefenmateriaal en tentamentips

Tentamens: oude tentamens voor staatsrecht en bestuursrecht, oefenmateriaal en tentamentips

Image

 

 

Contributions: posts

Help other WorldSupporters with additions, improvements and tips

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.

Image

Check more: related and most recent topics and summaries
Check more: this content is also used in

Image

Follow the author: Law Supporter
Share this page!
Statistics
2082
Submenu & Search

Search only via club, country, goal, study, topic or sector