Begrippenlijst Neurologie

Deze samenvatting is gebaseerd op het studiejaar 2013-2014.

Hoofdstuk 2: Zenuwcellen

Neuronen

Neuronen ontvangen informatie en brengen deze informatie over naar andere cellen.

Membraan

Het omhulsel van een cel dat de binnenkant van een cel scheidt van de buitenkant.

Nucleus

De celkern, het onderdeel van de cel dat de chromosomen bevat.

Mitochondrion

Functioneert als energiecentrale van de cel; het levert de energie die een cel nodig heeft voor alle activiteiten.

Ribosoom

Het deel van de cel dat een heel belangrijke functie heeft bij de opbouw van eiwitten.

Endoplasmisch reticulum

Een netwerk van membranen dat de nieuwe eiwitten naar andere locaties transporteert.

Motorische neuronen

Deze neuronen transporten impulsen naar de spieren, zorgen voor samentrekking of ontspanning van de spieren en zorgen daarmee voor beweging.

Sensorische neuronen

Deze neuronen richten zich op een specifieke stimulus uit de omgeving, bijvoorbeeld geluid.

Dendrieten

Vertakkingen van een neuron die aan het einde steeds smaller worden. Op de dendrieten liggen synaptische receptoren die informatie ontvangen van andere neuronen.

Dendritische spine

Kort uitsteeksel op de dendrieten die het oppervlak voor de synapsen groter maakt.

Cellichaam/soma

Bevat de nucleus, ribosomen, mitochondria, etc. Hier wordt de informatie van de andere neuronen verzameld en verwerkt.

Axon

Een lange, dunne vertakking van een neuron, die een impuls van de ene naar het andere neuron brengt, of van een neuron naar een orgaan of spieren.

Myelineschede

Het isolerende materiaal dat een axon bedekt.

Knoop van Ranvier

De korte onderbrekingen tussen de segmenten van myelineschede.

Presynaptische terminal

Vanaf dit punt laat de axon chemische stoffen vrij die de ruimte tussen de ene en de andere neuronen overbruggen.

Afferent axon

Brengt informatie ergens naartoe, bijvoorbeeld naar het brein. Sensorische neuronen zijn afferent.

Efferent axon

Voert informatie ergens vanaf, bijvoorbeeld van het brein. Motorneuronen zijn efferent.

Interneuronen/intrinsieke neuronen

Deze neuronen zijn aan beide zijden verbonden met andere zenuwcellen en communiceren ook alleen met andere neuronen.

Glia

Deze cellen brengen geen informatie over, maar ‘verzorgen’ de neuronen.

Astrocyten

Helpen bij het synchroniseren van de activiteit van axonen, zodat deze hun berichten via golven kunnen versturen.

Microglia

Heel kleine cellen die lichaamsvreemd materiaal als virussen verwijderen. Ze zijn eigenlijk een soort afweersysteem.

Oligodendrocyten

Verzorgen de myelinisatie in het centraal zenuwstelsel.

Cellen van Schwann

Verzorgen de myelinisatie in het perifeer zenuwstelsel.

Radiale glia

Begeleiden de migratie van neuronen en de groei van axonen en dendrieten tijdens de embryonale ontwikkeling.

Bloed-hersenbarrière

Zorgt ervoor dat (schadelijke) chemische stoffen niet in de hersenvloeistof kunnen komen.

Actief transport

Een proces wat door proteïnen gemedieerd wordt en chemicaliën van het bloed de hersenen in pompt.

Glucose

Een simpel soort suiker, maar wel een van de belangrijkste brandstoffen voor het menselijk lichaam.

Thiamine

Ook wel vitamine B1; speelt een belangrijke rol bij de afbraak van glucose tot energie.

Elektrische gradiënt

Het verschil in elektrische geladenheid tussen het binnenste van een cel en dat wat buiten een cel is.

Polarisatie

Een verandering van elektrische geladenheid tussen twee locaties.

Rustpotentiaal

De negatieve elektrische lading van een neuron wanneer dit neuron in rust is.

Selectieve doorgankelijkheid

Het membraan laat bepaalde chemicaliën, zoals zuurstof en water sneller door dan andere chemicaliën, zoals elektrisch geladen ionen en moleculen (welke helemaal niet worden doorgelaten).

Sodium-potassium pomp/natrium-kalium pomp

Pompt drie natrium ionen uit de cel en twee kalium ionen de cel in door actief transport.

Concentratiegradiënt

Het verschil in de verdeling van ionen over het membraan.

Actiepotentiaal

Snelle depolarisatie; er loopt dan een neurale impuls langs het axon.

Kritische drempel

Stimulatie boven een bepaald niveau zorgt voor een hevige depolarisatie.

Hyperpolarisatie

Als de negatieve lading in een cel toeneemt.

Voltagegevoelig kanaal

Membraankanalen waarvan de doorgankelijkheid afhangt van de het verschil in voltage over het membraan.

Lokale anesthetica

Bijvoorbeeld novocaïne en xylocaïne; deze hechten zich aan de natriumkanalen van het membraan waardoor ze voorkomen dat natrium-ionen door het membraan gaan en daarmee actepotentialen stoppen.

Alles-of-niets wet

Onder normale omstandigheden vuurt een neuron altijd even sterk.

Refractaire periode

Periode waarin een cel zich verzet tegen de productie van verdere actiepotentialen, na een depolarisatie.

Absolute refractaire periode

Eerste gedeelte van de refractaire periode, het membraan kan dan geen actiepotentiaal produceren omdat er nog teveel ionkanalen inactief zijn.

Relatieve refractaire periode

Nog niet alle kanalen zijn actief, maar al wel genoeg om met een versterkte prikkel een depolarisatie op gang te brengen.

Axonheuvel

In een motorneuron begint een actiepotentiaal hierop; het is een zwelling waar het axon het cellichaam verlaat

Propagatie van het actiepotentiaal

De overbrenging van de actiepotentiaal over een axon, zodat het axon sterk blijft.

Myeline

Een isolerend materiaal dat het axon omhult, bestaand uit vetten en eiwitten.

Gemyeliniseerde axonen

Axonen bedekt met een myelineschede.

Saltatoire geleiding

De actiepotentialen springen van de ene naar de andere knoop van Ranvier. Daardoor gaat de geleiding veel sneller.

Lokale neuronen

Neuronen zonder axonen, die alleen informatie uitwisselen met de meest naastgelegen cellen.

Gesorteerde (rated) potentialen

Membraanpotentialen die variëren in sterkte en zich dus niet houden aan de alles-of-niets wet.

 

Hoofdstuk 3: Synapsen

Synaps

De ruimte tussen twee neuronen waar de communicatie tussen deze neuronen plaatsvindt.

Reflexen

Automatische reacties van de spieren op stimuli.

Reflexboog

De weg die een impuls aflegt van de sensorische neuronen naar de spieren.

Temporale summatie

Stimuli die binnen een korte tijd herhaald worden (op dezelfde neuron), hebben een cumulatief effect. Bedenker: Sherrington.

Postsynaptische neuron

De cel die de boodschap ontvangt.

Presynaptische neuron

De cel die een boodschap verstuurt.

Excitatory postsynaptic potential (EPSP)

Een tijdelijke depolarisatie, die ontstaat doordat natriumionen de cel binnenkomen.

Ruimtelijke summatie

Synaptische input van verschillende locaties combineren hun effecten op een neuron.

Inhibitory postsynaptic potential (IPSP)

De tijdelijke hyperpolarisatie van een membraan. Vindt plaats wanneer synaptische input selectief kalium ionen de cel laat verlaten en chloride ionen de cel laat binnenkomen.

Spontane vuursnelheid (spontaneous firing rate)

Een periodieke productie van actiepotentialen, zelfs zonder synaptische input.

Neurotransmitter

Een chemische stof die vrijgelaten wordt door een neuron en die van invloed is op een andere neuron.

Aminozuur

Een zuur dat een amine groep bevat.

Neuropeptiden

Ketens van aminozuren.

Acetylcholine

Een chemische stof die lijkt op een aminozuur, maar die een N(CH3) groep bevat.

Monoamine

Bevat een amino groep, ontstaan door een verandering in bepaalde aminozuren.

Purinen

Een categorie chemicaliën, waaronder adenosine en chemicaliën die hiervan zijn afgeleid

Gassen

Salpeter-oxide en waarschijnlijk ook andere gassen.

Stikstofmonoxide (NO)

Een soort gas dat wordt vrijgelaten door veel kleine lokale neuronen.

Catecholaminen

De groep van epinephrine, norepinephrine en dopamine.

Blaasjes (vesicles)

Kleine ronde ‘pakketjes’, waarin de presynaptische terminal hoge concentraties van een neurotransmitter in opslaat.

Monoamine oxidase (MAO)

Een eiwit dat de neurotransmitters serotonine, dopamine en norepinephrine afbreekt tot inactieve chemicaliën.

Exocytose

De vrijlating van neurotransmitters in vlagen van het presynaptische neuron in de synaptische spleet.

Ionotropisch effect

Als een bepaalde neurotransmitter zich aan een receptor op een membraan bindt, opent het de kanalen voor bepaalde typen ionen.

Transmitter- of ligandgevoelige kanalen

De kanalen die worden gestuurd door een neurotransmitter. Een ligand is een chemische stof die aan een andere chemische stof bindt.

Metabotropisch effect

Op sommige synapsen zorgen neurotransmitters voor een reek van metabolische reacties die langzamer zijn en langer duren dan ionotropische effecten.

G-proteïne

Een eiwit dat gekoppeld is aan guanosine triphosphate, een energie opslaande molecuul.

Tweede boodschapper (second messenger)

Communiceert met gebieden in de cel over de informatie uit de neurotransmitter.

Neuromodulators

Neuropeptiden die worden vrijgelaten door cellichamen en dendrieten en dat alleen na herhaaldelijke stimulatie.

Neurogliaforme cel

Een soort neuron die qua vorm meer op een gliacel lijkt en grote hoeveelheden GABA tegelijkertijd vrijlaat waardoor er een ‘wolk’ wordt gevormd die zich verspreid naar een groot aantal neuronen in het omliggende gebied en daarmee wijd verspreide inhibitie produceert.

Hormoon

Een chemische stof, meestal afgescheiden door de endocriene klieren, die door het bloed vervoerd wordt naar andere organen, waarvan het de activiteit beïnvloedt.

Endocriene klieren (hormoonklieren)

Hormonen producerende klieren.

Hypofyse (pituitary gland)

Klier die hormonen afscheidt, bestaand uit de hypofysevoorkwab en de hypofyseachterkwab.

Hypofysevoorkwab

Gemaakt van klierweefsel. Synthetiseert zes hormonen, als gevolg van dat de hypothalamus bepaalde hormonen afscheidt.

Hypofyseachterkwab

Gemaakt van zenuwweefsel. Kan gezien worden als een uitbreiding van de hypothalamus en slaat de door de hypothalamus geproduceerde hormonen oxcytocine en vasopressine op.

Heropname

Serotonine, dopamine, norepinephrine en epinephrine worden in het postsynaptische neuron niet afgebroken tot niet-actieve delen, maar maken zich los van de receptoren. Vervolgens neemt het presynaptische neuron deze neurotransmitters soms weer op.

Autoreceptoren

Receptoren die reageren op de vrijgelaten transmitter door verdere synthese en vrijlating te inhiberen.

Gap junction

Wanneer bij een elektrische synaps het membraan van een neuron in direct contact komt met het membraan van een ander neuron.

Antagonist

Een drug die de werking van een neurotransmitter blokkeert/remt.

Agonist

Een drug die de werking van een neurotransmitter versterkt/laat toenemen.

Affiniteit

Als een drug zich aan een receptor bindt, heeft de drug een affiniteit voor een receptor.

Efficacy

De neiging van een drug om de receptor te activeren.

Nucleus accumbens

Het beloningscentrum van de hersenen.

Stimulerende drugs

Zorgen voor opwinding, alertheid en toegenomen activiteit, verbeteren het humeur en laten vermoeidheid verminderen.

Amfetamine

Stimuleert dopamine synapsen door de vrijlating van dopamine uit de presynaptische terminal.

Dopamine transporter

Normaal gesproken neemt het presynaptische neuron de dopamine weer op, door de dopamine transporter, een eiwit. Amfetamine zorgt ervoor dat dit niet gebeurt.

Cocaïne

Blokkeert de heropname van dopamine, norepinephrine en serotonine en verlengt hun activiteit daarmee.

Methylfenidaat

Ook wel Ritalin. Dit medicijn blokkeert ook de heropname van dopamine, norepinephrine en serotonine.

Nicotine

Aanwezig in tabak. Ook nicotine stimuleert de vrijlating van dopamine. Stimulatie van de nicotine receptor zorgt voor veel activiteit in een nieuwe omgeving en een hoge respons op nieuwe stimuli.

Opium

Wordt gemaakt van een soort papaver. Bekende opiaten zijn morfine, heroïne en methadon. Opiaten laten mensen ontspannen en de gevoeligheid voor pijn neemt af.

Marihuana

Een drug die ervoor zorgt dat de waarneming via de zintuigen intenser wordt en dat het lijkt alsof de tijd langzamer gaat. Marihuana kan zorgen voor een verslechtering van het geheugen en de cognitie.

Hallucinerende drugs

Drugs die de waarneming vervormen, zoals LSD.

Alcoholisme

Het continue gebruik van alcohol ondanks lichamelijke of sociale schade, zelfs nadat het individu beloofd heeft om het dankgebruik te stoppen of te verminderen.

Type I (A) alcoholisme

Bij dit type ontwikkelen mensen geleidelijk aan een alcoholprobleem, meestal na hun 25ste en hebben niet altijd familieleden die ook aan alcoholisme lijden.

Type II (B) alcoholisme

Bij dit type gaat het sneller, meestal begint het al voor het 25ste levensjaar. De meesten zijn man en hebben familieleden die ook aan alcoholisme lijden.

Tolerantie

Afname van de effecten van de drug, met name van de plezierige effecten, naarmate de verslaving zich ontwikkelt.

Ontwenning

Treedt op wanneer het lichaam afhankelijk is geworden van een drug en hiermee wordt gestopt; het lichaam reageert dan sterk wanneer het geen drugs krijgt. Denk bijvoorbeeld aan angst, zweten, misselijkheid, prikkelbaarheid, vermoeidheid, trillen, etc.

Antabuse

Een drug die de effecten van het enzym acetaldehyde dehydrogenase (welke zorgen dat alcohol wordt omgezet in acetisch zuur, een chemische stof die het lichaam gebruikt voor energie) tegenwerkt door te binden aan het koperion.

Methadon

Een soort opiaat, die ook oraal kan worden ingenomen en dus niet in de aderen hoeft gespoten te worden.

 

 

Hoofdstuk 4: Het zenuwstelsel

Neuroanatomie

De anatomie van het zenuwstelsel.

Centraal zenuwstelsel (CNS)

Het brein en het ruggenmerg.

Perifeer zenuwstelsel (PNS)

Bestaat uit alle zenuwcellen die geen deel uitmaken van het brein en het ruggenmerg.

Somatisch zenuwstelsel

Deel van het PNS dat bestaat uit de axonen die boodschappen van de waarnemingsorganen naar het CNS brengen

Autonoom zenuwstelsel

Deel van het PNS dat onbewust plaatsvindende functies reguleert. Het reguleert de werking van de inwendige organen.

Dorsaal

Richting de rug.

Ventraal

Richting de maag.

Ruggenmerg

Het deel van het CNS dat zich in de ruggenwervel bevindt. Het communiceert met alle waarnemingsorganen en spieren, behalve met die van het hoofd.

Wet van Bell-Magendie

De dorsale axonen bundels transporteren sensorische informatie en de ventrale axonen bundels transporten bewegingsinformatie.

Dorsal root ganglia

Clusters neuronen buiten het ruggenmerg, bestaande uit de cellichamen van de sensorische neuronen.

Grijze stof

De stof die de cellichamen, de dendrieten en de korte axonen van de cellichamen bevat.

Witte stof

De stof die de gemyeliniseerde axonen bevat. Verbindt de grijze stof met verschillende hersencellen.

Sympathisch zenuwstelsel

Een netwerk van zenuwen dat de organen voorbereidt op actie.

Parasympathisch zenuwstelsel

Brengt het lichaam weer in de ruststand.

Hindbrain

Het achterste gedeelde van de hersenen, welke bestaat uit de medulla, de pons en het cerebellum.

Hersenstam

Is te vinden aan het onderste gedeelte van het brein, het bevat de belangrijkste onderdelen voor overleving van het lichaam.

Medulla

Gelegen vlak boven het ruggenmerg en kan gezien worden als de vergrote versie van het ruggenmerg, maar dan gelegen in de hersenen. Het controleert enkele belangrijke reflexen, zoals ademen.

Craniale zenuwen

Ook wel hersenzenuwen genoemd. Controleren waarnemingen en spierbewegingen vanuit het hoofd en veel van de parasympathische output naar de organen.

Pons

De plaats waar axonen van elke helft van het brein oversteken naar de overkant van het ruggenmerg, zodat de linker hersenhelft de spieren in de rechterhelft aan het lichaam aanstuurt en omgekeerd.

Reticulaire formatie

Een netwerk van onderling nauw verbonden hersencellen. Een gedeelte controleert de bewegingsgebieden van het ruggenmerg en ander gedeelte stuurt output naar de cerebrale cortex.

Raphe systeem

Stuurt axonen naar een groot gedeelte van de voorhersenen en zorgt ervoor dat het brein

Cerebellum

Bevindt zich vlak achter de hersenstam en is belangrijk voor evenwicht en coördinatie van bewegingen.

Midbrain

Gelegen in het midden van de hersenen en bestaat uit het tectum, de superior en inferior colliculus, het tegmentum en de substantia nigra.

Tectum

Het bovenste gedeelte van de middenhersenen.

Superior colliculus & inferior colliculus

De zwellingen aan elke zijde van het tectum. Beide belangrijk voor het verwerken van waarnemingen, voor respectievelijk zicht en gehoor.

Tegmentum

Het tussenliggende gedeelte van de midbrain (zoals een tapijt op een vloer)

Substantia nigra

Voorzien van een pad wat dopamine bevat en de gereedheid tot beweging faciliteert.

Forebrain

Een prominent gedeelte van het brein, bevat twee cerebrale hersenhelften. Beide hersenhelften ontvangen zintuiglijke informatie en beheersen de spieren.

Limbisch systeem

Een groep van onderling verbonden structuren, belangrijk voor motivatie en emotie. Bevat o.a. de hippocampus en de amygdala.

Thalamus

Twee structuren (links en rechts) in de voorhersenen. De meeste sensorische informatie komt eerst in de thalamus, die het verwerkt en de output doorstuurt naar de cortex.

Hypothalamus

Breinstructuur die informatie overdraagt aan de hypofyse, reguleert gedrag dat te maken heeft met motivatie zoals seksueel gedrag.

Hypofyse

Bevindt zich aan de hypothalamus. In reactie op de informatie van de hypothalamus laat de hypofyse hormonen vrij in het bloed.

Basale ganglia

Een groep van subcorticale structuren, is belangrijk voor geplande beweging.

Nucleus basalis

Een gedeelte van het brein dat een sleutelrol speelt bij arousal, wakkerheid en aandacht.

Hippocampus

Breinstructuur die zeer belangrijk is voor het geheugen.

Centrale kanaal

Een met vloeistof gevuld kanaal in het midden van het ruggenmerg.

Ventrikels

Vier met vloeistof gevulde holtes in de hersenen die onderling verbonden zijn.

Hersenvocht (CSF)

Geproduceerd door cellen in de vier ventrikels. Het lijkt qua samenstelling wel wat op bloedplasma en het bevindt zich in de ventrikels. Vanuit het vierde ventrikel stroomt een gedeelte in het centrale kanaal, maar het grootste gedeelte bevindt zich tussen het brein en het hersenvlies.

Hersenvlies (meninges)

Een vlies dat om de hersenen en het ruggenmerg heen ligt.

Cerebrale cortex

De buitenste laag van het brein.

Corpus callosum

Twee bundels van axonen waardoor de ene hersenhelft met de andere kan communiceren.

Anterior commissure

Gedeelte van de hersenen dat eveneens communicatie mogelijk maakt.

Laminae

Lagen van cellichamen, parallel liggend aan de oppervlakte van de cortex, die van elkaar gescheiden worden door lagen vezels.

Occipitaal kwab

Bevindt zich aan het einde van de cerebrale cortex en is heel belangrijke voor visuele informatie.

Pariëtaal kwab

Gelegen tussen de occipitaal kwab en de frontaalkwab. Is belangrijk voor tast.

Centrale sulcus

Een van de meest diepe groeven in de oppervlakte van de cortex.

Postcentrale gyrus

Ook wel primaire somatosensorische cortex genoemd, gelegen in het voorste gedeelte van de pariëtale kwab, net achter de centrale sulcus. Het belangrijkste doel voor tast prikkels en informatie van spierstrekkende receptoren.

Temporaalkwab

Laag gelegen in de cerebrale cortex. Is het belangrijkste gebied voor auditieve informatie. Speelt ook een rol in gedragingen die met motivatie of emotie te maken hebben.

Syndroom van Klüver-Bucy

Beschadigingen in de temporaalkwab kunnen leiden tot het syndroom van Klüver-Bucy. Emotionele of motivationele gedragingen raken verstoord.

Frontale kwab

Gelegen aan de voorzijde van de cerebrale cortex.

Precentrale gyrus

Het achterste gedeelte van de frontale kwab; belangrijk voor de controle over bewegingen.

Prefrontale cortex

Gedeelte van de frontale kwab. Ontvangt informatie van alle zintuigen. Is ook belangrijk voor het werkgeheugen.

Prefrontale lobotomie

Operatieve disconnectie tussen de prefrontale cortex en de rest van de hersenen.

Delayed-response taak

Een stimulus verschijnt heel kort en iemand moet na een korte pauze op deze stimulus reageren.

Binding probleem

Het vraagstuk hoe verschillende hersendelen de perceptie van één object produceren.

Ablatie

Verwijderen van een hersengebied. Operatieve verwijdering is lastig in het geval van kleine structuren die ver onder de oppervlakte van de hersenen gelegen zijn. In dat geval wordt een laesie verricht.

 

Laesie

Beschadigen van een hersengebied/-structuur.

Stereotaxisch instrument

 

Wordt gebruikt om een laesie te maken in het binnenste van de hersenen. Het is een instrument waarmee nauwkeurig electroden in de hersenen kunnen worden geplaatst.

Transcraniale magnetische stimulatie

Het gebruik van sterk magnetisch veld, zodat neuron tijdelijk inactief worden.

Frenologie

Het relateren van de vorm van de schedel aan bepaald gedrag. Bedenker: Franz Gall.

Electroencephalograph (EEG)

Een EEG meet de elektrische activiteit van de hersenen door elektroden.

Opgeroepen potentialen/responen (evoked responses)

Hersenactiviteit in reactie op een stimulus.

Electroencephalograph (EEG)

Een EEG meet de elektrische activiteit van de hersenen door elektroden.

Magnetic resonance imaging (MRI)

MRI maakt gebruik van een sterk magnetische veld en geeft daarmee een zeer duidelijk beeld van de hersenen.

Magnetoencephalograph (MEG)

Een MEG meet de zwakke magnetische velden die geproduceerd worden door hersenactiviteit.

Positron-emission tomography (PET)

Een PET meet de uitstoot van radioactiviteit door geïnjecteerde chemische stoffen en geeft zo een duidelijk beeld van de hersenactiviteit.

Functional magnetic resonance imaging (fMRI)

Een aanpaste versie van de MRI, die gebruikt maakt van hemoglobine.

Computerized axial tomography (CT-scan)

Een persoon krijgt contrastvloeistof toegediend en wordt dan in een scanner geschoven. Werkt d.m.v. röntgenstralen.

Gene-knockout aanpak

Onderzoekers gebruiken biochemische methoden om een bepaald gen te muteren dat niet belangrijk is voor bepaalde celtypen, neurotransmitters of receptoren.

Transcraniale magnetische stimulatie

Het gebruik van sterk magnetisch veld, zodat neuronen tijdelijk inactief worden.

 

 

Hoofdstuk 5: Ontwikkeling en plasticiteit van het brein

Proliferatie

De productie van nieuwe cellen.

Migratie

Nadat cellen neuronen of glia cellen zijn geworden, verhuizen ze vanuit de ventrikels naar een andere plaats.

Differentiëren

In eerste instantie ziet een neuron eruit als iedere andere cel, maar geleidelijk vormt de neuron zijn axon en dendrieten.

Myelinatie

Het proces waarbij glia het vette, isolerende omhulsel van de axonen produceert.

Synaptogenesis

De formatie van de synapsen. Dit proces begint al voor de geboorte, maar blijft ook voortduren tijdens de rest van het leven.

Stamcel

Een cel die kan uitgroeien tot allerlei verschillende cellen.

Neuraal Darwinisme

Een algemeen principe; tijdens de ontwikkeling van het zenuwstelsel beginnen we met meer neuronen en synapsen dan we uiteindelijk kunnen behouden. Synapsen worden met slechts een indicatie van nauwkeurigheid gevormd. Een selectieproces behoudt sommige synapsen en verwijdert anderen. De meest succesvolle axonen en combinaties overleven.

Zenuwgroeifactor (NGF)

De zenuwgroeifactor is een eiwit dat aangeleverd wordt door een spier. Het bevordert de overleving en groei van een axon.

Apoptose

Wanneer een axon op een bepaalde leeftijd nog steeds geen contact heeft gemaakt met een geschikte postsynaptische cel, doodt de neuron zichzelf.

Neurotrofine

Een chemische stof die de groei en de activiteit van neuronen bevordert (Bijv.: NGF).

Foetaal alcohol syndroom

Is het gevolg van zwaar alcoholgebruik tijdens de zwangerschap. Kenmerkt zich door hyperactiviteit, impulsiviteit, snel afgeleid, verschillende graduaties van mentale gestoordheid, problemen met bewegen, hartstoornissen en gezichtsafwijkingen.

Focale hand dystonie

De vingers worden wat onhandig, raken snel(ler) vermoeid en maken onvrijwillige bewegingen.

Antisaccade taak

Een taak waarbij een persoon moet weg kijken van een sterke aandachtstrekker. Een saccade is een vrijwillige oogbeweging en een antisaccade is een vrijwillige oogbeweging weg van de normale richting.

Closed head injury

Een scherpe klap tegen het hoofd als gevolg van een ongeval, aanslag of ander trauma. De meest voorkomende oorzaak van hersenschade bij jonge mensen.

Beroerte / cerebrovasculair accident (CVA)

Een tijdelijke onderbreking van de bloeddoorstroming naar een bepaald hersengebied.

Ischemische beroerte

Ontstaat als er een bloedvat verstopt raakt door een klonter of stolsel.

Hersenbloeding (hemorrhage)

Ontstaat als er een bloedvat openscheurt, komt minder vaak voor dan een ischemische beroerte.

Zwelling (edema)

De opeenhoping van vloeistof, waardoor de druk op de hersenen toeneemt en die de kans verhoogt op nog meer beroertes.

Tissue plasminogen activator (tPA)

Een medicijn dat de bloedklonters oplost na een beroerte.

Diaschisis

De afgenomen activiteit van overlevende neuronen nadat andere neuronen beschadigd zijn.

Collateral sprouts

Een overlevende axon maakt nieuwe vertakkingen om de synapsen te vervangen die achter zijn gebleven nadat een axon beschadigd is geraakt.

Denervatie supersensitiviteit

De verhoogde gevoeligheid van een neuron ten opzichte van een neurotransmitter nadat een binnenkomende axon verwoest is.

Disuse supersensitiviteit

Verhoogde gevoeligheid als gevolg van de inactiviteit van een binnenkomende axon.

Fantoompijn

Als mensen die een geamputeerd lichaamsdeel hebben, dat lichaamsdeel nog steeds voelen of er pijn in hebben.

Deafferent lichaamsdeel

Als een individu een lichaamsdeel niet meer voelt, terwijl de motorische zenuwen nog steeds verbonden zijn aan de spieren. Het lichaamsdeel krijgt dan geen afferente (sensorische) input meer.

 

 

Hoofdstuk 8: Motoriek

Gladde spieren

Spieren die het spijsverteringsstelsel en andere organen besturen.

Skeletspieren

Spieren die de bewegingen van het lichaam ten opzichte van de omgeving besturen.

Hartspieren

De spieren die verantwoordelijk zijn voor de pompwerking van het hart. De eigenschappen van deze spieren zitten een beetje tussen die van de gladde en skeletspieren in.

Neuromusculaire overgang

Een synaps tussen het axon van een motorische neuron en een spiercel.

Antagonistische spieren

Spieren die tegengesteld werken, bijvoorbeeld voor buigen en strekken.

Fast-twitch spiervezels

Het type met snelle samentrekkingen dat snel vermoeid raakt.

Slow-twitch spiervezels

Het type met weinig krachtige samentrekkingen, raakt dus ook niet vermoeid.

Aerobisch

Slow-twitch spiervezels raken niet vermoeid omdat ze zuurstof gebruiken tijdens de bewegingen.

Anaerobisch

Fast-twitch spiervezels raken snel vermoeid omdat de bewegingen niet per se zuurstof nodig hebben, terwijl zuurstof wel nodig is voor het herstel.

Proprioceptor

Een receptor die de positie of beweging van een gedeelte van het lichaam opspoort.

Strekreflex

Als een spier gestrekt is, stuurt het ruggenmerg een reflexief signaal om de spier te laten samentrekken.

Spierspoel

Een proprioceptor, parallel aan de spier, die reageert op een uitstrekkende beweging.

Golgi peesorganen

Een proprioceptor die reageert op toenames in spierspanning.

Reflexen

Consequente automatische responses op stimuli. Reflexen zijn onvrijwillig, ze zijn niet gevoelig voor bekrachtigers of motivaties.

Grijpreflex

Wanneer je een voorwerp (bijv. je vinger) in de hand van een baby legt, zal deze het voorwerp vastpakken.

Babinski reflex

Wanneer je over de voetzool van een baby streelt, strekt de baby zijn/haar grote teen en spant de andere tenen aan.

Zuigreflex

Wanneer je de wang van een baby aanraakt, draait de baby zich naar de gestimuleerde wang toe en begint te zuigen.

Ballistische beweging

Een ballistische beweging wordt uitgevoerd als een geheel. Het bijsturen van deze beweging is niet mogelijk.

Centrale patronen generatoren

Neurale mechanismen in het ruggenmerg die ritmische patronen van motorische output produceren.

Bewegingsprogramma

Een vaste reeks van bewegingen.

Primaire motorische cortex

De precentrale gyrus van de frontale cortex. De primaire motorische cortex stuurt het ruggenmerg en de hersenstam aan, die vervolgens de impulsen produceren die de spieren aansturen.

Posterieure pariëtale cortex

Het hersengebied dat het overzicht heeft over de positie van het lichaam ten opzichte van de wereld.

Premotorische cortex

Is actief tijdens de voorbereidingen voor een bepaalde beweging en minder actief tijdens deze beweging zelf.

Supplementaire motorische cortex

Belangrijk voor het plannen en organiseren van een snelle reeks van bewegingen in een bepaalde volgorde.

Prefrontale cortex

Slaat zintuiglijke informatie op de relevant is voor een beweging. Ook is de prefrontale cortex actief tijdens een vertraging voor een beweging.

Spiegelneuronen

Actief tijdens de voorbereiding op een bepaalde beweging, maar ook als ze zien dat een ander individu dezelfde of een gelijksoortige beweging maakt.

Bereidheidpotentiaal

Een soort activiteit die geproduceerd wordt door de motorische cortex ongeveer 500 ms. voor een vrijwillige handeling.

Corticospinale banen

De banen van de cerebrale cortex naar het ruggenmerg.

Laterale corticospinale baan

Een set van axonen vanuit de primaire motorische cortex, omliggende gebieden en de rode nucleus.

Rode nucleus

Een gebied in de middenhersenen, vooral verantwoordelijk voor het beheersen van de armspieren.

Mediale corticospinale baan

Bevat axonen vanuit verschillende gebieden in de cerebrale cortex (niet de primaire motorische cortex en omliggende gebieden), de tectum, de reticulaire formatie en de vestibulaire nucleus.

Vestibulaire nucleus

Een hersengebied dat informatie ontvangt van het vestibulaire systeem.

Nuclei

Clusters van cellichamen.

Cerebellaire cortex

De oppervlakte van het cerebellum.

Purkinje cellen

Platte (tweedimensionale) cellen, parallel aan elkaar gelegen.

Parallelle vezels

Axonen die parallel aan elkaar gelegen zijn en loodrecht gelegen zijn ten opzichte van de Purkinje cellen.

Nuclei van het cerebellum

Groepen van cellichamen in het binnenste van het cerebellum.

Basale ganglia

Een groep grote subcorticale structuren in de voorhersenen.

Caudate nucleus & putamen

Onderdelen van de basale ganglia, input komt vanuit de cerebrale cortex in deze twee gebieden.

Globus pallidus

Onderdeel van de basale ganglia. Output komt vanuit de caudate nucleus en het putamen in dit gebied. Daarvandaan gaat het vooral naar de thalamus.

Ziekte van Parkinson

De symptomen zijn stijfheid, het beven, langzame bewegingen en moeite hebben met het aanvoeren van fysieke en mentale activiteit.

MPTP

Een chemische stof die door het lichaam omgezet wordt in MPP+. Deze stof hoopt zichzelf op in neuronen die dopamine vrijlaten en vernietigt deze cellen uiteindelijk.

L-dopa

De belangrijkste behandeling voor de ziekte van Parkinson. Het tekort aan stimulatie door dopamine in de basale ganglia wordt aangevuld door L-dopa.

Stamcellen

Onvolwassen cellen die zichzelf kunnen veranderen in een groot aantal andersoortige cellen.

Ziekte van Huntington

Een hevige neurologische stoornis die het brein ernstig beschadigt. De ziekte uit zich in o.a. onwillekeurige bewegingen en psychische stoornissen.

Huntingtin

Het eiwit dat het gen voor de ziekte van Huntington codeert.

 

Hoofdstuk 9: Slaap en waken

Endogeen circannuaal ritme

Een ritme dat een vogel voorbereid op de verandering van seizoenen.

Endogeen circadiaans ritme

Het biologische ritme waarvan de cyclus ongeveer één dag (24 uur) duurt.

Free-running ritme

Een ritme dat optreedt wanneer het niet door stimuli wordt teruggezet of veranderd.

‘Zeitgeber’

De stimulus die de het circadiaanse ritme reset. Licht is een belangrijke ‘zeitgeber’.

Jetlag

Een verstoring van het circadiaanse ritme als gevolg van het doorkruisen van verschillende tijdzones. Is het gevolg van het verschil tussen de innerlijke circadiaanse klok en de daadwerkelijke tijd in een bepaalde locatie.

Suprachiasmatische nucleus (SCN)

Het gedeelte van de hypothalamus dat de biologische klok regelt. Regelt het circadiaanse ritme voor slaap en temperatuur.

Pijnappelklier / epifyse

Een hormoonklier die achter de thalamus ligt. Produceert melatonine.

Melatonine

Een hormoon dat geproduceerd wordt door de pijnappelklier en dat circadiaanse en circannuale ritmes beïnvloedt.

Coma

Een lange periode van bewusteloosheid die veroorzaakt wordt door hoofdletsel, een beroerte of een ziekte, waarin niet wordt gereageerd op stimuli.

Vegetatieve staat

Kenmerkt zich door perioden van slaap en gemiddelde arousal, hoewel mensen zich daarbij niet bewust zijn van de omgeving.

Minimaal bewustzijn

Korte perioden die bestaan uit doelgerichte acties en een beperkt taalbegrip.

Hersendood

Een toestand waarbij er geen teken is van hersenactiviteit en er geen responses zijn op stimuli.

Polysomnograaf

Een combinatie van de uitkomsten van een EEG en een meting van oogbewegingen.

Alfa-golven

Alfa-golven hebben een frequentiebereik van 8 tot 12 Hz en komen voor als iemand ontspannen is.

Slaapspoel

Heeft een frequentiebereik van 12 tot 14 Hz gedurende een periode van minder dan een halve seconde, als gevolg van een sterk wisselende interactie tussen de thalamus en de cortex.

K-complex

Een scherpe uitschieter met een hoge amplitude. Plotselinge stimuli kunnen tijdens de tweede slaapfase een K-complex opwekken.

Slow-wave slaap (SWS)

Bestaand uit de derde en de vierde stadia van slaap. De hartslag, de ademhaling en de hersenactiviteit nemen af. In stadium 4 bestaat de hersenactiviteit uit hoge golven die tenminste een halve seconde duren.

Paradoxale slaap

Een slaapstadium waarbij het EEG heel actief is, maar waarbij spierspanning ontbreekt.

Rapid eye movement (REM) slaap

Het slaapstadium waarin snelle oogbewegingen optreden, is gelijk aan paradoxale slaap.

Non-REM (NREM) slaap

De fases buiten de REM slaap.

Reticulaire formatie

Een netwerk van nauw verbonden neuronen. Strekt zich uit van de medulla naar de voorhersenen.

Pontomesencephalon

Het gedeelte van de reticulaire formatie dat bijdraagt aan corticale arousal.

Locus coeruleus

Een klein onderdeel in de pons, is meestal inactief, maar produceert grote aantallen impulsen als reactie op betekenisvolle gebeurtenissen, vooral als deze emotionele opwinding opwekken.

Orexin / hypocretine

Een peptide neurotransmitter.

Basale voorhersenen

Een gebied dat voor de hypothalamus ligt; produceert cellen die axonen leveren die zich uitstrekken door de thalamus en de cerebrale cortex.

PGO-golven

Een typisch patroon van elektrische potentialen die een hoge amplitude hebben, komt voor tijdens de REM slaap.

Slapeloosheid / insomnia

Een tekort aan slaap.

Slaap apneu

Het onvermogen om te ademen tijdens het slapen. Bestaat uit perioden waarin geen adem wordt gehaald en waarna mensen happend naar adem wakker worden.

Narcolepsie

Een toestand die gekarakteriseerd wordt door frequente perioden van slaperigheid gedurende de dag.

Kataplexie

Een aanval waarbij de spieren plotseling slap worden, terwijl de persoon wakker is.

Periodieke bewegingsstoornis van de ledematen

Wordt gekarakteriseerd door herhaalde onvrijwillige bewegingen van de benen en soms de armen.

REM gedragsstoornis

Waarbij mensen zich tijdens de REM slaap gewoon kunnen bewegen en vaak hun dromen uitvoeren.

Night terror

Een ervaring van intense angst waaruit mensen gillend wakker worden. Treedt op tijdens de NREM slaap.

Cafeïne

Een drug die gevonden wordt in koffie, thee en veel frisdranken en die zorgt voor toenemende arousal door de receptoren van adenosine te blokkeren.

Activatie-synthese hypothese

Dromen beginnen met spontane activiteit in de pons die andere delen van de cortex activeren (PGO-golven). Tijdens het dromen doet het brein pogingen om van deze informatie een logisch geheel te maken.

Klinische-anatomische hypothese

Gebaseerd op patiëntstudies, lijkt op de activatie-synthese hypothese, maar legt geen nadruk op de PGO-golven. Het dromen wordt gezien als denken dat onder bijzondere omstandigheden plaatsvindt.

 

 

Hoofdstuk 12: Emoties

James-Lange theorie

Volgens deze theorie raakt het autonome zenuwstelsel eerst opgewonden en komt het lichaam in actie voordat we emotie voelen. Wat wij ervaren als emotie is het etiket dat we aan een respons geven.

Puur autonoom falen

Output vanuit het autonome zenuwstelsel bereikt het lichaam (bijna) niet. Er is nog wel hartslag, maar dit wordt niet meer gereguleerd door het zenuwstelsel.

Paniekaanval

Kenmerkend hiervoor is extreme opwinding van het sympathische zenuwstelsel. Het heel snel ademhalen geeft mensen het idee dat ze stikken.

Limbisch systeem

De gebieden in de voorhersenen die de thalamus omringen.

Behavioral Activation System (BAS)

Activiteit in de linkerhersenhelft, vooral in de frontaalkwab en de temporaalkwab. Wordt gekenmerkt door lage tot gemiddelde autonome opwinding en de neiging tot actie.

Behavioral Inhibition System (BIS)

Toegenomen activiteit van de frontaalkwab en de temporaalkwab in de rechterhersenhelft. Aandacht en opwinding nemen toe, er wordt minder actie uitgevoerd en emoties zoals angst en walging worden gestimuleerd.

Turnover

De hoeveelheid serotonine metabolieten in lichaamsvloeistoffen die neuronen vrijlaten en vervangen.

5-hydroxyindoleacetisch zuur (5-HIAA)

Het belangrijkste metaboliet van serotonine in de cerebrospinale vloeistof (CSF).

Schrikreflex

De respons op een onverwacht luid geluid.

Nucleus van de terminale stria

Een hersengebied wat een grote rol speelt bij lange termijn algemene emotionele arousal. De terminale stria bestaat uit een verzameling axonen die deze nucleus aan de amygdala binden.

Paniekstoornis

Een angststoornis gekenmerkt door frequente perioden van angst met soms aanvallen van snelle ademhaling, verhoogde hartslag, zweten en trillen.

Benzodiazepinen

De meest gebruikte medicijnen die angst tegengaan. Een voorbeeld is diazepam (Valium).

GABAA receptor

Aan deze receptor binden de benzodiazepinen zich; het omvat een kant die zich bindt aan GABA en kanten die de sensitiviteit van de GABA-kant aanpassen.

Gedragsmedicatie

Benadrukt de effecten van persoonlijkheid/emoties op gewicht, roken, beweging, stressvolle ervaringen.

Stress

De non-specifieke reactie van het lichaam op elke eis die eraan gesteld wordt.

Algemeen adaptiesyndroom

Iedere bedreiging voor het lichaam activeert een algemene respons op stress. Aanvankelijk komt het lichaam in de alarmfase, later in de verzetfase.

Cortisol

Een soort hormoon dat samen met andere hormonen door de adrenaline cortex wordt uitgescheiden dat het lichaam in staat stelt om lang in een staat van alertheid te blijven, te vechten tegen infecties en wonden geneest.

HPA-as

De hypothalamus, de hypofyse en de adrenaline cortex.

Adrenocorticotropic hormoon (ACTH)

Stimuleert de menselijke adrenaline cortex om cortisol af te scheiden, dat metabolische activiteit vergroot en het suikerniveau in het bloed verhoogt.

Immuunsysteem

Bestaat uit cellen die het lichaam beschermen tegen virussen, bacteriën en andere ‘binnendringers’.

Myasthenia gravis

Een auto-immuunziekte waarbij antistoffen worden aangemaakt worden die de acetylcholinereceptoren op de neuromusculaire overgang aanvallen. De skeletspieren verzwakken hierdoor en raken sneller vermoeid.

Leukocyten

Witte bloedcellen, het belangrijkste onderdeel van het zenuwstelsel.

Antistof

Wordt afgescheiden door B cellen, zijn Y-vormige eiwitten die zich binden aan bepaalde antigenen.

Antigenen

De eiwitten die aan de oppervlakte van iedere cel liggen.

Cytokine

Geproduceerd door leukocyten en andere cellen, bestrijdt infecties en communiceert met het brein om geschikt gedrag teweeg te brengen.

Psychoneuro-immunologie

Gaat over de manieren hoe ervaringen het immuunsysteem beïnvloeden en hoe het immuunsysteem op zijn beurt het centraal zenuwstelsel beïnvloedt.

Posttraumatische stressstoornis (PTSS)

Komt voor nadat mensen een ernstig stressgevende ervaring doorgemaakt hebben. De symptomen, die tenminste een maand lang blijven, zijn: flashbacks en nachtmerries over de gebeurtenis, het vermijden van reminders en overdreven opwinding als reactie op geluiden en andere stimuli.

 

Hoofdstuk 13: Leren en geheugen

Klassiek conditioneren

Het samengaan van twee stimuli verandert de respons op één van die twee.

Geconditioneerde stimulus (CS)

Stimulus die in eerste instantie geen respons uitlokt, later wordt een geleerde respons uitgelokt.

Ongeconditioneerde stimulus (UCS)

Een stimulus die een respons uitlokt die niet geleerd is.

Ongeconditioneerde respons (UCR)

Een respons die uitgelokt wordt door een ongeconditioneerde stimulus.

Geconditioneerde respons (CR)

Na het samengaan van de CS en de UCS maakt een individu een nieuwe, geleerde respons op de CS.

Operante conditionering

Bepaald gedrag leidt tot een bepaald resultaat, een respons leidt tot een straf of een bekrachtiger.

Bekrachtiger

Iedere gebeurtenis die de kans op herhaling van een respons in de toekomst vergroot.

Straf

Een gebeurtenis die de frequentie van een respons onderdrukt.

Engram

De fysieke vertegenwoordiging van datgene dat geleerd is.

Equipotentialiteit

Alle onderdelen van de hersenschors dragen op gelijke wijze bij aan complex gedrag zoals leren. Elk deel van de hersenschors kan vervangen worden door ieder ander deel.

Massa actie

De hersenschors werkt als een geheel en meer hersenschors is beter.

Laterale interpositus nucleus (LIP)

Een kern in het cerebellum die volgens Thompson essentieel is voor leren.

Kortetermijngeheugen

Geheugen voor gebeurtenissen die net gebeurd zijn, het geheugen heeft een beperkte capaciteit en informatie wordt maar kort vastgehouden.

Langetermijngeheugen

De permanente opslag van informatie, het langetermijngeheugen heeft een grote capaciteit.

Consolideren

Het transporteren van informatie vanuit het kortetermijngeheugen naar het langetermijngeheugen door het brein.

Herconsolideren

Het geheugen wordt geherconsolideerd wanneer een herinnering wordt gevolgd door een gelijksoortige ervaring; het geheugen wordt dan weer versterkt.

Werkgeheugen

Een alternatief voor het kortetermijngeheugen, om te benadrukken dat tijdelijke opslag niet een onderdeel is van de weg naar het langetermijngeheugen, maar de manier waarop wij informatie opslaan als we ermee werken. Bedacht door Baddeley & Hitch.

Vertraagde respons taak

Een veelvoorkomende test van het werkgeheugen; je moet hierbij reageren op iets dat je een korte tijd geleden gehoord of gezien hebt.

Amnesie

Geheugenverlies; gebreken in het langetermijngeheugen.

Anterograde geheugenverlies

Het onvermogen om herinneringen te vormen van gebeurtenissen die plaatsvonden nadat het brein beschadigd werd.

Retrograde geheugenverlies

Geheugenverlies voor gebeurtenissen die plaatsvonden voordat de hersenen beschadigd werden.

Episodisch geheugen

Het geheugen voor afzonderlijke, persoonlijke gebeurtenissen.

Expliciet geheugen

Het opzettelijk oproepen van (specifieke) informatie die een persoon herkent als geheugen.

Impliciet geheugen

De invloed van een recente gebeurtenis op gedrag, zelfs als een persoon die invloed niet herkent.

Declaratief geheugen

Het vermogen om een herinnering in woorden te beschrijven.

Procedureel geheugen

De ontwikkeling van motorische vaardigheden en gewoonten.

Delayed matching-to-sample task

Een dier ziet een object (sample) en na een korte pauze moet het uit twee aangeboden objecten de juiste sample kiezen.

Delayed nonmatching-to-sample task

Grotendeels hetzelfde als bovenstaand, alleen moet het dier hier het object kiezen dat verschilt van de sample.

Radiaal doolhof

Een doolhof met 8 of meer armen, sommige daarvan hebben een beetje eten of een andere bekrachtiger aan het eind. Een rat die in het midden geplaatst wordt kan het eten vinden door iedere arm te verkennen.

Morris water doolhof taak

Hierbij moet een rat door troebel water zwemmen om een rustplatform te vinden dat zich net onder wateroppervlakte bevindt.

Syndroom van Korsakoff

Een hersenbeschadiging die veroorzaakt wordt door langdurig thiamine tekort. Komt meestal voor bij chronische alcoholisten, die te weinig vitamine binnenkrijgen. De symptomen zijn o.a. apathie, verwarring en geheugenverlies.

Confabulatie

Een kenmerkend onderdeel van het syndroom van Korsakoff, waarbij patiënten dingen verzinnen om de gaten in hun geheugen in te vullen.

Ziekte van Alzheimer

Een andere oorzaak van geheugenverlies. Tijdens de ziekte krijgt men last van zwaar geheugenverlies, verwarring, depressie, rusteloosheid, hallucinaties, wanen en slapeloosheid. Oorspronkelijk treft het vooral mensen van onder de 40, maar met het klimmen van de leeftijd komt het vaker voor.

Amyloid-ß

De genen die vroege Alzheimer controleren veroorzaken dat dit eiwit zich binnen en buiten neuronen ophoopt.

Tau eiwit

Een eiwit dat deel uitmaakt van het intracellulaire steunstructuur van neuronen. Hoge amyloid-ß niveaus zorgen ervoor dat meer fosfate groepen zich gaan binden aan tau eiwitten. Het aangepaste tau eiwit kan zich hierdoor niet binden aan haar gebruikelijke doelen binnen axonen, waardoor het zich in het cellichaam en dendrieten verspreid.

Semantische dementie

Verlies van het semantische geheugen, komt voor bij beschadiging in het voorste en onderste gedeelte van de temporale kwab.

Synaps van Hebb

Een synaps waarvan de effectiviteit toeneemt vanwege gelijktijdige activiteit in de presynaptische en postsynaptische neuronen.

Habituatie (gewenning)

Een afname van de respons op een stimulus die herhaaldelijk gepresenteerd wordt en die vergezeld wordt van geen veranderingen in andere stimuli.

Sensitisatie

Een toename van de respons op lichte stimuli als gevolg van blootstelling aan meer intense stimuli.

Langetermijnpotentatie (LTP)

Eén of meer axonen die verbonden zijn aan een dendriet bombarderen het met korte maar snelle series van stimuli. Deze intense stimulatie zorgt ervoor dat sommige synapsen gedurende een periode toegankelijker zijn voor nieuwe input van hetzelfde soort.

Specifiteit

Als sommige synapsen naar een cel zeer actief zijn geweest, en andere niet, worden alleen de actieve synapsen versterkt.

Coöperativiteit

Bijna gelijktijdige stimulatie door twee of meer axonen produceert een sterkere LTP dan herhaalde stimulatie door één axon.

Associativiteit

Het combineren van zwakke input met sterke input vergroot latere respons op de zwakke input.

Langetermijn depressie (LTD)

Een langdurige afname van respons op een synaps, komt voor als axonen minder actief zijn geweest dan anderen.

AMPA receptor & NMDA receptor

Glutamaat receptoren

BDNF

Een neurotropische factor afkomstig van de hersenen. Deze neurotrofine lijkt op de zenuwgroeifactor (hoofdstuk 5)

Retrograde transmitter

Hevige stimulatie van een postsynaptische cel zorgt ervoor dat het een retrograde transmitter produceert, die teruggaat naar de presynaptische cel om die te veranderen.

 

 

Hoofdstuk 14: Cognitieve functies

Corpus callosum

Twee bundels van axonen waardoor de ene hersenhelft met de andere kan communiceren.

Lateralisatie

Het onderscheid maken in functies van de twee hersenhelften, de linkerhersenhelft is bijvoorbeeld bij veel mensen gespecialiseerd in taal.

Visueel veld

Wat op een bepaald moment zichtbaar is.

Optisch chiasme

De plaats waar de helft van de axonen van ieder oog oversteken naar de tegenovergestelde helft van de hersenen.

Rechts visueel veld

De linkse helft van het netvlies → linkerhersenhelft.

Links visueel veld

De rechtse helft van het netvlies → rechterhersenhelft.

Epilepsie

Een toestand die gekenmerkt wordt door herhaalde perioden met buitensporige gesynchroniseerde neurale activiteit, vaak als gevolg van afgenomen vrijlatingen van de remmende neurotransmitter GABA.

Focus

Het punt in de hersenen waar aanvallen beginnen.

Split-brain patiënten

Mensen die een operatie hebben gehad aan hun corpus callosum.

Planum temporale

Gedeelte van de temporale cortex dat bij de meeste mensen (65%) groter is in de linker- dan in de rechterhersenhelft.

Anterior commissure

Verbindt de voorste gedeelten van de cerebrale hersenschors met elkaar.

Productiviteit

Het vermogen van taal om nieuwe woorden te kunnen vormen, waarmee nieuwe ideeën weergegeven kunnen worden.

Syndroom van Williams

Een syndroom waarbij mensen een verstandelijke handicap hebben, maar waarbij ze wel grammaticaal correct en vloeiend spreken.

Aangeboren taalvermogen (language acquisition device / LAD)

Een aangeboren mechanisme voor het verwerven van taal.

Afasie

Een stoornis van de taal.

Gebied van Broca

Het motorische spraakcentrum, gelegen in de linker frontale kwab. Schade aan dit gebied wordt meestal veroorzaakt door een hersenbloeding.

Afasie van Broca

De productie van taal is dan verstoord, ook is het begrip verstoord wanneer mensen een zin moeten begrijpen die een complexe structuur heeft.

Gebied van Wernicke

Het sensorische spraakcentrum, gelegen in de linker temporale kwab.

Afasie van Wernicke

Wordt gekenmerkt door slecht taalbegrip en een afgenomen vermogen om zich de namen van objecten te herinneren.

Anomia

Moeite hebben met herinneren van de namen van objecten.

Dyslexie

 

Een specifieke stoornis van het lezen waarbij niets mis is met het zicht en waarbij andere academische vaardigheden niet verstoord zijn.

Lichaam-geest probleem

Wat is de relatie tussen lichaam en geest? Vanuit verschillende stromingen wordt antwoord gegeven op deze vraag: dualisme en monisme.

Dualisme

De opvatting dat lichaam en geest verschillende soorten substanties zijn die onafhankelijk van elkaar bestaan (Descartes).

Monisme

De opvatting dat het universum slechts uit één soort substantie bestaat. Er zijn verschillende vormen van monisme: materialisme, mentalisme en identiteitspositie.

Materialisme

De opvatting dat alles wat bestaat materieel/fysiek is.

Mentalisme

De opvatting dat alleen de geest echt bestaat en de fysische wereld niet zou bestaan als de geest zich er niet bewust van was.

Identiteitspositie

De opvatting dat mentale processen en bepaalde soorten processen in de hersenen hetzelfde zijn, maar alleen anders worden beschreven.

Moeilijk probleem (hard problem)

Behandelt de vraag waarom er een bewustzijn bestaat.

Bewustzijn

Een lastig te definiëren begrip. Onderzoekers maken gebruik van de volgende operationele definitie: Wanneer een meewerkend persoon bewustzijn van een stimulus rapporteert, maar niet van een andere stimulus, dan was hij/zij zich bewust van de eerste en niet de tweede stimulus.

Masking

Het tonen van een korte visuele stimulus, gevolgd door een langere interfererende stimulus.

Backward masking

Het enkel tonen van de tweede stimulus.

Binoculaire rivaliteit

De veranderende perceptie tussen wat het linkeroog en het rechteroog ziet, wanneer de twee onverenigbaar zijn.

Phi fenomeen

Wanneer vlak naast een punt een andere gelijkende punt staat, lijkt het of de punt beweegt.

Inattentional blindness

Wanneer iets in een gecompliceerde omgeving langzaam verandert, of verandert terwijl je met je ogen knippert, zal deze verandering je waarschijnlijk niet opvallen, tenzij je je aandacht op de veranderende stimulus hebt gericht.

Stroop effect

De moeite om de kleur van de inkt op te noemen en hierbij de woorden te negeren (bijv. wanneer het woord ‘blauw’ in het rood gedrukt staat)

Ruimtelijke neglect

De neiging om de linkerhelft van het lichaam of de linkerkant van objecten te negeren.

 

 

Hoofdstuk 15: Psychische stoornissen

Major depressie

Men voelt zich weken lang zeer verdrietig, men heeft weinig energie, voelt zich waardeloos, overweegt zelfdoding, slaapt slecht, kan zich niet concentreren en heeft nergens meer plezier in.

Postnatale depressie

Een depressie die ontstaat als iemand een kind gekregen heeft.

Tricyclische medicijnen

Medicijnen die de eiwitten blokkeren die serotonine, dopamine en norepinephrine terugbrengen naar de presynaptische cel.

Selective serotonin reuptake inhibitor (SSRI)

Grotendeels gelijk aan tricyclische medicijnen, met als verschil dat ze zich vooral richten op serotonine (Bijvoorbeeld: Prozac)

Serotonine norepinephrine reuptake inhibitor (SNRI)

Nieuwere medicatie; ze blokkeren reuptake van serotonine en norepineprhine (Bijvoorbeeld: Cymbalta en Effexor)

Monoamine oxide inhibitors (MAOIs)

Blokkeren het MAO enzym, een enzym dat zich in de presynaptische cel bevindt en dat catecholamines en serotonine in inactieve vormen verandert.

Atypische antidepressiva

Hieronder vallen alle antidepressiva die anders zijn dan de bovengenoemde gevallen. Voorbeeld: bupropion, dat de heropname van dopamine en soms noradrenaline inhibeert.

Elektroshocktherapie (ECT)

Behandeling door middel van een door elektriciteit opgewekte aanval.

Unipolaire depressie

Mensen met een unipolaire depressie wisselen tussen depressie en een ‘normale’ toestand.

Bipolaire stoornis

Deze stoornis wordt gekenmerkt door afwisselende perioden van depressie en manie.

Manie

Wordt gekenmerkt door rusteloze activiteit, opwinding, veel zelfvertrouwen, onsamenhangende spraak en een verlies van remmingen.

Bipolaire I stoornis

Mensen bij wie de bipolaire stoornis (bijna) geheel uit manies bestaat.

Bipolaire II stoornis

Mensen met mildere manische fasen, hypomanie genoemd, die vaak gekarakteriseerd worden door agitatie en angst.

Lithium

De succesvolle behandeling voor bipolaire stoornis, het stabiliseert de stemming.

Seasonal affective disorder (SAD)

Een vorm van depressie, die vooral voorkomt tijdens een bepaald seizoen, meestal de winter.

Schizofrenie

Een stoornis die gekenmerkt wordt door het verslechterd vermogen om te functioneren in het dagelijks leven, hallucinaties, wanen, bewegingsstoornissen en ongepaste emotionele uitingen.

Acute schizofrenie

Ontstaat plotseling en de vooruitzichten voor herstel zijn goed.

Chronische schizofrenie

Ontwikkelt zich geleidelijk en is van lange duur.

Positieve symptomen

Psychotische symptomen, zoals wanen en hallucinaties en gedesorganiseerd gedrag zoals bizar gedrag en ongepaste emotionele uitingen.

Negatieve symptomen

Zwakke sociale interacties, emotionele expressie, spraak en werkgeheugen. Blijven constant over de tijd en zijn moeilijk te behandelen.

Waanvoorstelling (delusion)

Ongegronde overtuigingen, bijvoorbeeld de overtuiging dat men achtervolgd wordt.

Hallucinaties

Abnormale zintuiglijke waarnemingen, zoals stemmen horen.

Differentiaal diagnostiek

Een diagnose die andere aandoeningen met dezelfde soort symptomen uitsluit

Concordantie

Genetische overeenkomst

DISC1 (disrupted in schizophrenia 1)

Een gen dat blijkt voor te komen bij veel mensen met schizofrenie.

Neuro-ontwikkelingshypothese

Volgens deze theorie ontstaat schizofrenie door abnormaliteiten in de prenatale of neonatale ontwikkeling van het zenuwstelsel, die leiden tot kleine afwijkingen van de hersenen en tot grote abnormaliteiten in het gedrag.

Season-of-birth effect

Kinderen die in de winter geboren worden hebben een wat groter (5 tot 8%) risico om schizofrenie te ontwikkelen dan mensen die in andere seizoenen geboren worden.

Chlorpromazine

Een medicijn dat bij de meeste patiënten de positieve symptomen van schizofrenie verlicht.

Antipsychotica

Medicijnen die helpen bij schizofrenie, bestaand uit fenothiazines en butyrofenonen, welke beiden dopamine synapsen blokkeren.

Dopamine hypothese

Schizofrenie zou ontstaan door een teveel aan activiteit op dopamine synapsen op verschillende plaatsen in de hersenen.

Substantie geïnduceerde psychotische stoornis

Een stoornis die ontstaat na het nemen van grote doses van amfetamine en cocaïne (drugs die de activiteit van dopamine synapsen vergroten) en die gekenmerkt wordt door hallucinaties en wanen.

Glutamaat hypothese

Schizofrenie zou voor een deel ontstaan door te weinig activiteit op glutamate synapsen, vooral in de prefrontale cortex.

Phencyclidine (PCP)

Een medicijn dat de NMDA glutamate receptoren remt. In grotere doses produceert het de positieve en negatieve symptomen van schizofrenie.

Mesolimbocorticaal systeem

Een stel neuronen die vanuit het tegmentum in de middenhersenen uitsteken naar het limbisch systeem.

Tardieve dyskinesie

Antipsychotica kunnen deze stoornis veroorzaken, die zich kenmerkt door bevingen en andere onvrijwillige bewegingen die zich geleidelijk ontwikkelen.

Tweede generatie antipsychotica

Deze medicijnen verlichten schizofrenie zonder bewegingsproblemen te veroorzaken. Ze zijn effectiever dan de eerdere antipsychotica en behandelen ook de negatieve symptomen.

 

Image

Access: 
Public

Image

Join WorldSupporter!

Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

Check: concept of JoHo WorldSupporter

Concept of JoHo WorldSupporter

JoHo WorldSupporter mission and vision:

  • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it support personal development and promote international cooperation is encouraged.

JoHo concept:

  • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
  • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

Join JoHo WorldSupporter!

for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

Image

 

 

Contributions: posts

Help other WorldSupporters with additions, improvements and tips

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.

Image

Check more: related and most recent topics and summaries
Check more: study fields and working areas

Image

Follow the author: Medicine Supporter
Share this page!
Statistics
3999
Submenu & Search

Search only via club, country, goal, study, topic or sector