Begrippenlijst Cognitieve ontwikkeling

Deze samenvatting is gebaseerd op het studiejaar 2013-2014.

Hoofdstuk 1

De fysieke wereld in de kindertijd I

Naïve physics

Een intuïtief begrip dat mensen hebben van objecten in de materiële wereld en van de fysische wetten die bepalen wat er kan gebeuren met deze objecten. Bijv.: iets dat valt, valt altijd naar beneden.

Full object concept

Het begrijpen dat een object blijft bestaan, ook al is het uit het zicht of op een andere manier buiten het bereik van onze zintuigen.

Associatief leren

Het vermogen om verbanden te leggen tussen gebeurtenissen die logisch met elkaar samenhangen. Baby’s lijken dit al in de baarmoeder te kunnen doen.

Werkgeheugen

Het geheugensysteem dat tijdelijk bepaalde, net verkregen informatie in het geheugen houdt die eventueel verder verwerkt zou kunnen worden.

Impliciete herinnering

(implicit recall)

Het herinneren van informatie die niet expliciet beschikbaar is.

Re-activatie paradigma

Een procedure waarbij de participant, meestal een kind, een geheugensteuntje krijgt voor een eerder geleerde, maar blijkbaar vergeten herinnering, dat ervoor zorgt dat deze herinnering weer beschikbaar wordt.

Vertraagde imitatie

(delayed imitation)

Imitatie van een gedraging die het kind gezien heeft, als er enige tijd tussen het zien van het gedrag en imitatie zat.

Impliciet of procedureel geheugen

Het automatische geheugen dat niet verbaal kan worden uitgedrukt.

Expliciet of declaratief geheugen

Het geheugen voor eerdere ervaringen die gemakkelijk voor de geest gehaald kunnen worden en overdacht kunnen worden. Hier is bewustzijn voor nodig.

Visuele voorkeur techniek

(visual preference technique)

Hierbij krijgen kinderen 2 verschillende stimuli te zien. Een voorkeur voor het kijken naar een van de twee geeft aan dat het kind onderscheid kan maken tussen de 2 stimuli.

Habituatie paradigma

Aan kinderen wordt een stimulus gepresenteerd (meestal visueel of auditief), totdat deze niet langer de aandacht trekt. Als er een nieuwe stimulus wordt gepresenteerd en de aandacht van het kind keert weer terug, dan geeft dit aan het kind onderscheid kan maken tussen de beide stimuli.

Prototypevorming

Het vormen van een interne, prototypische of gegeneraliseerde representaties van een klasse of stimulus.

Statistisch leren

Het gebruiken van de bepaalde regelmaat in input om te leren welke kenmerken tegelijk voorkomen.

Violation of expectation paradigma

Kinderen krijgen eerst een fysische gebeurtenis te zien en dan krijgen ze gebeurtenissen te zien die wel of niet fysisch verenigbaar zijn met de eerdere gebeurtenis. Het langer kijken naar de onmogelijke gebeurtenis geeft aan dat kinderen het fysische principe kunnen begrijpen dat hierachter schuilt.

Coderen van een ruimtelijke positie

Kan gebeuren in de relatie tot iemands eigen ruimtelijke positie (egocentrisch) of in de relatie tot externe tekens (allocentrisch).

Continuïteit principe

Objecten blijven bestaan in tijd en ruimte.

Cognitieve representaties

Conceptuele informatie die in de geest is opgeslagen.

EEG (elektro-encefalogram)

Hierbij wordt elektrische activiteit in de hersenen gemeten die veroorzaakt wordt het ‘vuren’ van de neurale netwerken. Het meten gebeurt door sensitieve elektrodes op de schedel te bevestigen.

Ventraal pad

Het visuele “wat”-pad dat informatie over unieke objecten (of gezichten) verwerkt.

Dorsaal pad

Het visuele “waar”-pad dat ruimtelijke en temporale informatie verwerkt, informatie waarvoor actie nodig zou kunnen zijn.

 

 

 

Hoofdstuk 2

 

De fysieke wereld in de kindertijd II

Spiegelneuronen

Neuronen die ‘vuren’ als we een bepaalde actie uitvoeren, iemand anders een actie uit zien voeren of erover denken om een actie uit te voeren.

Launching events

Wanneer een object een ander object lijkt aan te stoten, waardoor het andere object gaat bewegen.

Agency

Het begrip van instrumentaliteit in gebeurtenissen, zowel mechanisch als menselijk.

Intentional stance

De attributie van mentale oorzaken, zoals overtuigingen, wensen of doelen, als de basis van actie.

Scripts

Sets van ideeën in de hersenen die de wereld verklaren. Het kunnen schema’s zijn voor gebeurtenissen, zoals naar een restaurant gaan en voor categorieën, zoals honden.

Domein-algemeen

Een vaardigheid die toegepast kan worden op verschillende situaties of domeinen.

Domein-specifiek

Het vermogen dat toegepast kan worden op slechts één specifiek gebied of domein.

Leren door analogie

Het vinden van overeenkomsten tussen twee gebeurtenissen, situaties of kennisdomeinen en het overbrengen van kennis van de ene gebeurtenis, situatie of domein naar de andere.

Core knowledge

Fundamentele ideeën of principes die het begrip van gebeurtenissen geleiden. Zou aangeboren kunnen zijn.

Frontale cortex

Gedeelte van de hersenen waarin de hogere gedachtenprocessen plaatsvinden, dat belangrijk is voor het plannen en controleren van cognitieve activiteit en voor het remmen van acties.

A-not-B error

Wanneer het kind probeert om een object terug te vinden op de plaats waar het object eerst verstopt was (A), ondanks dat het gezien heeft dat object verplaatst is naar locatie B.

Perseverative behavior

Het herhalen van gedrag dat niet langer geschikt is. Dit kan komen doordat de prefrontale cortex nog niet helemaal ontwikkeld is.

 

Hoofdstuk 3

De psychologische wereld in de kindertijd

Reversal learning

Het vermogen om een geleerde contingentie om te draaien. Iets dat al aanwezig is vanaf de geboorte.

Contingency learning

Het vermogen om contingenties of relaties tussen je eigen acties en gebeurtenissen in de omgeving te ontdekken en te leren.

Mark test

Hierbij wordt er op de neus van een kind een merkteken gezet (meestal in het rood). Als het kind dit teken aanraakt wanneer het in de spiegel kijkt, is dit een teken van het zichzelf in spiegel herkennen. Dit ontstaat wanneer het kind ongeveer 2 jaar oud is.

Teleological stance

Het idee dat het mogelijk is om doelgerichte acties te begrijpen zonder een mentale staat toe te kennen aan agents. Dit ontstaat rond 12 maanden.

Mind blindness

Het onvermogen om een mentale staat toe te kunnen kennen aan anderen.

False belief

Het begrijpen dat anderen overtuigingen kunnen hebben die niet overeenkomen met de werkelijkheid.

Gaze monitoring

Het volgen van iemand anders’ blik om te ontdekken van de aandacht van die persoon vasthoudt.

Still face paradigm

Als de moeder (of iemand anders) stopt met het communiceren met haar kind en een strak, uitdrukkingsloos gezicht opzet tijdens een face-to-face interactie. Het kind hierdoor erg van streek.

Sociale referentie

Het gebruiken van de feedback van anderen om de huidige situatie in te schatten en te bepalen hoe je moet reageren.

Visual cliff

Een apparaat dat een stevig, doorzichtig oppervlak heeft, maar dat een “cliff” lijkt te hebben aan één kant. Werd oorspronkelijk ontworpen om diepteperceptie bij kinderen te onderzoeken.

Protodeclaratief wijzen

Wanneer het kind als doel heeft om gedeelde aandacht op te roepen door ervoor te zorgen dat een iemand anders hetgene opmerkt waar het kind in geïnteresseerd is. Ontstaat rond 12 maanden.

Protoïmperatief wijzen

Wanneer het kind als doel heeft om een bepaald object te verkrijgen. Het wijzen zegt eigenlijk: ik wil dat. Ontstaan rond 14 maanden.

Attributie van een mentale staat

Het kunnen aanwijzen en begrijpen van iemand anders’ doelen en de intenties die daaraan ten grondslag liggen.

Doelgericht gedrag

(goal-directed behavior)

Handelingen die worden uitgevoerd met een specifiek doel in gedachten.

fMRI (functional magnetic resonance imaging

Een vorm van neurowetenschappelijk onderzoek waarbij de gemeten bloedstroom wordt gecorreleerd met neurale activiteit.

Fusiform face area

Een gespecialiseerd gebied van de fusiforme gyrus, dat vooral reageert op gezichten.

 

Hoofdstuk 4

Conceptuele ontwikkeling en de biologische wereld

Categorisatie

Het indelen van dingen in categorieën. Een categorie heeft verschillende niveaus: bovengeschikt niveau, normaal niveau en ondergeschikt niveau.

Sequentiële aanraking

(sequential touching)

Kinderen rond de leeftijd van 18 maanden zijn geneigd om objecten uit dezelfde categorie in een bepaalde volgorde aan te raken, dit gebeurt vaker dan men zou verwachten op basis van toeval. Dit wordt daarom gezien als een maat van categorisatie.

Matchting-to-sample test

Hierbij krijgen kinderen een steekproef- of targetobject en worden gevraagd om de goede match te selecteren voor de target uit een aantal alternatieven. Hiermee kan het categorisch vermogen van het kind worden vastgesteld.

Global to basic sequence

Het idee dat de ontwikkeling van categorisatie tijdens de kindertijd overgaat van de vroege vorming van globale categorieën tot de latere uiting van basisniveaucategorieën.

Connectionist modeling

Een wiskundig model van leren via neurale netwerken. Elke unit in dit netwerk heeft een output die een simpele numerieke functie is van zijn input. Cognitieve entiteiten zoals concepten of aspecten van taal worden gepresenteerd door patronen van activatie in veel units. Connectionistische modellen zijn toegepast op veel gebieden in de kinderontwikkeling (bijv. aandacht of geheugen).

Kind-basis categorieën

(child-basic categories)

Categorieën die verschillen van adult-basic categorieën, omdat kinderen andere attributies of objecten benadrukken of opmerken dan volwassenen.

Point-light walker displays

Beelden die het resultaat zijn van de bewegingen van kleine lichten die geplaatst zijn op belangrijke punten van het lichaam, zoals de gewrichten of het hoofd, van een in het zwart gekleed persoon die in het donker loopt.

Gedeelde kerneigenschappen

(shared core properties)

Eigenschappen die belangrijk zijn voor categorisatie, zoals dat de binnenkant van een levend object verschilt van dat van een niet-levend object.

Groeiprincipe

(principle of growth)

Het begrijpen dat dieren veranderen over tijd, maar dat daardoor hun identiteit niet verandert en dat ze alleen maar groter kunnen worden en niet kleiner.

Thematische relaties

Associatieve relaties zoals: ‘bijen gaan samen met honing’.

Characteristic-to-defining shift

Het idee dat de basis van categorisatie gedurende de ontwikkeling verandert van gebaseerd zijn op bekende karakteristieke kenmerken tot meer gebaseerd op ontwikkelde bepalende kenmerken.

Verspreidde mentale representaties

(distributed mental representations)

Concepten en categorieën die gerepresenteerd worden in de hersenen in termen van meerdere sensorische eenheden. Ze zijn daarom goed verbonden netwerken van neuronen.

Essentialisme

Impliciete aannames of overtuigingen over de structuur van de wereld die aangeboren kunnen zijn en die de cognitieve ontwikkeling en categorisatie leiden door het stellen van belangrijke beperkingen of grenzen aan informatie die wel of niet geleerd kan worden.

 

Hoofdstuk 5

Taal

Language acquisition device (LAD)

Werd voor het eerst door Chomsky naar voren gebracht; een aangeboren mogelijkheid die kinderen hebben voor het aanleren van de gesproken taal.

Fonotactische patronen van taal

Taalklanken en de relaties tussen deze klanken die zo gebruikt worden dat ze woorden vormen waaruit de taal bestaat.

Motherese / kindgerichte spraak

(infant-direct speech/IDS)

Een bepaalde manier van spreken die verzorgers gebruiken als ze tegen kinderen praten, hierbij wordt op een overdreven manier de nadruk gelegd op woord- en zinsgrenzen.

Fonemen

De individuele klankelementen waar woorden in een taal uit bestaan. De notatie van een foneem wordt afgeleid van de fysische stimulus, de klank dus.

Perceptueel magneeteffect

(perceptual magnet effect)

Prototypische klanken in een taal die als een “magneet” werken voor perceptueel gelijkende klanken, zodat ze tot dezelfde categorie worden gerekend, ook al is dat misschien niet zo.

Prosodie

De melodie en de ritmes van taal.

Head turn preference procedure

Hierbij krijgen kinderen geluiden te horen wanneer zij naar een knipperend licht kijken dat gepresenteerd wordt aan de linker- of rechterkant. Kinderen kijken langer naar het licht als de stimuli bekend zijn.

Syntax

Kennis of hoe woorden gecombineerd kunnen worden zodat ze zinnen en uitdrukkingen vormen.

Morfologie

De regels over de interne structuur van woorden.

Canonisch babbelen

(caconical babbling)

Het babbelen dat begint wanneer kinderen ongeveer 7 tot 10 maanden oud zijn en waarbij ze lettergrepen bestaand uit klinkers en medeklinkers produceren, die zouden kunnen functioneren als delen van woorden.

Linguïstische hypothese

Deze hypothese over babbelen stelt dat de productie van structurele ritmische en temporale patronen van de taal een cruciaal deel is van het verwerven van taal.

Motorische hypothese

Deze hypothese stelt dat het ritme van babbelen wordt bepaald door de fysiologische bewegingen van de kaak.

Manual babbling

Handbewegingen van dove baby’s die het babbelen van horende kinderen benaderen.

Mismatch negativity (MMN)

Een toegenomen EEG-respons wanneer een bepaalde klank onverwacht op een andere klank volgt.

Het gebied van Broca

(Broca’s area)

De linker inferieure frontale gyrus; is gerelateerd aan de productie van spraak, herhaling in stilte en het kortetermijngeheugen.

Lexicale ontwikkeling

Het ontwikkelen van een vocabulaire: het leren van wat woorden betekenen.

Comprehension preceeds production

Het gegeven dat kinderen in het begin van de taalontwikkeling meer woorden begrijpen dan kunnen produceren.

Vocabulary spurt

Een naar het schijnt plotselinge spurt waarin kinderen ineens veel nieuwe woorden leren. Vindt plaats rond 17 tot 19 maanden.

Overextensie

Wanneer een kind een bepaald label gebruikt voor het benoemen van meerdere, verschillende objecten, ook al is dit niet correct. Bijv.: een kind gebruikt het woord ‘hond’ voor zowel honden als katten en leeuwen.

Fast mapping

Het vermogen om snelle en ruwe (maar wel correcte) hypotheses te vormen over de betekenis van nieuwe woorden.

Over-regulariseren

De neiging om o.a. onregelmatige werkwoorden te vervoegen volgens de regels voor regelmatige werkwoorden. Engels vb.: go – goed (i.p.v. went).

CHILDES

Staat voor: Child Language Data Exchange Scheme; een database van spontane uitlatingen van kinderen in de leeftijd 2-4 jaar en hun verzorgers.

Mean length of utterance (MLU)

Een maat voor taalontwikkeling, waarbij het aantal morfemen in een taaluiting van kinderen wordt gemeten. Het aantal morfemen neemt langzaamaan toe in de vroege kindertijd.

Pragmatiek

Het onderzoek naar het gebruik van taal om effectief te kunnen communiceren.

 

Hoofdstuk 6

Causaal redeneren

Causale mechanismen

De causale kenmerken die bepalen welke effecten het ene object heeft op het andere.

Omkeerbaarheid van oorzakelijk redeneren

(reversibility of causal reasoning)

Het vermogen om over dezelfde objecten te redeneren in een andere, omgekeerde causale relatie.

Causale principes

De principes die de basis zijn van causale contingenties.

Priority principe

Het begrijpen dat een bepaalde gebeurtenis veroorzaakt kan worden door een andere gebeurtenis die er aan vooraf gaat en niet door een gebeurtenis die erop volgt.

Covaratie principe

Het begrijpen dat de echte oorzaak van een effect waarschijnlijk de gebeurtenis is die systematisch en voorspelbaar covarieërt met het effect.

Temporal contiguity principe

Oorzaken en effecten moeten over tijd en plaats samenhangen.

Similarity of cause and effect

Alle dingen die gelijke oorzaken en effecten hebben, moeten in een bepaalde mate aan elkaar gelijk zijn. Bijv.: een mechanisch effect moet een mechanische oorzaak hebben.

Causal Bayes net

Algoritmen afkomstig uit de wereld van het machineleren die een causale structuur kunnen weergeven die aan de basis ligt van co-variërende data.

Mediate transmission

Een causale keten, bestaand uit drie onderdelen. A beïnvloedt B, die op zijn beurt weer C beïnvloedt. B is dus de causale mediator.

Logische zoektaak

Effectief zoeken, gebaseerd op het begrijpen van de logica van een situatie.

Wetenschappelijke methode

Het testen van hypotheses in een systematische manier en controleren voor potentiële verstorende variabelen.

Balance scale task

Kinderen worden getest op hun vermogen om zowel gewicht als afstand vanaf het middelpunt in overweging te nemen bij het bepalen of een balansschaal omhoog zal gaan, naar beneden zal gaan of gelijk zal blijven.

Stuwkracht (impetus) theorie

De theorie dat iedere beweging een oorzaak behoort te hebben.

 

Hoofdstuk 7

Sociale cognitie en theory of mind

Theory of mind

De mogelijkheid om mentale staten aan jezelf of anderen toe te schrijven.

Metarepresentational ability

Het vermogen om de kennisstaten (mentale representaties) van anderen en jezelf te representeren.

Pretend play

Doen alsof een object of een gebeurtenis een ander object of situatie is. Wordt ook wel symbolisch spelen genoemd. Is mede verantwoordelijk voor de ontwikkeling van metarepresentational ability.

Simple desire psychology

Denken dat de acties van mensen gebaseerd zijn op hun wensen. Dit is het vroege psychologisch begrip, tot 3 jaar.

Belief-desire psychology

Het voorspellen van de acties en reacties van anderen die gerelateerd zijn aan hun overtuigingen (in interactie met hun wensen). Komt voor bij kinderen vanaf 3 jaar.

Appearance-reality distinction

Het bewustzijn dat uiterlijke verschijning en de werkelijkheid kunnen verschillen, zowel in termen van fysieke objecten (een spons die eruit ziet als een steen) en psychologische staten (iemand lijkt geïnteresseerd te zijn, maar is eigenlijk verveeld). Kinderen van 3 jaar hebben dit bewustzijn niet, kinderen van 4 en 5 jaar wel.

Mind-mindedness

De term die door Meins werd gebruikt om aan te geven dat ouders en verzorgers jonge kinderen als individuen met een geest beschouwen.

 

Hoofdstuk 8

De ontwikkeling van het geheugen

Declaratief (expliciet) geheugen

Het herinneren van gebeurtenissen en ervaringen uit je eigen verleden (episodisch geheugen) en algemene, feitelijke gegevens over de wereld (semantisch geheugen).

Recall

Het actief herinneren of in het geheugen brengen van vroegere ervaringen.

Infantiele amnesie

(infantile amnesia)

Het niet kunnen herinneren van autobiografische herinneringen van voor de leeftijd van drie jaar.

Herkenningsgeheugen

(recognition memory)

Herkennen dat iets bekend is en dat je het al eerder meegemaakt hebt.

Impliciet (procedureel) geheugen

Geheugen voor informatie waarvan je niet bewust bent dat je die hebt.

Fragment completion task

Een persoon krijgt fragmenten van woorden of plaatjes te zien en wordt gevraagd om zich het gehele object te herinneren.

Maternal elaborativeness

Het uitvragen van de informatie die een kind geeft, dit lijkt een sleutelrol te spelen bij het ontwikkelen van het geheugen bij een kind.

Autobiografisch geheugen

Het herinneren van ervaringen / gebeurtenissen uit je eigen persoonlijke verleden.

Werkgeheugen

Een systeem met een beperkte capaciteit dat informatie tijdelijk vasthoudt. Bestaat uit drie delen in het model van Baddeley & Hitch: central executive, visuospatial sketchpad en phonological loop.

Central executive

Een onderdeel van het werkgeheugen. Is een regelsysteem dat de verschillende werkgeheugenactiviteiten coördineert en de verschillende bronnen toewijst.

Visuospatial sketchpad

Een onderdeel van het werkgeheugen dat gebaseerd is op visuele en ruimtelijke opslag in plaats van op verbale opslag.

Phonological loop

Een onderdeel van het werkgeheugen dat spraakgeluiden gebruikt om materiaal te coderen.

Mnemonische strategieën

Strategieën zoals herhaling en het organiseren van informatie om de opslag en het herinneren ervan te vergemakkelijken.

Novice-expert distinction

Een basis van kennis speelt een belangrijke rol bij het efficiënt werken van het geheugen, “experts” organiseren hun kennis op een andere manier dan “novices”.

Structural imaging

Neuroimaging waarmee de structuur, in plaats van de functies, van delen van de hersenen gemeten worden.

 

Hoofdstuk 9

Metacognitie, redeneren en executieve functies

Metacognitie

Kennis over cognitie, bijvoorbeeld metageheugen (kennis over het geheugen) en weten wat verschillende cognitieve taken van je vereisen.

Executieve functie

Het controleren en zelf reguleren van gedachten en acties, het vermogen om gedrag te plannen en ongepast gedrag te remmen.

Zelfcontrole

(self-monitoring)

Een aspect van metageheugen dat te maken heeft met het bijhouden van hoe ver je bent in het bereiken van je geheugendoelen.

Zelfregulatie

Het vermogen om je eigen geheugengedrag te plannen, richten en evalueren. Gerelateerd aan zelfcontrole, het zijn allebei vormen van executieve functies.

Judgments-of-learning

Het beoordelen van je eigen leren, zowel direct na het bestuderen van een lijst met items als na een paar minuten.

Ease-of-learning judgments

Het vermogen om je eigen vaardigheden te voorspellen bij het herinneren van items, lijsten of teksten.

Source monitoring

Het toeschrijven van de juiste bron of oorsprong als bron van je eigen geheugen, kennis en overtuigingen.

Inhibitory control

Het vermogen om responses op irrelevante stimuli te remmen wanneer er gestreefd wordt naar een cognitief gepresenteerd doel.

Dimensional Change Card Sort task (DCCS)

Een taak waarbij kaarten gesorteerd moeten worden en waarmee het vermogen van participanten wordt getest om te sorteren aan de hand van verschillende regels of dimensies.

Stroop taak

Bij deze taak wordt aan participanten gevraagd om de inktkleur van een woord te noemen en niet het woord voor kleurnamen. Bijvoorbeeld: als het woord rood geschreven is in groene inkt, moet de participant “groen” zeggen. Dit is een klassieke maat voor het frontale functioneren.

fNIRS (functional near-infrared spectroscopy)

Het meten van hersenactiviteit door het opsporen van bloedstromen via veranderingen in hemoglobine.

Inductief redeneren

Generaliseren vanuit bepaalde voorbeelden, iets concluderen aan de hand van een bepaalde aanname, het redeneren door middel van analogieën.

Deductief redeneren

Logische problemen die maar één correct antwoord hebben, waarbij syllogistisch geredeneerd moet worden.

Analogisch redeneren

De mogelijkheid om te redeneren over een nieuw probleem aan de hand van bekend probleem en de relaties tussen beide problemen.

Wason selectietaak

Een taak om deductief redeneren te meten. Participanten moeten hierbij redeneren over voorwaardelijke staten, door middel van de “als p, dan q” redenering.

 

Hoofdstuk 10

Taal- en wiskundige ontwikkeling

Signaalsysteem

(sign systems)

Symbolische systemen, zoals orthografische systemen (het alfabet) en getalsystemen (zoals het Arabische).

Fonologisch bewustzijn

(phonological awareness)

Het waarnemen van de verschillende geluidsonderdelen die samen woorden vormen.

Metalinguïstisch bewustzijn

Het vermogen om te reflecteren op je kennis van de geluidsstructuur van woorden.

Syllabisch bewustzijn

Het begrijpen van het aantal lettergrepen waaruit een woord bestaat.

Onset-rime awareness

Het opdelen van een lettergreep na de klinker, bijvoorbeeld z-ing.

Fonemisch bewustzijn

(phonemic awareness)

Onderscheid maken tussen het ene foneem het andere foneem. Dat wil zeggen dat niet-identieke, maar wel gelijkende fysische geluiden (allofonen) als dezelfde fonemen worden gezien.

Orthografische transparantie

De consistentie tussen een symbool en een geluid (grafeem – foneem).

Consistentie probleem

Het feit dat het alfabet in sommige talen bepaalde fonemen helderder representeert dan in andere talen.

Granularity probleem

Wanneer de toegang tot een fonologisch systeem gebaseerd is op grotere vezelgroottes, moeten er ook meer orthografische units geleerd worden.

Ontwikkelingsdyslexie

Kinderen die een omvangrijk vocabulaire kunnen hebben en een hoog IQ, maar die moeite kunnen hebben met lezen en spellen.

Analog magnitude representatie

Een interne, mentale representatie van continuerende hoeveelheden.

Webers wet

De stelling dat ons vermogen om fysisch onderscheid te maken ratiogevoelig is. Dat wil zeggen dat de drempel om tussen stimuli onderscheid te maken hoger wordt, gelijk op met de intensiteit van de stimulus.

Subitizing

Het onderscheid kunnen maken tussen heel kleine sets van getallen zonder dat er geteld hoeft te worden.

Kardinaliteit

(cardinality)

Het begrijpen dat alle sets met hetzelfde nummer hetzelfde aantal objecten bevatten.

Ordinaliteit

Het begrijpen dat cijfers in een geordende schaal van hoeveelheid of magnitude worden gerepresenteerd, dat wil zeggen dat 5 groter is dan 4.

 

Hoofdstuk 11

Theorieën over cognitieve ontwikkeling: Piaget en Vygotsky

Accommodatie

Het aanpassen en veranderen van cognitieve schema’s (algemene concepten) omdat een nieuwe ervaring er niet in past. Zo past het schema beter bij de realiteit.

Assimilatie

Nieuwe ervaringen worden ondergebracht in bestaande schema’s, nieuwe ervaringen worden geïnterpreteerd in termen van bestaande schema’s.

Stadiamodel van Piaget

Zes stadia van de cognitieve ontwikkeling van een kind.

Senso-motorische periode

(sensory-motor period)

Wanneer kinderen tussen 0 en 2 jaar oud zijn, cognitie is hier gebaseerd op de fysieke interacties van het kind met de wereld.

Periode van pre-operaties

(period of pre-operations)

Bij kinderen tussen 2 en 7 jaar oud, hier wordt het begin van het representationeel denken gevormd en wordt acties geïnternaliseerd.

Periode van concrete operaties

(period of concrete operations)

Bij kinderen van 7 tot 11 jaar oud, in dit stadium kunnen kinderen de resultaten van bovenstaande internalisaties mentaal omkeren.

Periode van formele operaties

(period of formal operations)

Wanneer kinderen tussen 11 en 12 jaar oud zijn, worden bepaalde concrete operaties met elkaar verbonden en dit vormt het begin van wetenschappelijk denken.

Seriation

Het begrip dat objecten een geordende serie kunnen vormen in termen van hun fysieke of psychologische kenmerken.

Pre-operational

Van 2 tot 7 jaar: er vindt symbolische ontwikkeling plaats (bijv. taal) en de ontwikkeling van het begrijpen van de eigenschappen van concrete objecten en de relaties tussen deze objecten.

Egocentrisch denken

Perceptie en interpretatie van de wereld in termen van het zelf, het onvermogen om de wereld vanuit iemand anders’ gezichtspunt te bekijken.

Centratie

De neiging om te focussen op één aspect, situatie of object en daarbij andere aspecten te negeren.

Omkeerbaarheid van gedachten

De mentale onmogelijkheid om een serie van gebeurtenissen of stappen van redeneren om te draaien.

Transitivity

Het begrijpen dat de relatie tussen 2 items die niet direct met elkaar vergeleken kunnen worden, misschien toch afgeleid kan worden door een indirecte vergelijking door middel van de referentie aan een derde (of meer) tussenobjecten.

Conservatie

Het begrijpen dat sommige aspecten van objecten, zoals gewicht, hoeveelheid of volume, niet veranderen wanneer andere aspecten (zoals vorm) veranderen.

Class inclusion

Weten dat objecten tot een of meer categorieën kunnen behoren (Vb.: bruine koeien horen bij de categorie ‘bruine koeien’, maar ook bij de bredere categorie ‘koeien’).

Formeel operationeel denken

Het vermogen een formeel systeem zoals propositionele logica op basisoperaties toe te passen die te maken hebben met categorieën van objecten en hun relaties.

Tekensystemen

Culturele semiotische systemen; psychologische “gereedschappen” die de symbolische representatie en organisatie van kennis mogelijk maken. Voorbeelden hiervan zijn plaatjes, diagrammen, getalsystemen.

Zone van naaste ontwikkeling

(zone of proximal development)

Het verschil tussen wat kinderen alleen kunnen doen en wat ze kunnen doen wanneer ze geholpen worden door volwassenen of wanneer ze samenwerken met leeftijdsgenoten die meer kunnen of weten.

Neuroconstructivisme

Verklaart de mechanismen van cognitieve verandering door middel van biologische beperkingen van de neurale activiteitspatronen die mentale representaties vormen.

Encellment

De ontwikkeling van neuronen wordt beperkt door hun cellulaire omgeving.

Enbrainment

De functionele eigenschappen van hersengebieden worden beperkt door de co-ontwikkeling van andere hersengebieden.

Explanation-based learning

Machineleren dat afhankelijk is van het vormen van causale verklaringen voor fenomenen op basis van enkele trainingsvoorbeelden.

 

Image

Access: 
Public

Image

Join: WorldSupporter!

Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

Check: concept of JoHo WorldSupporter

Concept of JoHo WorldSupporter

JoHo WorldSupporter mission and vision:

  • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

JoHo concept:

  • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
  • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

Join JoHo WorldSupporter!

for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

Check: how to help

Image

 

 

Contributions: posts

Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

Image

Image

Share: this page!
Follow: Vintage Supporter (author)
Add: this page to your favorites and profile
Submenu & Search

Search only via club, country, goal, study, topic or sector