Samenvatting Actuele criminologie (Van Dijk)
Deze samenvatting is gebaseerd op het studiejaar 2013-2014.
- Hoofdstuk 1 Verkenning van het vakgebied van de criminoloog
- Hoofdstuk 2 beschrijvende criminaliteitswetenschap:
- Hoofdstuk 3 Informatie over de werkwijze van justitie en politie
- Hoofdstuk 4 Het psychologisch perspectief van de dader
- Hoofdstuk 5 Het sociologische perspectief op de maatschappij en criminaliteit
- Hoofdstuk 6 Het tegengaan van criminaliteit
- Hoofdstuk 7: Doelstellingen van wettelijk straffen
- Hoofdstuk 8 Het Nederlandse sanctiestelsel
- Hoofdstuk 9 Slachtofferkunde
- Hoofdstuk 10 Georganiseerde misdaad, drugs en geweld
- Hoofdstuk 11 Criminaliteit, Etniciteit en geslacht
Druk: 2011
Auteur: J. Van Dijk
Hoofdstuk 1 Verkenning van het vakgebied van de criminoloog
1.1 De maatschappij waarin de criminoloog werkt
De studie naar criminologie is populair omdat veel Nederlanders in contact komen met criminaliteit. Een kwart van de Nederlandse bevolking krijgt zelf wel eens met veelvoorkomende criminaliteit te maken en de helft van de Nederlanders kent iemand in zijn directe omgeving die hiermee in aanraking komt.
Uit onderzoek blijkt dat Nederlanders zich de afgelopen jaren onveiliger zijn gaan voelen. Ze zien dit meer als een maatschappelijk probleem dan als een persoonlijk probleem. Het aantal voorstanders voor strengere straffen bij criminaliteit en een hardere aanpak van criminelen is de afgelopen jaren ook gegroeid. Volgens veel mensen moet er meer gedaan worden om preventief op te treden tegen criminaliteit. Veel criminelen komen bijvoorbeeld uit probleemgezinnen. Aanhangers van zowel linkse partijen, aanhangers van het CDA en de ChristenUnie zijn voor een preventieve aanpak van criminaliteit door een goede opvoeding en onderwijs. Zij wijzen als oorzaak aan dat ouders niet streng genoeg zijn voor hun kinderen in de opvoeding.
Veel mensen voelen zich emotioneel bij misdrijven betrokken. Dit gevoel is extra sterk als het slachtoffer iemand is waarmee bijvoorbeeld de lezer van een krant zich kan identificeren. Tv-programma’s en boeken over misdrijven zijn vooral populair als het slachtoffer juist wat verder van je afstaat. Mensen vinden het prettig om zulke verhalen te lezen omdat ze het prettig vinden in een situatie te zijn die beter is dan die van het slachtoffer. Dit wordt in de psychologie de ‘neerwaartse’ vergelijking’ genoemd.
Hoe reageren mensen emotioneel op een misdrijf?
Identificatie met het slachtoffer: Mensen kijken vanuit een eigen standpunt naar een misdrijf en staan vaak alleen open voor argumenten die hiermee overeenkomen.
Als er een misdrijf wordt gepleegd dan kan iemand zich identificeren met het slachtoffer of met de dader.
Iemand die zich met het slachtoffer identificeert zal angst of boosheid voelen, of meeleven met het slachtoffer. Iemand die angst of boosheid voelt zal behoefte hebben aan extra beveiliging of samenhorigheid. Een misdrijf kan er namelijk voor zorgen dat de gemeenschap hechter wordt en dat mensen zich bevestigd voelen in hun normen en waarden.
Verder kan deze persoon een vergeldingsbehoefte hebben. De vergeldingsbehoefte zal groter zijn wanneer het slachtoffer weerloos is. Verder zal iemand de dader als zondebok willen zien, waarmee de kans op eigenrichting bestaat. Eigenrichting is het zelf handelen nadat een delict heeft plaatsgevonden. In sommige samenlevingen komt eigenrichting nog wel vaak voor. Ook kan het betekenen dat er agressie of haat bestaat tegen bepaalde bevolkingsgroepen waartoe de dader bijvoorbeeld behoort. Dit kan leiden tot vreemdelingenhaat.
Identificatie met de dader: Iemand die zich met de dader identificeert kan meeleven met de dader (vooral als deze onder erbarmelijke omstandigheden vastzit, levenslang heeft of de doodstraf krijgt) of bewondering hebben voor de dader. Iemand die meeleeft met de dader zal de politie als zondebok zien, wat kan leiden tot rellen of terrorisme. Dit is meestal het geval als mensen de dader zien als het slachtoffer van onrechtvaardige omstandigheden in de maatschappij. De dader wordt dan een symbool van de underdog waarmee mensen, die zich tekort gedaan voelen door de maatschappij, zichzelf identificeren. Deze mensen, soms van dezelfde afkomst als de dader, kunnen samen ook een groep vormen en zich richten tegen overheidsorganen zoals de politie.
Verder kan de persoon die meeleeft met de dader pleiten voor reclasseringshulp of hervorming van het strafrecht. Iemand kan ook bewondering voelen voor de dader. Dit kan ontstaan uit het respect van mensen over hoe de crimineel zijn leven leidt. Criminelen bevredigen hun behoefte zonder na te denken over consequenties en soms kan hun levensstijl mensen aanspreken. Deze heldenverering van criminelen zien we bijvoorbeeld terug in de film ‘The Godfather’. Ons geweten staat ons niet toe om deze criminelen te vereren waardoor we ons schuldig zouden voelen dat we deze gevoelens van respect hebben. Dit leidt er toe dat mensen juist willen dat daders strenger gestraft worden.
Onderliggende maatschappelijke conflicten:
Als er een misdrijf is gepleegd ziet iedereen dit anders. Dit heeft te maken met de situatie waarin iemand zich bevindt. Het kan ook zijn dat er door een misdrijf aandacht komt voor andere onderliggende problemen binnen de samenleving. Een voorbeeld hierbij is de rechtszaak in de Verenigde Staten tegen Lorena Bobbitt. Deze vrouw werd jarenlang door haar man mishandeld en sneed vervolgens met een mes zijn penis eraf. Door deze zaak kwam er meer aandacht voor de onderdrukking van vrouwen door mannen. Lorena Bobbitt werd door veel vrouwen in de V.S. als rolmodel gezien. Er zijn meer voorbeelden van dit soort strafzaken waarbij de dader als rolmodel wordt gezien door bepaalde bevolkingsgroepen.
Omdat deze onderliggende conflicten en emoties vaak een rol spelen bij delicten is het belangrijk dat er recht wordt gesproken door onafhankelijke, professionele rechters. Dit is ook één van de redenen waarom we in Nederland geen jury systeem hebben en waarom rechters, politiechefs en officieren van justitie niet door het volk gekozen worden. Dit systeem van onafhankelijkheid van de rechterlijke macht is in Nederland al in de negentiende eeuw ontstaan.
Misdaadseries:
In misdaadseries en boeken wordt er gebruik gemaakt van de behoefte van het publiek zich met het slachtoffer of met de dader te identificeren. Bij de film van Peter R. de Vries over de Heineken ontvoering identificeert de kijker zich vooral met de dader. Dit wordt onder andere bereikt door weinig aandacht te besteden aan de trauma’s van het slachtoffer, maar ook doordat de nadruk wordt gelegd op de traumatische jeugd van de dader en op de heldenrol van zijn advocaat.
1.2 Wat doet een criminoloog?
Criminologie is de wetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van de aard en achtergronden van menselijke gedragingen die door de wetgever strafbaar zijn gesteld en van de wijze waarop de overheid en de recht van de maatschappij daarop reageert (Actuele criminologie, van Dijk, J., Junger, M., en Sagel-Grande, I., 7e druk, Sdu uitgevers, p. 19-20).
Criminologen leveren objectieve informatie aan rechters, reclasseringsambtenaren, advocaten, officieren van justitie, politiefunctionarissen, slachtofferzorg en andere betrokken organen. Dit kan bijvoorbeeld gaan om redenen voor crimineel gedrag, de plaats van slachtoffers in de maatschappij, hoe straffen een effect kunnen hebben op de dader of over de gevolgen voor het slachtoffer van criminaliteit.
Een criminoloog streeft naar objectiviteit en draagt ook bij aan het maatschappelijk debat over criminaliteit.
Een criminoloog richt zich op de praktijk van de wetenschap van het strafrecht. Hij kijkt naar het gedrag dat volgens de wet strafbaar is gesteld. Criminologie bestaat sinds halverwege de negentiende eeuw en wordt nu sinds een eeuw in Nederland gedoceerd. Vroeger werd het gezien als hulpwetenschap van het strafrecht.
Bij criminologie komen ook tal van andere disciplines kijken, omdat het vakgebied gaat over criminaliteit en de beheersing hiervan. Je kunt criminologie dan ook benaderen vanuit verschillende gezichtspunten, bijvoorbeeld vanuit het sociologische, psychologische, economische of biosociale oogpunt. De criminologie toetst andersom ook andere disciplines op hun theorieën op het gebied van criminaliteit.
Criminologie wordt ook wel misdaadkunde genoemd. Tegenwoordig is het begrip misdaad vaak niet wenselijk omdat dit te zwaar zou zijn voor veel vergrijpen. Deskundigen spreken liever over ´criminelen´ of ´delinquenten´. In de jaren ´80 werd zelfs het woord delinquent te zwaar beschouwd en noemde men daders van misdrijven bij voorkeur ´wetsovertreders´. Het woord crimineel is zwaarder dan delinquent. Tegenwoordig is het weer de trend om zwaardere woorden te gebruiken voor mensen die misdaden plegen. Deze verschuiving naar zwaardere woorden zie je vooral terug bij jeugdcriminaliteit omdat de vergrijpen die de jeugdrechter behandelt erger worden, maar ook door de verharding in de publieke opinie over straf.
Kleine en zware criminaliteit:
Er wordt onderscheid gemaakt tussen kleine criminaliteit en zware criminaliteit. Kleine criminaliteit wordt ook wel veel voorkomende criminaliteit genoemd. Het gaat hier om misdrijven waarvoor de rechter gevangenisstraf vaak een te zware straf vindt, zoals vandalisme, fietsendiefstal of lichte gevallen van agressie of handtastelijkheden.
Verschillen in strafbaar gedrag:
De wetgever bepaalt wat strafbaar is. Wat strafbaar gedrag is kan per tijdsperiode of per land verschillen. De criminoloog moet voorzichtig zijn met het vergelijken van strafbaar gedrag tussen verschillende landen. Als je veroordeelde drugsgebruikers gaat bestuderen zul je in Nederland te maken krijgen met problematische heroïne gebruikers terwijl bijvoorbeeld in Frankrijk het roken van Cannabis strafbaar is. Deze mensen zijn niet met elkaar te vergelijken in een onderzoek.
Strafbaar gedrag door de tijd heen: In de tijd van de Romeinen waren nog niet veel dingen strafbaar gesteld. Voorbeelden van dingen die strafbaar waren zijn godslastering en landverraad. Door de tijd heen werden steeds meer dingen opgenomen in het strafrecht en sommigen werden later weer losgelaten zoals het bordeelverbod, waarvan de regering vond dat de problemen rondom prostitutie beter door bestuurlijke dan door strafrechtelijke middelen konden worden opgelost. Vooral op het gebied van bijvoorbeeld milieu, zijn er sinds de jaren ’50 van de vorige eeuw weer veel wetten toegevoegd zoals de Wet verontreiniging zeewater. Sinds de opkomst van internet zijn er bijvoorbeeld wetten toegevoegd die het hacken van iemand anders computer illegaal maken.
Er zijn ook nieuwe wetten die onder invloed van bijvoorbeeld de Verenigde Naties in vrijwel de gehele wereld strafbaar zijn, zoals het ‘witwassen’ van geld. Het invoeren van strafbepalingen in de wet heet criminalisering. Het schrappen van strafbepalingen heet decriminalisering.
Strafbaar gedrag in verschillende landen: Wat bij de wet strafbaar is verschilt verder ook per land. Het bezit van kleine hoeveelheden drugs is bijvoorbeeld in Nederland niet strafbaar terwijl dit in de meeste andere landen wel strafbaar is en er vaak ook geen onderscheid wordt gemaakt tussen softdrugs en harddrugs bij de wet.
De kritische houding van de criminoloog:
Criminologen moeten niet klakkeloos informatie overnemen van bijvoorbeeld politie of justitie. Verschillende groepen hebben verschillende prioriteiten en deze zijn altijd tijds- en plaatsgebonden. Politiestatistieken worden bijvoorbeeld voor een groot deel bepaalt door de opsporingsprioriteiten. De criminoloog moet kritisch kijken naar de informatie die hij ontvangt. Één van de belangrijkste taken van de criminoloog is het bestuderen van criminalisering en decriminalisering. De tak van de radicale of kritische criminologie houdt zich met dit onderzoek bezig. De vraag wat heeft meegespeeld bij de strafbaarstelling van bepaalde feiten is ook belangrijk op dit gebied.
Criminele gedragingen moeten steeds opnieuw worden bestudeerd in de maatschappelijke context.
1.3 Criminologie als sociale wetenschap:
Studieobject van de criminologie: Criminologie gaat over menselijke gedragingen en is daarom een gedragswetenschap of sociale wetenschap, net als bijvoorbeeld psychologie. Criminologie richt zich op strafbare gedragingen van mensen.
Wetenschappelijk kant van criminologie: De wetenschappelijke kant van de criminologie kent dezelfde wetenschappelijke doelen als andere gedragswetenschappen. Dit zijn: beschrijven, verklaren en voorspellen. Als je onderzoek doet moet je eerst een theorie hebben en vervolgens een hypothese opstellen die je in je onderzoek toetst.
Beschrijving: Beschrijving van crimineel gedrag door middel van observatie of observatie van anderen volgens een van te voren vastgesteld systeem. Door de criminoloog worden alleen waarnemingen erkend die door anderen herhaald kunnen worden.
Verklaring: Het geven van een verklaring door middel van gevonden wetmatigheden in het onderzoek, die het gedrag van groepen mensen beschrijven. Een voorbeeld hiervan is de samenhang tussen werkeloosheid en het lynchen van zwarte Amerikanen in Amerika. Cesare Lombroso publiceerde in 1876 zijn theorie van de ‘geboren misdadiger’. Hij was van mening dat iemand die crimineel gedrag vertoonde leek op een soort primitieve halfapen die onder een achteruitgang in de evolutie leed. De crimineel zou bepaalde uiterlijke kenmerken hebben, zoals diepliggende ogen en een smal voorhoofd. Kritiek op Lombroso is dat hij werkte zonder duidelijke hypothese. Toch wordt hij gezien als één van de vaders van de criminologie, omdat hij als een van de eerste gebruik maakte van een onderzoeksmethode.
Voorspelling: Bij sociale wetenschappen proberen we menselijk gedrag te voorspellen. We willen bijvoorbeeld weten welke tekens bij kinderen criminaliteit op latere leeftijd voorspellen. Ook willen we weten wat het effect van gevangenisstraf is op mensen. Een goede voorspelling is belangrijk omdat we dan kunnen kijken hoe je kunt voorkomen dat criminaliteit of problemen bij slachtoffers ontstaan.
1.4 Vijf domeinen binnen de criminologie:
Criminele epidemiologie: Dit wordt ook beschrijvende criminologie of criminografie genoemd. Het gaat hier om de studie naar hoe criminaliteit er op een bepaalde tijd en bepaalde plek uitziet. Voorbeelden hiervan zijn hoeveel criminaliteit er is en of dit toeneemt of afneemt, welke beelden de bevolking heeft over criminaliteit en of de rechtsgelijkheid in de uitoefening van het recht wordt vervuld.
De leer van oorzaken van crimineel gedrag: Dit wordt ook wel etiologie genoemd. Het traditionele strafrecht gaat ervan uit dat mensen beschikken over een vrije wil om iets wel of niet te doen. Straffen dienen om mogelijke plegers van een delict af te schrikken zodat ze het delict niet plegen.
Criminologen hebben een ‘positivistische’ of ‘positieve’ visie in dit opzicht. Ze zijn tegen het idee dat daders compleet uit vrije wil een delict plegen en zoeken naar factoren die hier bepalend voor zijn.
Hierbinnen zijn twee stromingen te onderscheiden in de criminologie: de psychologische criminologie en de sociologische criminologie. Bij de psychologische criminologie probeert men onderscheid te maken waarom de ene persoon wel bepaald gedrag vertoont en de ander niet. Bij sociologische criminologie onderzoek je waarom de criminaliteit in het ene land hoger is dan in een ander land (theorie over ‘crime’, kijkt naar het niveau van crimineel gedrag).
Er zijn twee stromingen over de oorzaken van crimineel gedrag. Volgens de ene stroming is crimineel gedrag aangeboren, volgens de andere stroming komt crimineel gedrag voort uit armoede en de daarbij horende problemen in de maatschappij.
Respons op criminaliteit: Als een delict gepleegd is, zijn er informele en formele reacties op de criminaliteit. Informele reacties zijn de reacties van slachtoffers en omstanders; formele reacties zijn afkomstig van het politiële en justitiële apparaat. Het onderzoek naar de effectiviteit van formele straffen wordt penologie genoemd. Bij dit gebied staat ook de vraag of het politionele en justitiële apparaat goed functioneert centraal.
Het voorkomen van criminaliteit: Straffen zijn vaak geen effectief middel om criminaliteit tegen te gaan, veel plegers van strafbare feiten vervallen na hun straf weer in hun oude gewoontes. Er wordt tegenwoordig veel onderzoek gedaan naar het voorkomen van criminaliteit. Hierbij wordt aandacht besteed aan mogelijke daders door middel van bijvoorbeeld hulpverlening of pedagogische hulp. Ook het veiliger maken van bepaalde buurten door middel van straatverlichting of camera’s of stadswachten kan helpen criminaliteit te voorkomen.
Slachtofferkunde: De criminologie is zich steeds meer op onderzoek naar de positie van het slachtoffer gaan richten. Dit wordt ook wel victimologie genoemd. Centraal hierin staan onder andere rechten van het slachtoffer, schadevergoedingen en spreekrecht.
Hoofdstuk 2 beschrijvende criminaliteitswetenschap:
Inleiding
Mensen hebben hier (wat is hier?) vaak ideeën over die niet voortkomen uit de resultaten van onderzoek maar uit aannames.
De criminologie kijkt naar hoe het echt zit met de omvang, ontwikkeling en de aard van criminaliteit. Ze doen dit op een zo objectief mogelijke manier. Dit onderzoek kan de basis vormen voor het beleid van overheidsorganen. Tegenwoordig ligt de aandacht in de politiek op geweldsdelicten en op criminaliteit onder verschillende etnische minderheidsgroepen. De criminologie kijkt of dit terecht is, of dat er sprake is van selectieve opsporing. Aan de ene kant moet de criminoloog bestaande problemen benoemen, maar aan de andere kant moet deze ook overdrijvingen of vooroordelen over criminaliteit ontkrachten.
Statistische gegevens over criminaliteit
Er is veel data beschikbaar over gepleegde feiten bij het CBS, afkomstig van politie (de politiecijfers) en van het strafrechtelijk systeem. Deze statistieken geven geen volledig beeld van criminaliteit omdat niet alle daders veroordeeld worden. Het aantal veroordelingen staat zelfs ver af van het aantal gepleegde misdrijven. Hierdoor kunnen deze statistieken niet gebruikt worden als de norm voor criminaliteit.
Politiecijfers geven wel een vollediger beeld dan cijfers over veroordelingen. In de politiecijfers worden ook zaken geregistreerd waar de dader nooit werd gevonden. Toch zijn deze ook niet volledig omdat bij de politie niet alle criminaliteit bekend is. Ze zijn op de hoogte van misdrijven die aan het licht kwamen tijdens politiecontroles (het haalwerk) en van feiten die de politie op het spoor kwam doordat er aangifte tegen is gedaan (het brengwerk). Als er dus geen aangifte is gedaan of het gepleegde strafbare feit komt niet naar boven bij controles, dan is het niet bekend.
Toch zijn politiecijfers wel nuttig omdat ze de enige beschikbare bron zijn over misdaad en omdat ze dingen zeggen over het werk van de politie. Ook zeggen de cijfers veel over delicten die relatief weinig voorkomen zoals moord.
Aangifte doen
Mensen doen soms geen aangifte omdat zij zich bijvoorbeeld schamen, omdat ze bang zijn voor represailles of om hun goede naam te beschermen in het geval van bijvoorbeeld bedrijven. Mensen hebben vaak ook geen zin om aangifte te doen van kleinere misdrijven omdat het moeite kost en de kans groot is dat de dader toch nooit wordt gepakt. Als deze mensen geld kunnen terugkrijgen van de verzekering bij diefstal zullen ze sneller aangifte doen dan wanneer dit niet het geval is. Aangifte doen is alleen verplicht bij grote misdrijven zoals verkrachting of moord. Sommige dingen waarvan aangifte wordt gedaan (zoals kleine burenruzies) wordt bij de politie opgenomen als voorkennis. Deze informatie komt ook niet in de politiecijfers terecht. Informatie over criminaliteit die niet bij de politie of justitie terecht komt, wordt verborgen criminaliteit genoemd.
Het kan lijken dat criminaliteit groeit als bijvoorbeeld meer mensen aangifte doen of als de politie meer criminaliteit registreert. Tegenwoordig wordt het gestimuleerd dat slachtoffers van fietsendiefstal aangifte doen terwijl dit lange tijd niet de trend was. Dit betekent niet dat het aantal fietsendiefstallen toeneemt. Toen de politie overging tot het automatisch verwerken van aangiftes leek het alsof het aantal delicten groeide. Dit was in de praktijk niet het geval, maar dit kwam omdat het makkelijker werd voor de politie om delicten te registreren waardoor ook kleinere delicten die eerst niet werden geregistreerd nu wel werdengenoteerd werden.
politiestatistieken
nationale ontwikkelingen
Sinds 1948 registreert de politie strafbare feiten. Er wordt onderscheid gemaakt tussen strafrechtelijke zaken, economische delicten en weg- en verkeersdelicten. Je kunt onderscheid maken tussen 1) vermogensdelicten, 2) geweldsdelicten en 3) seksuele delicten. Deze indeling wordt in de criminologie gehandhaafd, maar niet in het strafrecht. Toch wordt deze indeling vaak gebruikt bij politiecijfers. Sommige strafbare feiten zijn gemengde delicten. Berovingen kun je bij geweldsdelicten plaatsen maar ook bij vermogensdelicten.
Het CBS en het wetenschappelijk documentatiecentrum geven elk jaar de belangrijkste statistische gegevens uit over criminaliteit.
Vermogensdelicten komen het meest voor in Nederland. Sinds 1965 vertoonde het aantal vermogensdelicten een stijging terwijl deze de afgelopen 5 jaar weer gedaald zijn. Het aantal seksuele delicten steeg fors in 1999, wat te maken zou kunnen hebben met het feit dat seksueel geweld binnen het huwelijk toen strafbaar werd.
Sommige statistieken zeggen alleen iets over de opsporingsinspanningen van de politie. Zo was het aantal delicten gerelateerd aan softdrugs erg klein. In 2000 verdubbelde het aantal overtredingen van de Opiumwet plotseling, wat niet per se betekent dat er ook meer delicten op dit gebied plaatsvonden.
Volgens de statistieken van de politie is de criminaliteit wel harder geworden. Dit komt door de stijging in het aantal overvallen op winkels.
indexcijfers
Je kunt onderscheid maken tussen frequenties bij delicten (hoe vaak een delict voorkomt in aantal) en indexcijfers van delicten (hoe vaak een delict voorkomt in verhouding met het aantal mensen). Het CBS creëert een criminaliteitsindexcijfer door het aantal delicten dat bekend is, te delen door het aantal inwoners van Nederland. Dit aantal wordt vervolgens vermenigvuldigd met 100.000. Om criminaliteit in een bepaalde tijd of plaats te vergelijken met criminaliteit in een andere tijd of plaats, heb je een indexcijfer nodig. Als de bevolking op de ene plek bijvoorbeeld twee keer zo groot is als op de andere plek, zeggen absolute frequenties van delicten namelijk niets. Indexcijfers kunnen hier wel wat over zeggen. Het CBS kijkt voor deze indexcijfers naar de bevolkingsgroep tussen de 12 en 79 jaar.
Als er opsplitsingen zijn gemaakt tussen verschillende soorten criminaliteit moet je voorzichtig zijn met vergelijkingen tussen verschillende steden. Het kan dat deze steden een verschillend beleid hebben tot welke categorie bepaalde delicten worden gerekend.
buitenlandse politiecijfers
Een oude manier om theorieën over criminaliteit te toetsen is door criminaliteit tussen verschillende landen te vergelijken. Adolphe Quetelet deed dit al in 1831. Zijn conclusie was dat de criminaliteit per land per jaar redelijk constant bleef. Deze constantie wees er in zijn ogen op dat er factoren van buitenaf zijn die de criminaliteit in een land bepalen. Dit bewees volgens hem de theorie dat het bij criminaliteit gaat om een vrije keuze. Quetelet kan je zien als een van de vaders van de sociologische criminologie. Andere criminologen die tot deze vroege stroming behoren zijn E. Durkheim, Lacassagne, Von Mayr en Bonger.
Gegevens op het gebied van criminaliteit van verschillende landen zijn moeilijk met elkaar te vergelijken. Dit heeft onder andere te maken met categorisering van criminaliteit maar ook verschil in begrippen. Verder verschilt de bereidheid van mensen om aangifte te doen per land en ook de bereidheid van de politie van een land om criminaliteit te registeren verschilt. In een land waar ze geen inboedelverzekeringen kennen zul je minder snel aangifte doen van diefstal. Verder zal de politie in sommige landen minder criminaliteit registeren om de indruk te wekken dat de criminaliteitscijfers laag liggen bij het regime.
Deze gegevens worden soms nog wel gebruikt om ontwikkelingen in verschillende landen te vergelijken.
Onderzoek naar onzichtbare misdaad
Het onderzoek naar verborgen criminaliteit is belangrijk voor de beschrijvende criminologie maar ook voor het testen van hypothesen over criminaliteit. Belangrijke vragen die onderzocht worden zijn onder andere hoe groot de verborgen misdaad is en of de onzichtbare misdaad ook een afspiegeling is van de zichtbare misdaad. De zichtbaarheidsgraad van een misdrijf verschilt per misdrijf. Delicten in de publieke sfeer zijn bijvoorbeeld zichtbaarder dan delicten in de privésfeer.
In Nederland is de afgelopen 30 jaar veel onderzoek gedaan naar onzichtbare criminaliteit. Hier was veel subsidie voor uitgetrokken vanuit de overheid.
Een mogelijkheid om meer te weten te komen over onzichtbare criminaliteit is door middel van vragenlijsten. Deze kunnen gebruikt worden om meer te weten te komen over mensen die mogelijk een delict plegen (de self-report studies), of over mogelijke slachtoffers (slachtoffer enquêtes). Je legt de vragenlijst voor aan een aselect gekozen steekproef die de populatie (bijvoorbeeld de mensen in een land) weerspiegelt. Vaak zijn mensen die deze invullen echter geneigd om sociaal wenselijke antwoorden te geven waardoor het beeld dat uit de enquêtes komt niet hoeft te kloppen met de werkelijkheid. Het kan schelen om de mensen die de vragenlijsten invullen te vertellen dat zij volledig anoniem blijven. Ze zijn dan sneller geneigd waarheidsgetrouw te antwoorden. Verder kun je als onderzoeker de mate van betrouwbaarheid van de respondent meten door persoonlijke vragen tussen vragen die makkelijker te beantwoorden zijn inzetten.
Onderzoek naar mensen die een misdaad plegen
In 1969 waren Jongman, Oving en Buikhuizen de eersten die verborgen misdaad onderzochten. Zij deden onderzoek naar delicten die studenten in Groningen tijdens hun scholieren en studententijd hadden gepleegd. Hieruit bleek dat veel studenten weleens een strafbaar feit hadden gepleegd. Dit was in die tijd schokkend maar uit later onderzoek bleek dat dit niet uniek was voor Groningen maar dat dit voor scholieren en studenten in het algemeen gold en dat dit niet zegt dat deze groepen allemaal uitgroeien tot criminelen op latere leeftijd.
Kritiek op methodes van onderzoek: Een steekproef moet goed worden getrokken zodat deze een juiste afspiegeling is van de onderzochte populatie. Zo kan een groep die niet naar school gaat en vooral op straat rondzwerft, moeilijker worden bereikt voor een enquête. Verder vullen de respondenten hun enquête niet altijd juist in. Ook als er volledige anonimiteit wordt beloofd, zullen sommige mensen dingen liever niet vertellen. Ook kan het zijn dat groepen de gepleegde delicten juist overdrijven
Een ander probleem is dat het onderzoek gaat over gebeurtenissen die lang geleden zijn gebeurd. Niet iedereen weet in detail meer hoe dingen in het verleden hebben plaatsgevonden. Verder weet niet iedereen wat er precies wordt verstaan onder een specifiek delict. Ook zijn mensen van allochtone afkomst vaak niet gewend aan dit soort enquêtes. Ze zullen de anonimiteit ervan misschien niet vertrouwen en geen eerlijke antwoorden geven. Dit kan problematisch zijn in steden waar in sommige wijken een derde van de bevolking van buitenlandse afkomst is.
Slachtofferonderzoek
Slachtofferonderzoek maakt een belangrijk deel uit van de studie naar criminaliteit. Enquêtes zijn door de jaren heen veranderd wat het moeilijk maakt trendstudies hierop te baseren. Toch wordt het wel gedaan maar hierin moet je wel voorzichtig zijn.
Uit slachtofferonderzoek via enquêtes in Nederland blijkt dat na een forse stijging, veel voorkomende criminaliteit de afgelopen jaren is gedaald. Geweldsdelicten zijn de afgelopen jaren ook licht gedaald. Verder blijkt dat 70% van de delicten verborgen blijft voor de politie en dus niet in de politiecijfers terecht komt.
Ook in het bedrijfsleven worden sinds 2004 slachtoffer enquêtes gehouden. Er wordt bijvoorbeeld onderzoek gedaan naar winkeldiefstal. Soms worden er ook elementen van zelfreportage aan de slachtofferenquête toegevoegd.
Regionale slachtofferenquêtes: Deze worden gebruikt om te kijken naar de criminaliteit per regio en worden gehouden door 25 regionale politiekorpsen (de politiemonitor). De uitkomsten hiervan kunnen bijvoorbeeld gebruikt worden om bepaalde politiekorpsen te versterken of de prioriteiten van de politie te verplaatsen. Deze regionale slachtofferenquêtes helpen ook bij het bepalen van regionale trends in de criminaliteit. Zo kwam er in 2009 uit slachtofferenquêtes naar voren dat in Noord-Brabant het aantal slachtoffers was gegroeid terwijl in de rest van Nederland dit aantal juist was gedaald. Dit is nuttige informatie omdat er dan gekeken kan worden hoe dit komt en gezocht kan worden naar een mogelijke oplossing. Politiekorpsen kunnen de informatie die uit deze regionale slachtofferenquêtes van 25 politiekorpsen ook gebruiken om hun eigen gegevens te checken.
Argumenten tegen slachtofferenquêtes:
Net als bij self-report studies geldt ook dat de steekproef een afspiegeling moet zijn van de te onderzoeken groep. Enquêtes worden steeds vaker via internet afgenomen. Steeds minder mensen zijn thuis bereikbaar op de telefoon en door de mobiele telefoons zijn de mensen die een vast nummer hebben ook niet meer representatief voor de samenleving.
Het veranderen van de manier waarop de enquêtes worden afgenomen maakt trendstudies lastiger.
Slachtoffers geven niet altijd toe dat ze slachtoffer zijn. Soms kunnen ze verdringen dat ze slachtoffer zijn of het zich niet realiseren.
Het kan ook dat het voor het slachtoffer niet precies duidelijk is waarvan hij slachtoffer is omdat hij de wet niet goed kent. Hierdoor kan het delict verkeerd worden gekwalificeerd.
Fast time telescoping: slachtoffers blijken vaak te denken dat een delict korter geleden heeft plaatsgevonden dan daadwerkelijk het geval is.
Je krijgt geen informatie over criminaliteit waar geen individueel slachtoffer is.
Argumenten voor slachtofferenquêtes:
Slachtofferenquêtes zijn over het algemeen beter te vertrouwen dan self-reporting enquêtes. Men schaamt zich over het algemeen minder om slachtoffer te zijn.
Je kunt de bereidheid van mensen om aangifte te doen onderzoeken.
In tegenstelling tot self-reporting enquêtes loop je bij slachtofferenquêtes niet zo sterk het risico bepaalde bevolkingsgroepen onbewust uit te sluiten.
De enquête geeft informatie over beslissingen van de politie.
Je krijgt informatie over het veiligheidsgevoel van mensen.
Slachtofferstudies en studies naar de daders vullen elkaar aan.
Slachtofferenquêtes in het buitenland: Voor internationale vergelijkingen op het gebied van criminaliteit, zijn slachtofferenquêtes een beter middel dan politiestatistieken of daderenquêtes. Verschillende landen moeten dan wel dezelfde vragenlijsten gebruiken en de steekproef op dezelfde manier uitvoeren.
In 1989 werd er voor het eerst een internationale slachtofferenquête gehouden in 16 verschillende landen. De enquête wordt nog steeds eens in de zoveel tijd gehouden en steeds meer landen doen hier aan mee. In westerse landen wordt de enquête vaker gehouden via internet terwijl deze in ontwikkelingslanden wordt gehouden met persoonlijke interviews. Er wordt wel naar gestreefd om in beide plekken een goede afspiegeling van de populatie te onderzoeken. Hier komen ook problemen bij kijken.
In 2013 zal een nieuwe enquête (EU Safety survey) worden uitgevoerd op Europees niveau. Alle 27 lidstaten zullen hieraan meedoen.
Elk land heeft een eigen criminaliteitsprofiel. In Nederland worden bijvoorbeeld veel fietsen gestolen wat samenhangt met het grote aantal fietsen per hoofd van de bevolking.
Uit internationale slachtofferenquêtes blijkt dat de conclusie dat er meer criminaliteit is in arme landen niet klopt. Wel is er meer criminaliteit in landen waarvan een groot deel van de bevolking in steden woont. Zo is er bijvoorbeeld in Australië veel criminaliteit en is er weinig criminaliteit in Noorwegen, Noord-Ierland, Finland en Zwitserland. Bij Japan klopt de conclusie niet. Dit is een land met grote verstedelijking maar een lage criminaliteit.
De georganiseerde misdaad en andere non-conventionele misdaden
Niet conventionele criminaliteit: Dit zijn de misdaden die niet onder de veelvoorkomende criminaliteit vallen zoals moord, corruptie en georganiseerde misdrijven. Gegevens over georganiseerde criminaliteit zijn moeilijk te verzamelen omdat deze voor een groot deel verborgen criminaliteit zijn.
Uit onderzoek blijkt dat de mate van georganiseerde misdaad in een land vaak samenhangt met de mate van corruptie en het aantal moorden. Verder blijkt dat de mate van non-conventionele criminaliteit niet samenhangt met de mate van veelvoorkomende criminaliteit. Vormen van georganiseerde criminaliteit komen wel vaker voor in ontwikkelingslanden. Hier is wel een verband te vinden tussen welzijn en deze vorm van criminaliteit (wat bij veel voorkomende vermogenscriminaliteit niet het geval was).
De gevolgen van crimineel gedrag voor de samenleving
2.4.1 materiële en immateriële gevolgen voor slachtoffers
Criminaliteit kan materiële en immateriële gevolgen hebben voor slachtoffers. Slachtoffers kunnen individuen zijn maar ook bedrijven. Immateriële schade zijn bijvoorbeeld de psychische gevolgen voor het slachtoffer. Economen hebben ook schattingen gemaakt van de financiële waarde van immateriële zaken zodat de economische gevolgen van criminaliteit in zijn geheel geanalyseerd kunnen worden.
Naast de directe schade van misdrijven lijden slachtoffers ook indirecte schade. Je moet je bijvoorbeeld tegen criminaliteit verzekeren en je neemt voorzorgsmaatregelen door een alarmsysteem aan te schaffen.
Nederland lijdt jaarlijks 30 miljard verlies aan directe en indirecte criminaliteit. Dit bedrag is niet volledig verdwenen want er zijn ook mensen die profiteren van criminaliteit. Dit zijn niet alleen de daders maar ook de politie en criminologen. Toch is er hier een enorm bedrag dat verdwijnt wat ook beter besteed kan worden. Door de analyse van de kosten van criminaliteit, kan er gekeken worden naar mogelijkheden die financieel beter uitpakken. Een mogelijkheid om over na te denken kan zijn dat er meer geld uitgegeven moet worden aan preventie van criminaliteit maar dat er minder geld voor het gevangeniswezen uitgegeven moet worden voor een betere kostenbaten verhouding.
Opvallend is dat uit dit onderzoek ook naar voren komt dat de kosten voor de ondersteuning van de verdachte ongeveer 10 keer zo groot zijn als het bedrag dat besteed wordt aan slachtofferhulp.
In veel (vooral corrupte) landen is de georganiseerde misdaad een belangrijke economische factor. In Nederland wordt vooral veel geld verdiend met de drugshandel.
2.4.2 Meningen en gevoelens over de veiligheid:
Uit slachtofferonderzoek is gebleken dat het persoonlijke gevoel van veiligheid een verband heeft met de echte veiligheid. Dit verband is elastisch wat betekent dat als de veiligheid beter wordt, mensen dit vertraagd waarnemen en zich op termijn ook veiliger gaan voelen.
Het gevoel van persoonlijke veiligheid hangt niet samen met het gevoel van maatschappelijke veiligheid. Hier nemen mensen sneller de opinies over uit bijvoorbeeld de politiek. De beleving van de maatschappelijke veiligheid en de ideeën over veiligheid in de samenleving hangen nauwer samen met politieke of ideologische visies dan met persoonlijk ervaringen.
De media heeft grote invloed op de veiligheidsbeleving van mensen. Mensen die ‘kwaliteitskranten’ lezen voelen zich vaak veiliger dan mensen die sensationele bladen lezen. Over het algemeen voelen mensen in grote steden (waar ook meer delicten plaatsvinden) zich minder veilig dan mensen uit dorpen. Ook mensen uit probleemwijken waar veel delicten plaatsvinden voelen zich minder veilig.
Vrouwen en bejaarden voelen zich vaak minder veilig dan mannen hoewel mannen van veel misdrijven vaker slachtoffer zijn. Dit wordt ook wel de veiligheidsparadox genoemd. Dit betekent dat mensen die niet veel te maken hebben met criminaliteit, vaak wel de grootste zorgen hebben hierover. Toch blijkt dat de meeste verschillen tussen de gevoelens van criminaliteit logisch uit te leggen zijn. Gevoelens van onveiligheid beïnvloeden ook het gedrag van mensen. Zo gaan bejaarden vaak ’s avonds niet alleen over straat of ze doen de deur niet open als er wordt aangebeld.
Bij onveiligheidsgevoelens zijn dus ook andere factoren dan veelvoorkomende criminaliteit belangrijk.
2.4.3 Drie toekomstbeelden
Het integratie scenario: Door de maatregelen die slachtoffers van criminaliteit nemen loopt de criminaliteit terug. Slachtoffers van criminaliteit schaffen bijvoorbeeld een alarmsysteem aan, wat nieuwe criminaliteit helpt voorkomen. Verder wordt door criminaliteit de samenhorigheid in de samenleving versterkt waardoor men beter oplet en als gemeenschap probeert de criminaliteit te voorkomen.
Het desintegratie scenario: Criminaliteit versterkt zichzelf omdat buren elkaar bijvoorbeeld niet meer vertrouwen en de sociale controle nog verder afneemt.
Het politiek-actionistische scenario: Hierbij groeit het aantal voorstanders in de maatschappij voor een actievere aanpak door de overheid.
Bij het politiek-actionistische scenario kan er onderscheid gemaakt worden tussen twee vormen van aanpak:
De gematigde preventieve vorm van aanpak: Meer politie op straat, leerprogramma’s en opvang voor verslaafden.
De repressieve vorm van aanpak: Zwaardere straffen als de doodstraf opnieuw in te voeren.
Beiden aanpakken kunnen leiden tot minder criminaliteit. Echter kan de repressieve vorm op lange termijn soms ook leiden tot een stijging in de criminaliteit door de verharding van de samenleving. Er kan bijvoorbeeld radicalisering ontstaan.
In Nederland zien we de laatste jaren ook de behoefte aan hogere straffen. Er wordt bijvoorbeeld gepleit voor sommige delicten een minimumstraf in te voeren. In 2008 vond een meerderheid van de Nederlanders dat er een strenger vreemdelingenbeleid gevoerd moest worden met betrekking tot de criminaliteit.
Conclusie uit criminaliteitsgegevens
Welke bronnen je het beste kunt bekijken om een goed beeld te krijgen van criminaliteit verschilt per soort delict.
Voor veel delicten is een slachtofferenquête een goede bron terwijl voor zwartrijden of winkeldiefstallen een zelfrapportage juist beter werkt. Voor moorden zijn politiecijfers juist weer de beste bron.
Te concluderen valt verder dat de criminaliteit in West-Europa de afgelopen 10 jaar fors is gedaald. De daling in vermogensdelicten is sterker dan in geweldsdelicten. Deze blijven grotendeels hetzelfde of dalen licht. Ook voelen mensen zich over het algemeen veiliger dan 10 jaar geleden.
Op internationaal gebied zijn landen meer samen gaan werken om criminaliteit en georganiseerde misdaad te bestrijden. Vooral terroristische aanslagen zoals in Amerika in 2001 hebben deze samenwerking aangespoord. In de EU wordt veel aandacht besteed aan criminaliteit die over verschillende landsgrenzen heen gaat.
Hoofdstuk 3 Informatie over de werkwijze van justitie en politie
3.1 Inleiding
Bij het geven van straffen kijkt justitie naar individuele zaken. Geen enkel misdrijf is hetzelfde omdat de omstandigheden waaronder een strafbaar feit wordt gepleegd per persoon verschillen. Deze benadering is casuïstisch, er wordt gekeken naar individuele casussen of zaken.
Sinds de jaren ’70 van de vorige eeuw is de overheid aandacht gaan besteden aan strafrechtspleging als onderdeel van het overheidsbeleid ter vergroting van de veiligheid. Er wordt hierbij niet gekeken naar individuele gevallen, maar misdrijven worden beoordeeld op categorie. Er wordt per categorie gekeken naar welke straf er gemiddeld voor een type misdrijf wordt gegeven.
Sinds 2010 zijn het Ministerie van Justitie en het Ministerie van Binnenlandse zaken gaan samenwerken als Ministerie van Veiligheid en Justitie. Het doel van deze samenwerking is om de effectiviteit van het optreden van politie en justitie te verbeteren.
Er zijn 3 invalshoeken binnen de beleidsmatige benadering:
De economische benadering waarbij de effectiviteit van de uitgave van overheidsgelden centraal staat.
De beleidsmatig-juridische benadering, hierbij staat het toezicht houden op strafrechtelijke functionarissen centraal. Een belangrijke vraag is bijvoorbeeld of bij het straffen de beginselen van rechtsgelijkheid en rechtszekerheid genoeg worden nageleefd. De strafrechter mag bijvoorbeeld de ene persoon niet anders behandelen dan een ander.
De instrumentele of maatschappelijke benadering, dit richt zich op het vergroten van de veiligheid door middel van strafrechtspleging.
De strafrechtelijke keten
De strafrechtpleging is in handen van de strafrechtelijke keten of het strafrechtelijk systeem. Deze instanties controleren elkaar op hun beurt ook, maar genieten een zekere mate van autonomie. Zo wordt de politie gecontroleerd door de officier van justitie, maar ook door de burgemeester en zijn rechters in principe onafhankelijk. De belangrijkste instanties die tot dit systeem behoren zijn:
Organisaties met opsporingsbevoegdheid zoals de politie.
De rechters en de griffie
De reclassering
Het Openbaar Ministerie
Het gevangeniswezen
Gegevens over het beleid
De hoeveelheid en kwaliteit van de informatie die beschikbaar is over de onderdelen van de strafrechtelijke keten groeit ieder jaar. Deze informatie wordt beheerd door het Openbaar Ministerie in Den-Haag en door het Parket Generaal. Jaarlijks wordt er informatie over het strafrechtelijk systeem gepubliceerd door het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Dit zijn de rapporten Criminaliteit en Rechtshandhaving.
Doordat deze informatie makkelijker beschikbaar is, is het ook makkelijker om toezicht te houden op de strafrechtelijke keten.
3.2 Het politionele apparaat
Het vermogen van de politie
Om het aantal politiemensen in Europese landen met elkaar te vergelijken moet je voorzichtig zijn. Per land kan de definitie van politiepersoneel verschillen. In Nederland zijn in verhouding met de rest van Europa weinig politiemensen. Mogelijk komt dit door het grote aantal beveiligers dat in het bedrijfsleven en bij de overheid werkzaam is.
De verhouding tussen beveiligers en politiemensen is in Nederland ongeveer hetzelfde. In Amerika en in Midden- en Oost-Europa, zijn er meer particuliere beveiligers actief dan politieagenten. De toename van beveiligers is vaak het gevolg van een toenemende criminaliteit.
Het kan onwenselijk zijn om veel beveiligers in de private sector te hebben. De politie is dan niet meer de enige met een geweldsmonopolie. Dit speelt vooral een rol in landen waar de beveiligers wapens hebben.
In Nederland moet je een opleiding doen om beveiliger te worden, zodat je hiervoor gekwalificeerd bent en je aan de regels houdt die volgens de wet voor beveiligers zijn opgesteld.
Het oplossingspercentage
Het oplossingspercentage (of ophelderingspercentage) omvat het percentage bekend geworden misdrijven waarbij de dader is getraceerd. Dit percentage is in Nederland groter voor geweldmisdrijven (59% in 2007) dan voor vermogensmisdrijven (10% in 2007).
Deze percentages kunnen per land worden vergeleken maar ook een aantal externe factoren spelen hierbij een rol. Voorbeelden hiervan zijn de aangiftebereidheid van een slachtoffer en de beslissingsvrijheid van het Openbaar Ministerie. Ook speelt het een rol wat er gedefinieerd wordt als opheldering en hoe dit genoteerd wordt. Dit kan ook per land verschillen.
Nederland doet het qua ophelderingspercentage niet bijzonder goed vergeleken met andere Europese landen.
Verschillen per regio
De oplossingsgraad verschilt per regio. Dit kan deels komen door de inspanningen die met sommige delicten gepaard gaan. Het kost meer moeite om een moord op te lossen dan een winkeldiefstal waarbij de dief door de beveiliger is gesnapt. Om toch een vergelijking per regio te kunnen maken hebben Wiebrens, Kruissink en Terlouw in 1992 een prestatie-indicator ontwikkeld.
Om het functioneren van de politie te kunnen beoordelen moet gekeken worden naar de zachte output (bijvoorbeeld door consumentenonderzoek) en naar harde output (hoeveel misdrijven er worden opgelost).
Om te kijken naar hoeveel misdrijven er worden opgelost moet naar het aantal misdrijven van de veiligheidsmonitor gekeken worden en niet alleen naar het aantal misdrijven dat ter kennis is gekomen van de politie.
Het Openbaar Ministerie
Het aantal zaken dat door het OM naar voren is gebracht en is geseponeerd is sinds 1985 fors gedaald.
Sinds februari 2008 mag het Openbaar Ministerie volgens de Wet OM-afdoening zelf een groot aantal zaken afhandelen buiten de rechter om.
Een doelstelling voor het OM betreft nu het sneller afhandelen van strafzaken. Dit bleek tot nu toe lastig te realiseren. De snelheid van de afhandeling van zaken hangt ook af van de ernst van de gepleegde feiten.
3.4 Selectie in het strafrechtelijk systeem
Niet iedereen die een misdaad pleegt wordt vervolgd. Waarom worden sommige mensen wel gepakt en andere niet? Zijn er factoren die hierin meespelen? Selectiviteit wil zeggen dat een selectie niet toevallig is ontstaan, maar dat hier niet-toevallige factoren een rol spelen.
Factoren die bij selectiviteit een rol spelen zijn:
Het onvermogen van justitie en politie om alle zaken op te lossen. Door de zware werkdruk van politie kan het zijn dat er bij sommige misdrijven niet of nauwelijks opsporingsactiviteiten plaatsvinden. Dit leidt tot rechtsongelijkheid omdat groepen die deze misdaden plegen minder risico lopen om gepakt te worden. Zaken die te lang duren kunnen ook geseponeerd worden en soms vallen straffen lager uit ter compensatie voor het langlopende proces. Ook celgebrek kan rechtsongelijkheid veroorzaken.
Verschil in opsporing, vervolging en berechting in verschillende regio’s. In sommige regio’s worden bepaalde zaken door de politie afgedaan terwijl men in een andere regio wel een gevangenisstraf krijgt voor soortgelijke feiten. Dit veroorzaakt willekeur omdat de mate van de straf die men krijgt sterk afhankelijk is van de regio waarin men het feit pleegt.
Persoonsgerichte selectiviteit. Dit is het anders beoordelen van zaken vanwege bepaalde groepskenmerken van de dader. Voorbeelden hiervan zijn klassenjustitie en discriminatie.
3.4.1 De selectie voor vervolging
In het strafrechtelijk systeem vindt een voortdurende selectie plaats. Van de oorspronkelijke groep wetsovertreders wordt maar een klein deel uiteindelijk vervolgd. Veel mensen worden überhaupt niet vervolgd. Veel jongeren krijgen een HALT-straf. Verder krijgt een gedeelte van de wetsovertreders een boete of een taakstraf. Een deel van de mensen die overblijven wordt vervolgens vrijgesproken door de rechter.
De afschrikwekkende werking van het strafrecht wordt door het lage aantal veroordelingen verzwakt. Bij zwaardere delicten is de pakkans hoger dan bij lichtere delicten.
Door de lage pakkans bij criminaliteit, worden ook andere methodes gebruikt om criminaliteit tegen te gaan.
3.4.2 Verschillen in het beleid per regio
Verschillende ophelderingspercentages
Ophelderingspercentages kunnen flink per regio verschillen. Hierdoor zijn de gegevens van verschillende regio’s net als bij de gegevens van verschillende landen, moeilijk met elkaar te vergelijken. Verschillen kunnen ontstaan door de manier van registreren. Verder heeft de hoeveelheid misdrijven effect op het ophelderingspercentage. Hoe meer misdrijven er bij het politiekorps binnen komen, hoe kleiner in verhouding het ophelderingspercentage doordat de werkdruk zwaarder wordt.
Verschillen in straf- en sepotbeleid
Er bestaan verschillen in regio’s met betrekking tot het aantal en het soort zaken dat door het OM wordt afgedaan. Ook verschilt de soort straf die wordt gegeven regelmatig per arrondissement. In bepaalde gebieden wordt sneller een gevangenisstraf gegeven en vaak verschilt de duur van de gevangenisstraf ook systematisch per arrondissement. Ook hier kan de werklast mogelijk een verklaring zijn voor dit verschil. Volgens Fiselier blijven de verschillen grotendeels onverklaard en blijkt er sprake te zijn van verschillende straf aanmeting per arrondissement.
Selectiviteit van personen
De politie in Nederland beschikt over een grote mate van vrijheid. De mogelijkheid tot politiesepot bestaat en er zijn meer manieren waarop de politie een gepleegd feit zelfstandig kan afhandelen. Het geven van een standje of het oplossen van het geschil tussen de dader en slachtoffer kunnen hierbij een rol spelen.
Opsporing naar daders gebeurt met een zekere selectie. Bij alcoholcontroles zal de politie vooral controleren in de buurt van uitgaansgelegenheden en zullen zij voornamelijk mensen aanhouden waarvan zij denken dat deze mogelijk te veel gedronken hebben. De selectiviteit van de politie bij het opsporen van verdachten moet wel redelijk zijn, hij mag niet zomaar in een woonwagenkamp of in een probleembuurt gaan zoeken naar een dader zonder dat er enige aanleiding tot verdachtmaking bestaat. Als er een roof is gepleegd met een thermische lans waarmee een kluis is opengebroken, is dit een uitzonderlijk kenmerk en mag wel gekeken worden naar de kleinere groep mogelijke verdachten.
Als het gaat om een grote zaak waar veel ophef over is geweest, vindt er altijd een vervolging plaats. Er bestaan richtlijnen over waar de prioriteiten van de politie moeten liggen bij hun opsporingsbeleid. Dit hangt samen met de ernst van de delicten. Het Openbaar Ministerie, de politie en het publiek verschillen vaak van mening op het gebied van de ernst van bepaalde misdrijven. Het opsporingsbeleid kan gecontroleerd worden door de jaarverslagen van de politie in te zien. Het kan voorkomen dat bij de opsporing door de politie, discriminatoire elementen een rol spelen en dat de politie zich bijvoorbeeld richt op personen uit een
bepaald milieu of op personen met een bepaalde etniciteit of sekse. In praktijk gebeurd dit niet vaak maar het kan wel gebeuren dat de politie kijkt naar personen uit een bepaald milieu als eerdere daders uit dat milieu al bij de politie bekend zijn.
Feit is ook dat de politie gebrek heeft aan experts op financieel gebied die ingewikkeldere fraudezaken die zich in hogere milieus afspelen.
In Nederland zijn meer mannelijke dan vrouwelijke daders. Hetzelfde geldt ook voor veel andere landen. Dit kan komen omdat mannen meer misdaden plegen, maar ook omdat de politie tegen vrouwen minder streng optreedt. Sinds 1980 is het aantal verdachte mannen wel gedaald ten opzichte van het aantal verdachte vrouwen met 1 op de 10 van de verdachten die vrouwen waren in 1980 en 1 op de 7 verdachte n die vrouwen waren in 2007.
Hetzelfde geldt voor het aantal verdachten van allochtone afkomst. 2 op de 3 verdachten is allochtoon. Dit kan betekenen dat allochtonen meer strafbare feiten plegen, maar ook dat de politie selectief optreedt tegen allochtonen.
Het Openbaar Ministerie en selectie
Het Openbaar Ministerie speelt een belangrijke rol in het wel of niet overgaan tot vervolging van een verdachte. Elementen die hierbij een rol spelen zijn:
Kenmerken van slachtoffers (geslacht, leeftijd, particulier of niet, de relatie met de dader).
Kenmerken van het delict (soort misdrijf, ernst van het misdrijf en de omstandigheden).
Invloed van de politiek.
Kenmerken van de verdachte (mogelijk verleden met justitie, sociale status, persoonlijke omstandigheden, leeftijd en geslacht).
Kenmerken van justitie (de verwerkingscapaciteit, capaciteit in de gevangenis of druk vanuit de politie).
Als er niet tot vervolging wordt overgegaan bestaat voor het slachtoffer de mogelijkheid hier een klacht tegen in te dienen. Als deze klacht gegrond is, kan het dat de zaak alsnog moet voorkomen.
De rechter en selectie gericht op personen
Straffen pakken vaak verschillend uit. Vrouwen krijgen bijvoorbeeld minder vaak vrijheidsbeperkende straffen en worden minder vaak in voorlopige hechtenis gehouden dan mannen. Personen uit lagere milieus blijken vaak harder gestraft te worden voor diefstal dan personen uit hogere milieus. Aan scholieren wordt minder snel een vrijheidsbeperkende straf opgelegd in verband met het niet onderbreken van hun opleiding.
Conclusie
Volgens Timmerman, Jongman en Bosma worden mensen zwaarder gestraft als zij in de maatschappij kwetsbaar zijn.
Volgens Buikhuizen krijgen scholieren minder snel een vrijheidsstraf en hetzelfde geldt voor mensen met een baan ten opzichte van mensen zonder baan. Moeders krijgen ook minder snel lange straffen dan mensen zonder kinderen en bejaarden krijgen vaker langere straffen dan jongeren.
Dit is een vorm van rechtsongelijkheid, hoewel deze wel deels verklaard kan worden doordat de rechter rekening moet houden met individuele gevallen. De rechter moet wel waakzaam zijn dat gevallen niet te veel van elkaar verschillen. Je kunt onderscheid maken tussen verwijtbare rechtsongelijkheid en niet-verwijtbare rechtsongelijkheid.
De laatste jaren zijn rechters vooral in opspraak door slechte beslissingen die ze nemen zoals bij de Schiedammer parkmoord en in de zaak tegen Lucia de B. die ten onrechte werd veroordeeld voor moord. In Nederland is vergeleken met andere Europese landen wel veel vertrouwen in de rechtspraak onder de bevolking.
Computersysteem voor het Openbaar Ministerie
Omdat het belangrijk is dat uitspraken bij soortgelijke zaken niet te veel van elkaar verschillen is het wenselijk om een algemene minimumstraf of maximumstraf te hebben bij soortgelijke delicten. In Nederland is een systeem ontwikkeld, waarbij een computer een strafadvies berekent. Bij dit computer systeem worden 35 algemene misdrijven onderscheiden die worden gespecificeerd door deelvragen waaraan punten worden toegekend. Dit systeem moet lijden tot grotere rechtsgelijkheid. Het moet discriminaire selectie en regionale verschillen in uitspraken tegengaan.
Een argument tegen dit systeem is dat strafbepaling hierdoor routinematig kan worden.
Hoofdstuk 4 Het psychologisch perspectief van de dader
In het onderzoek naar het psychologisch perspectief van de dader in de criminologie staan 4 subdisciplines binnen de psychologie centraal. Dit zijn persoonlijkheidspsychologie, leerpsychologie, ontwikkelingspsychologie en sociale psychologie.
Criminologie richt zich in tegenstelling tot andere gedragswetenschappen op een bepaald soort gedrag, namelijk de gedragingen die strafbaar zijn gesteld door de wet. Criminologie krijgt als wetenschap veel te maken met andere wetenschappen die zich weliswaar richten op gedrag, maar niet zozeer op strafbaar gedrag. Als we kijken naar het psychologisch perspectief van de dader krijgen we te maken met gedragsverschijnselen die door psychologen zijn geformuleerd, zoals fysieke agressie, verbale agressie of antisociaal gedrag. Psychiatrische diagnoses worden omschreven in het DSM (Diagnostic and statistical manual of mental disorders). Dit is een Amerikaans handboek wat veel psychiaters ter wereld (ook in Nederland) gebruiken.
4.1 Vormen van gedrag en de psychologie
4.1.1 Stoornis antisociaal gedrag
Bij de antisociale persoonlijkheidsstoornis (ASP) staat antisociaal gedrag centraal. Deze stoornis is langdurig en kan gediagnosticeerd worden als er sprake is van 3 gedragingen uit de onderstaande lijst:
De persoon heeft geen spijt van zijn daden en het laat hem koud als hij anderen verwond, mishandelt of iets van hen steelt.
De persoon houdt zich niet aan de wet en past zijn sociale normen niet aan, aan wettige gedragingen.
De persoon is agressief en snel geïrriteerd. Dit uit zich regelmatig in fysiek geweld.
De persoon maakt geen plannen voor de toekomst en is impulsief.
De persoon kan niet functioneren op werk of financiële verplichtingen nakomen omdat hij of zij onverantwoordelijk is.
De persoon besteed geen aandacht aan zijn eigen veiligheid of veiligheid van anderen.
De persoon liegt vaak. Hij of zij kan valse namen gebruiken, mensen oplichten voor zijn eigen voordeel of plezier.
Verder moet de persoon, om last te hebben van een antisociale persoonlijkheidsstoornis, meerderjarig zijn. De stoornis moet zich voor het zestiende levensjaar hebben ontwikkeld en het mag geen onderdeel zijn van manisch gedrag of van schizofrenie.
4.1.2 Antisociale gedragingen
Een persoon die antisociaal gedrag vertoond hoeft niet gelijk een antisociale stoornis te hebben. Iemand vertoond antisociaal gedrag als hij of zij minstens 3 van de volgende 15 gedragingen vertoont:
Het mishandelen van mensen
Veel liegen
Inbreken
Het mishandelen van dieren
Iemand dwingen tot seks
Het intimideren, pesten of bedreigen van anderen
Het initiatief nemen bij vechtpartijen
Een slachtoffer bestelen waar je direct contact mee hebt
Een slachtoffer bestelen waar je geen direct contact mee hebt
De persoon heeft een wapen gebruikt waarmee hij of zij anderen ernstig kan verwonden
Het opzettelijk kapot maken van bezittingen van anderen
Heeft opzettelijk brand gesticht
Regelmatig spijbelen
’s Nachts niet thuis komen ondanks dat de ouders dit verbieden
Is minstens 2 keer van huis weggelopen en ’s nachts weggebleven
4.1.3 Internaliserende en externaliserende gedragingen
Internaliserende gedragingen zijn onder andere depressie, angst, teruggetrokken zijn en lichamelijke klachten. Voorbeelden van externaliserende problemen zijn agressiviteit en het vertonen van grensoverschrijdend gedrag.
Bij kinderen wordt door middel van een vragenlijst aan de ouders het gedrag van het kind beoordeeld. Deze vragenlijst is de CBCL (Child Behavior checklist). Ook krijgen adolescenten zelf een vragenlijst om in te vullen.
4.1.4 Agressief gedrag
Er zijn twee verschillende soorten agressie dimensies te onderscheiden:
De destructive-nondestructive dimensie: sommige gedragingen zijn destructief zoals vandalisme. Andere gedragingen, zoals spijbelen, zijn non-destructief.
De Overt-covertdimensie: Overt gedrag is agressief gedrag, covert gedrag zijn dingen als brandstichting, spijbelen en stelen.
Proactieve agressie: Deze vorm van agressie is doelgericht
Reactieve agressie: Deze vorm van agressie ontstaat als een reactie op een frustratie.
Naast het onderscheid tussen proactieve agressie en reactieve agressie valt er ook onderscheid te maken tussen fysieke agressie en verbale agressie. Fysieke agressie (zoals knijpen en bijten) is in de eerste levensjaren groter maar neemt vanaf het vierde levensjaar in principe af. Indirecte agressie neemt op latere leeftijd vaak juist toe.
4.1.5 De relaties tussen agressie, crimineel gedrag en antisociaal gedrag
Mensen die op jonge leeftijd agressief gedrag vertonen, vertonen dit gedrag vaak ook op latere leeftijd. Agressief gedrag en antisociaal gedrag kennen een redelijke stabiele tendens door de jaren heen bij mensen. Agressief gedrag betekent echter niet dat deze mensen ook daadwerkelijk geweld plegen. Het plegen van geweldsdelicten hangt ook samen met de gelegenheid om dit te doen. Alcohol kan er bijvoorbeeld toe lijden dat mensen die agressief zijn aangelegd ook een geweldsmisdrijf plegen.
4.2 Erfelijke factoren
4.2.1 Is antisociaal gedrag erfelijk?
Er werd al in de oudheid onderzoek gedaan naar de erfelijkheid van antisociaal gedrag. De onderzoeken van Lombroso aan het einde van de 19e eeuw en van Sheldon, in de tweede helft van de 20e eeuw bleken niet erg succesvol.
Een verklaring waarom criminelen groter of gespierder zijn dan de gemiddelde mensen, kan te maken hebben met de gelegenheid die sterkte creëert om anderen te overheersen.
Erfelijkheid blijkt deels een belangrijk aspect bij te dragen aan de ontwikkeling van de persoonlijkheid van mensen en kan ook bijdragen aan het ontstaan van bepaalde gedragingen.
Naast erfelijke factoren, spelen ook omgevingsfactoren een belangrijke rol in het al dan niet ontstaan van antisociaal gedrag. Dit begint al voor de geboorte. Als de moeder bijvoorbeeld rookt of drinkt is de kans dat het kind antisociaal gedrag gaat vertonen groter. Een kind dat opgroeit in een criminele familie zal zich sneller crimineel gedragen dan een kind wat dat niet doet.
In de studie naar erfelijke en omgevingsfactoren wordt gebruik gemaakt van tweelingonderzoeken en adoptiestudies. Je kunt de genetische invloed op antisociaal gedrag namelijk beter onderzoeken als de omgevingsfactor uit de weg is.
Studies naar adoptie
Met behulp van onderzoek naar kinderen die sinds jonge leeftijd bij hun ouders weg zijn, wordt ook onderzoek gedaan naar mogelijke erfelijkheid van gedrag doordat de kinderen van de omgevingsfactoren zijn gescheiden die hier mogelijk invloed op zouden hebben. Uit onderzoek van Rhee en Waldman is gebleken dat erfelijkheid voor ongeveer 41% een rol speelt bij het al dan niet vertonen van agressief gedrag. Voor gemeenschappelijke omgevingsfactoren was dit 16% en voor unieke omgevingsfactoren 43%.
Onderzoek naar tweelingen
Bij het onderzoek naar tweelingen wordt gekeken naar eeneiige tweelingen (monozygotische tweelingen) en twee-eiige tweelingen (dizygotische tweelingen). Bij eeneiige tweelingen is het genetisch materiaal nagenoeg hetzelfde dus kunnen verschillen in gedragingen worden toegeschreven aan omgevingsfactoren. Twee-eiige tweelingen hebben wel genetisch verschillend materiaal en ook verschillende omgevingsfactoren. Als je dus kijkt naar de verschillen in omgevingsfactoren bij de monozygotische tweelingen, dan kun je een voorspelling maken voor de gedragingen bij de twee-eiige tweeling die door omgevingsfactoren worden veroorzaakt.
Heritability: erfelijke bepaaldheid die wordt aangeduid met h².
Genetische en moleculair onderzoek: Er wordt ook onderzoek gedaan naar het effect van specifieke genen op antisociaal gedrag.
4.2.2 Overige erfelijke factoren
Antisociaal gedrag hangt ook samen met hormonale (testosteron), neurologische en fysiologische (bijvoorbeeld lage hartslag in rusttoestand) kenmerken. Verder spelen complicaties bij de geboorte en de fase voor de geboorte een rol. Ook andere psychische aandoeningen (zoals ADHD of depressie) kunnen bijdragen aan antisociaal gedrag.
4.2.3 Epigenetica
Onderzoek heeft aangetoond dat genen door de invloed van de omgeving aan of uit gezet kunnen worden. Dit geldt voor ziektes, maar ook voor antisociaal gedrag. Hoewel genetisch materiaal dus invloed heeft op ons gedrag, kan de omgeving een rol spelen in of dit gedrag wel of niet tot uiting komt. Dit heeft vooral effect op jonge leeftijd omdat kinderen dan nog door omgevingsfactoren kunnen veranderen. Op oudere leeftijd neemt dit effect af.
4.2.4 vatbaarheid voor agressie
Volgens Lorenz is de mens vanaf nature agressief, maar kunnen we daarom wel een vreedzame samenleving opbouwen. Frank de Waal zegt dat mensen, hoewel van nature agressief, een sterkere neiging hebben tot verzoeningsgedrag.
4.3 antisociale gedragingen en persoonlijkheid
Vroeger werd er onderscheid gemaakt tussen een aantal verschillende type mensen. Iedereen viel in één van die categorieën in te delen. Nu wordt er gepleit voor een dimensionaal model, waarbij iemand niet slechts tot één categorie behoort, maar juist trekken heeft in meer of mindere mate uit elke categorie. Waar men op deze dimensionale schaal zit heeft te maken met erfelijkheid en ervaringen in de vroege jeugd.
Deze gedragstypen moeten stabiel zijn en gedragingen kunnen voorspellen zodat de gedragstypen nuttig zijn voor onderzoek op dit gebied.
Persoonlijkheidskenmerken zijn redelijk stabiel. Iemand die in een situatie liegt zal dit ook in een soortgelijke situatie doen. Dit heet crosssituationele stabiliteit.
De persoonlijkheid speelt ook een belangrijke rol in of mensen in bepaalde situaties belanden.
Mensen die criminele gedragingen vertonen zijn op psychisch gebied niet per definitie anders dan mensen die dit niet doen.
De relatie tussen antisociaal gedrag en persoonlijkheid is sterker dan de relatie tussen persoonlijkheid en een geregistreerd politiecontact omdat deze relaties via andere factoren verlopen.
Het onderzoeken van de persoonlijkheid
Om de persoonlijkheid van mensen te bepalen wordt meestal gebruik gemaakt van vragenlijsten. De resultaten zijn niet altijd betrouwbaar omdat iemand zich anders wil voordoen, maar ook omdat ze afhankelijk zijn van de bui van iemand. De antwoorden die gegeven zijn worden vergeleken met het werkelijke gedrag dat de persoon voor of na de test vertoont.
Naast vragenlijsten wordt er soms ook getest met verschillende situaties of worden familie en/ of vrienden ondervraagd.
4.3.1 Het PEN model van Eysenck
Eysenck pleit ervoor dat erfelijke factoren in combinatie met de omgeving kunnen resulteren in crimineel gedrag. Het gaat hier om een wisselwerking tussen persoon en omgeving. Verder zegt Eysenck dat de gevoeligheid van het zenuwstelsel invloed heeft op het al dan niet in staat zijn om sociale regels en gedragingen aan te leren. Deze gevoeligheid van het zenuwstelsel is erfelijk bepaald hoewel Eysenck niet zegt dat dit per se in crimineel gedrag zal resulteren.
Extraversie: Deze persoon is uitbundig, praat veel, is snel ongeduldig, is onrustig, optimistisch, impulsief, heeft behoefte aan opwinding en houdt van verandering. Door de grote behoefte aan opwinding en spanning die deze persoon voelt, zal deze sneller geneigd zijn de wet te overtreden dan de introverte persoon.
Introversie: Deze persoon is in zichzelf gekeerd en vermijd drukte, opwinding en spanning. Ook is deze persoon kalm en voorzichtig.
De N-dimensie: Labiele emotionaliteit of neuroticisme heeft te maken met hoe het lichaam op stress reageert. Iemand met een hoge N-score zal een intensere emotionele reactie op stress hebben. Mensen die heftig op stress reageren, kunnen angstig of prikkelbaar zijn. Ook kunnen zij veel piekeren of last hebben van lichamelijke klachten, veroorzaakt door stress. Mensen die een hoge N-score hebben zullen sneller geneigd zijn tot crimineel gedrag.
4.3.2 Het model van Zuckerman
Zuckerman’s theorie over het ontstaan van criminaliteit hangt samen met zijn ‘sensation seeking scale’. Deze geeft aan hoeveel behoefte aan sensatie een persoon heeft. TAS (Thrill and adventure seeking) is een verantwoorde manier van het omgaan met deze behoefte aan sensatie. Men gaat bijvoorbeeld extreme sporten beoefenen.
Disinhibitie is de onverantwoorde manier van met deze behoefte aan sensatie omgaan, door bijvoorbeeld drugsgebruik. Delictplegers behoren veelal tot de tweede categorie. Dit zijn vaak jongeren die op zoek zijn naar spanning omdat ze zich vervelen.
4.3.3 Het ‘five model’
Dit model van Costa en McCraes dient om de persoonlijkheid te analyseren en is voor een groot deel gebaseerd op de theorie van Eysenck. Tot dit model behoren zijn neuroticisme, maar ook de extraversie en de introversie. De overige factoren zijn ook op zijn theorie gebaseerd. Dit zijn zorgvuldigheid (conscientiousness), het openstaan voor nieuwe ervaringen (openness) en vriendelijkheid (agreeableness).
Het vijffactormodel, het model van Eysenck (driefactor model met neuroticisme, extraversie en psychoticisme), het model van Tellegen (driefactor model) en het model van Cloninger (zevenfactormodel) hebben veel overeenkomsten en overlappen deels.
4.3.4 Persoonlijkheid als factor voor antisociaal gedrag
Uit onderzoek van onder andere Caspi, kan de conclusie getrokken worden dat mensen een persoonlijkheid hebben die antisociaal gedrag kan veroorzaken en ook vaker delicten plegen. Doordat zei bijvoorbeeld snel geïrriteerd zijn of de wereld om zich heen negatief waarnemen, zullen zij eerder geneigd zijn een strafbaar feit te plegen dan mensen die dit niet voelen.
Dit hoeft niet te betekenen dat een bepaalde persoonlijkheid per definitie tot criminaliteit leidt. Ook moeten de omstandigheden aanwezig zijn om tot het plegen van een feit te komen.
4.3.5 zelfdiscipline
Impulsiviteit: Impulsiviteit is volgens veel onderzoekers een belangrijke eigenschap die kan leiden tot antisociaal gedrag. De persoon in kwestie reageert vaak snel zonder na te denken over de consequenties van zijn daden.
Zelfcontrole: Zelfdiscipline wordt vanuit veel disciplines bestudeerd. Het houdt in dat iemand in staat is zijn emoties, verlangen en gedrag onder controle te houden met oog op de toekomst of een mogelijke beloning. Volgens Hirshchi en Gottfredson moeten ouders hun kinderen voor tienjarige leeftijd leren zichzelf onder controle te houden, anders kunnen kinderen hier op latere leeftijd problemen mee krijgen. Gebrek aan zelfcontrole kan leiden tot criminaliteit.
Tijdsperspectief: Dit is een aspect van zelfcontrole wat kan leiden tot criminaliteit als men hier geen goed besef van heeft. Mensen die alleen nadenken over het hier en nu en directe gevolgen van hun acties, zullen niet snel afgeschikt worden door mogelijke straffen van justitie in de toekomst.
Afwijken van de norm (generality of deviance)
Als mensen op bepaalde gebieden afwijken van de algemene norm of risico gedrag vertonen, zijn zij sneller geneigd om ook op andere gebieden van de algemene norm af te wijken of risico gedrag te vertonen. Dit is een brede trend die op veel terreinen terugkomt. Het blijkt dat mensen die antisociaal gedrag vertonen, bijvoorbeeld ook vaker betrokken zijn bij verkeersongelukken.
Uit sommige studies, zoals die van Wright en Beaver, bleek dat opvoeding niet zo’n grote invloed hadden op de zelfcontrole, maar dat dit voor een groot deel ook genetisch bepaald bleek te zijn.
4.3.6 Vermenging van sociale en biologische elementen
Wouter Buikhuizen ging de biosociale criminologie vooraf, maar 30 jaar geleden was er nog geen draagvlak voor zijn theorieën. De biosociale benadering is de afgelopen jaren heel populair geworden. Volgens deze theorie zouden zowel biologische als sociale elementen samen leiden tot crimineel gedrag.
4.3.7 Intelligentie en andere cognitieve vaardigheden
Thurstone onderscheid 7 intelligentievermogens. Intelligentie wordt gemeten met een IQ-test (intelligentiequotiënttest). Uit onderzoek bleek dat plegers van strafbare feiten over het algemeen lager scoren op deze intelligentietesten. Dit verband bestaat ook in andere landen en geldt voor verschillende soorten IQ-testen die niet-verbale en verbale intelligentie meten. Delinquenten behalen gemiddeld ook lagere schoolresultaten dan niet-delinquenten.
Verder bleek ook dat delinquenten lager scoorden voor andere cognitieve vaardigheden.
Huesmann et al veronderstelde verder dat agressie het moeilijker maakt om te leren en slecht is voor de cognitieve ontwikkeling van een kind.
4.4 leertheorieën
Gedurende het hele leven vindt er een leerproces plaats. Je leert dingen bij en verleerd dingen. Dit geldt niet alleen voor motorische handelingen zoals fietsen of auto rijden maar ook voor emotionele vaardigheden, manieren van denken, meningen en gevoelens. Opvoeders moeten de kinderen negatief, antisociaal gedrag afleren. Psychologen maken een onderscheid tussen 3 vormen van leren: instrumentaal leren, sociaal leren en klassieke conditionering.
4.4.1 Klassieke conditionering
Pavlov toonde aan dat een neutrale stimulus een reactie tot gevolg kan hebben die oorspronkelijk geen relatie met de prikkeling heeft. Dit deed hij door honden eten te geven waardoor ze gingen kwijlen en een bel te luiden. Ook zonder het eten gingen de honden kwijlen bij het horen van de bel.
Watson toonde al in 1920 aan dat ook mensen leren volgens ditzelfde principe door zijn experiment met een jongetje en een witte rat met wie hij graag speelde. Door een hard geluid te laten klinken wat een schrikreactie opriep bij het jongetje, wilde deze daarna ook niet meer met de witte rat spelen.
Gevangenisstraffen kunnen werken als conditionering tegen het plegen van misdrijven. De neiging om verboden gedrag te tonen (de neutrale stimulus) wordt tegengegaan door de angst voor de mogelijke straf (de significante stimulus). Dit werkt niet voor iedereen. Psychopaten bijvoorbeeld blijken moeilijk te leren van negatieve ervaringen, waardoor straffen hun gedrag in de toekomst nauwelijks beïnvloedt. Zo zijn deze straffen voor mensen die hier niet gevoelig voor zijn niet effectief.
4.4.2 leren met behulp van bekrachtigers en bestraffers
Bekrachtigers zijn dingen die er voor zorgen dat het gedrag waarbij de bekrachtigers worden gegeven in de toekomst herhaald wordt. Bestraffers zijn dingen die het gedrag waarbij ze gegeven worden in de toekomst moeten voorkomen. Voor experimenten met dieren zijn bestraffers bijvoorbeeld elektrische schokjes en bekrachtigers kunnen eten zijn. Deze manier van leren wordt ook wel instrumenteel leren genoemd.
Deze manier van leren richt zich op het leren van consequenties van gedrag. Heel veel dingen die wij in ons leven doen, zijn ons aangeleerd door instrumentaal leren. Je zou kunnen zeggen dat criminelen de dingen die zij doen ook doen als gevolg van instrumenteel leren. Als je steelt krijg je goederen en als je iemand verkracht krijg je seksueel genot. Als iemand eerder succes heeft gehad met een criminele gedraging, blijkt een straf voor dezelfde gedraging op een later tijdstip, minder effect te hebben. Dit zie je ook terug bij gokverslaafden die, hoewel de gokmachine uiteindelijk meer geld inneemt dan dat er uit komt, toch soms beloningen geeft. Hierdoor wordt het gokgedrag in stand gehouden. Het blijkt dat crimineel gedrag voor het grootste gedeelte niet gestraft wordt omdat het verborgen blijft, waardoor het resultaat voor de crimineel meestal belonend is. Dit is een probleem bij het aspect van het justitieel straffen.
Seligman heeft een theorie over ‘learned helplessness’. Volgens deze theorie worden angst, depressie en hulpeloosheid aangeleerd door negatieve reacties uit de omgeving op het gedrag van individuen. Dit testte hij met honden die op willekeurige momenten elektrische schokken kregen, zonder dat ze hier aan konden ontkomen door bepaalde dingen te doen. De honden bleken heel passief te worden en niet eens meer te vluchten toen het hek opengezet werd. Dit is ook een verklaring voor situaties met huiselijk geweld.
4.4.3 Sociaal leren
Sociaal leren is leren door de organisatie van sociale ervaringen hersenen en leren door te kijken naar anderen. Mensen met geheugenverlies kunnen wel dingen aanleren door middel van conditionering, maar nauwelijks door sociaal leren. Niet alle aspecten van sociaal leren zijn even belangrijk voor de criminologie. De belangrijkste drie personen op het gebied van sociaal leren voor de criminologie zijn Rotter en cognitie, Bandura en Sutherland.
Sutherland: Hij stelde in 1937 de differentiële associatie theorie op. Hierin neemt sociaal leren een belangrijke plaats in. Volgens deze theorie is crimineel gedrag niet erfelijk, maar aangeleerd. Of iemand crimineel gedrag gaat vertonen hangt af van het model en de band met dit model waarmee deze persoon zich identificeert.
Crimineel gedrag wordt geobserveerd en aangeleerd. Het gaat niet alleen om het gedrag zelf maar ook om de normen en waarden die hierbij komen kijken. De theorie is gebaseerd op de notie dat ‘omgaan met de verkeerde mensen’ kan leiden tot crimineel gedrag.
Kritiek op de theorie is onder andere dat deze vaag is opgesteld waardoor empirische toetsing van de theorie nagenoeg onmogelijk is. Verder wordt er niet uitgelegd waar crimineel gedrag in eerste instantie door ontstaat. Ook negeert de theorie grotendeels de persoonlijkheid en individuele verschillen tussen mensen.
Bandura: Hij introduceerde het begrip leren door observatie. Dit houdt in dat je leert door het gedrag van anderen en de gevolgen daarop. Deze andere personen, wiens gedrag mensen imiteren, worden door Bandura modellen genoemd. Modellen kunnen mensen uit de familie zijn maar ook vrienden of vriendinnen, leraren of personages uit boeken of films. De persoon kopieert het gedrag niet direct, maar neemt elementen uit het gedrag over die bij zijn eigen zelfbeeld en eerder aangeleerd gedrag passen.
Over de relatie tussen observatie en geweld bestaat veel discussie.
Iemand die criminaliteit waarneemt met het gevolg dat de dader beloond wordt kan zelf ook crimineel gedrag gaan vertonen.
Rotter: Bij Rotter staat het begrip ‘cognitie’ centraal. Dit heeft betrekking op het denkproces. In het proces van stimuli en respons richt Rotter zich vooral op wat er zich tussen de prikkel en de reactie van het individu afspeelt. De persoon denkt voordat hij reageert aan eerdere soortgelijke situaties en of hij werd beloond of niet voordat hij tot handelen overgaat. Bij criminaliteit zal de dader bijvoorbeeld verwachten dat zijn actie zal leiden tot meer bezit. De kans dat hij wordt gestraft zal hij waarschijnlijk laag inschatten. Deze verwachting hoeft niet realistisch te zijn. Mensen schatten kansen verschillend in. Delinquenten blijken vaak meer risico’s te durven nemen. Alcohol verhoogt de risico bereidheid van iemand. Hierdoor worden veel delicten onder invloed gepleegd.
4.5 ontwikkelingspsychologie
Bij ontwikkelingspsychologie ligt de nadruk vooral op de invloed van ouders op de ontwikkeling van kinderen in relatie tot antisociaal gedrag.
4.5.1 Het ontstaan van fysieke agressie
Richard Tremblay beschreef het verloop van agressie tijdens de eerste levensjaren. Hieruit blijkt dat bijna alle kinderen van 17 maanden wel eens een vorm van fysiek geweld (door schoppen, slaan of duwen) hebben laten zien. Tremblay et al pleiten ervoor dat agressie daardoor de norm is en dat het een kwestie is van afleren en niet aanleren. Tussen het tweede en het derde levensjaar begint de agressie langzaam weer af te nemen. Bij 5 tot 7 procent van de kinderen wordt het fysieke geweld niet minder en dit komt mogelijk doordat de ouders niet effectief hiertegen ingrijpen.
4.5.2 De opvoeding
Veel studies tonen aan dat probleemgedrag bij kinderen vaak samenhangt met de manier waarop ouders met hun kinderen omgaan. Vier aspecten zijn in de opvoeding van belang, dit zijn: Toezicht houden, het adequaat benoemen van ongewenst gedrag, een affectieve band en het bestraffen van ongewenst gedrag (en het belonen van gewenst gedrag).
De band tussen de ouder en het kind op jonge leeftijd
Het is belangrijk dat de ouder reageert op de behoefte van zijn kind. Vanaf dat het kind leert lopen staat de ouder voor nieuwe problemen. De ouder moet ervoor zorgen dat het kind zichzelf niet verwond, maar ook dat het kind anderen niet verwond. De communicatie tussen de ouder en het kind bestaat dan voornamelijk uit disciplinering op twee gebieden: lichamelijke veiligheid en sociaal gedrag.
Criminologisch onderzoek
Uit criminologisch onderzoek is gebleken dat crimineel gedrag vaak samenhangt met laksheid en inconsistentie van opvoeders. Wanneer de ouders het gevoel hebben dat de opvoeding uit de hand loopt, ondernemen zij vaak een poging om controle te krijgen over het gedrag van hun kinderen maar dit blijkt dan te laat en is tevergeefs.
Kenmerken van kinderen zelf
Niet alle kinderen laten zich even makkelijk conditioneren. De persoonlijkheid van het kind zelf speelt dus ook een rol in het socialisatieproces. Impulsiviteit, een laag IQ en ADHD zijn factoren die het socialisatieproces tegenwerken. In hoeverre criminaliteit of antisociaal gedrag op latere leeftijd zal optreden hangt samen met interactie in het gezin.
ADHD
Kinderen met ADHD zijn vaak rusteloos, impulsief en kunnen zich lastig concentreren. Bij kinderen met ADHD is de kans groter dat zij in antisociaal gedrag, of uiteindelijk in criminaliteit vervallen. Hulp voor kinderen met ADHD bestaat uit psychotherapie waarbij geprobeerd wordt de kinderen een goede structuur te bieden. Goede structuur kan ervoor zorgen dat de symptomen van ADHD onderdrukt worden. In veel gevallen is er ook medicatie nodig. Het gezin waarin het kind opgroeit speelt ook een belangrijke rol.
Ouderkenmerken
Hoe ouders met hun kinderen omgaan heeft voor een groot deel te maken met de persoonlijkheid van de ouders, maar ook met de persoonlijkheid van het kind. Ook hier zie je dat nature (erfelijkheid) en nurture (omgeving) worden gecombineerd.
Experimentele studies
PCIT (parent-child interaction therapy) leert ouders om consequent en sensitiever te zijn voor hun kinderen. Bij deze therapie spelen KGI (kind gerichte interactie) en OGI (oudergerichte interactie) een rol. Het kind speelt in de speelkamer samen met zijn ouder en deze krijgt door een oortelefoontje advies van een therapeut in een andere ruimte.
Bij KGI leert de ouder om positief gedrag van zijn kind te stimuleren en om negatief gedrag te doen afnemen. Verder is KGI erop gericht dat de ouder een veilige, warme relatie met het kind opbouwt.
OGI richt zich op het trainen van de ouders in oudergerichte interactie door het aanleren van effectieve gedragstechnieken en door het geven van instructies.
Doel van PCIT is kinderen vroegtijdig (voor het zevende levensjaar) te behandelen bij gedragsproblemen. Verder heeft PCIT tot doel verwaarlozing en kindermishandeling in te perken. Ook moet PCIT ervoor zorgen dat antisociaal gedrag en jeugdcriminaliteit worden teruggedrongen.
Hoofdstuk 5 Het sociologische perspectief op de maatschappij en criminaliteit
5.1 inleiding
Dit hoofdstuk gaat over sociologische theorieën over waarom criminaliteit op de ene plek meer voorkomt dan op de andere plek.
5.2 Theorieën over achterstanden in de maatschappij
5.2.1 Merton en de Strain-theorie
Durkheim is van mening dat grote sociale veranderingen (zoals de industriële revolutie) invloed hebben op de normen en waarden van mensen.
Merton voegt hieraan toe, dat bij met deze nieuwe normen, de nadruk ligt op het bereiken van materiële welvaart. Deze welvaart of ‘middle class status’ ligt niet voor iedereen binnen handbereik, wat kan leiden tot frustratie en innerlijke spanning die Merton ‘strain’ noemt. Er zijn drie reacties die hierop volgen: men kan de doeleinden accepteren, afwijzen of vervangen door nieuwe doeleinden.
In een samenleving waar de middelen met de doeleinden van de mensen in evenwicht zijn, zal niet veel criminaliteit voorkomen. Als de maatschappij een te grote nadruk legt op succesdoelen, zullen de mensen voor wie dit succes niet binnen bereik ligt, sneller geneigd zijn crimineel gedrag te vertonen. Dit doen ze om door middel van bijvoorbeeld diefstal toch het doel te bereiken.
Sommige mensen geven het doel uiteindelijk op, omdat ze hier niet aan kunnen voldoen. Deze mensen blijven zich vaak wel gewoon aan de regels houden. Zij blijven wel vasthouden aan de middelen om dit doel te bereiken en geven dit ook aan hun kinderen door. Dit heet ritualisme.
Sommige mensen trekken zich helemaal terug als hun doel niet binnen bereikt kan worden . Het gaat hier met name om mensen die deels buiten de samenleving staan zoals alcoholisten, drugsverslaafden en zwervers. Zij geven ook de middelen om dit doel te bereiken op.
Een andere mogelijke reactie op het scenario waarbij het doel niet binnen bereik ligt, is rebellie of verzet. Zij zoeken de oorzaak van hun falende succes in de structuur van de samenleving. De doeleinden en de middelen worden door hen opnieuw gedefinieerd. Voorbeelden van groepen die tot deze categorie behoren zijn buitenparlementaire actiegroepen zoals krakers.
5.2.2 Het ontstaan van delinquente subculturen
Cohen kwam met de delinquente subculturen theorie. Deze theorie is gedeeltelijk overgenomen van Merton maar richt zich alleen op crimineel groepsgedrag. Volgens Cohen zijn de waarden van de middenklasse voor jongeren uit de werkende klasse niet haalbaar, wat tot frustratie, en uiteindelijk tot criminaliteit leidt. De enige manier om aan deze frustratie te ontsnappen, is samen met mensen die zich in dezelfde situatie bevinden. Deze groep gooit vaak de algemene waarden overboord en neemt eigen waarden aan, die vaak tegengesteld zijn aan het dominante waardesysteem. Er ontstaat binnen deze groep een collectieve subcultuur waarbij men zich niet aan de algemene regels houdt (delinquente subcultuur).
Deze jongeren zetten zich af tegen de heersende norm. Wanneer zij iets stelen doen zij dit vaak niet omdat ze het object nodig hebben. Vaak wordt het zelfs vernield en is het doel alleen om zich af te zetten tegen de algemene normen.
Cortes en Gatti leveren de volgende kritiek op het model van Cohen:
Protest van jongeren kan zich op veel meer manieren uiten dan alleen door delinquent gedrag.
Ook andere behoefte dan het afzetten tegen de algemene normen, spelen vermoedelijk een rol. Motiveringen voor het gedrag kunnen bijvoorbeeld zijn: het zoeken naar avontuur, opwinding, afkering van de politie of en bescherming tegen andere gangs.
De scheiding tussen de middenklasse en arbeidersklasse is tegenwoordig niet meer zo groot.
5.2.3 Cloward en Ohlin
Cloward en Ohlin zijn van mening dat crimineel gedrag wordt veroorzaakt door gebrek aan mogelijkheden. Zij nemen ook de anomietheorie van Merton als uitgangspunt. In tegenstelling tot Cohen is hij van mening dat het crimineel gedrag niet destructief is van aard, maar omdat men uit de situatie van armoede wil komen.
Cloward en Ohlin onderscheiden drie subculturen. Dit zijn de criminele, de conflict- en de afzonderingssubcultuur.
De conflict subcultuur: In deze subcultuur komt veel geweld voor in allerlei vormen. De jongeren proberen door middel van geweld en fysieke moed, status te bereiken.
De afzonderingssubcultuur: Binnen deze subcultuur spelen gebruik van alcohol en drugs een grote rol. Deze groep lijkt op de retreatist in het model van Merton.
De criminele subcultuur: Deze subcultuur vind je op plekken waar criminaliteit onder volwassenen aanzien heeft . Deze volwassenen zijn een voorbeeld voor de jongeren.
Criminaliteit als verzet en maatschappelijke kwetsbaarheid
Volgens de theorie van welgrave zijn mensen die criminele activiteiten plegen de maatschappelijk kwetsbare mensen uit de samenleving. Vaak zijn het de minder intelligente mensen in de samenleving die minder profiteren van instituties van de staat zoals werkvoorziening en onderwijs. Verder komen zij vaker met politie in aanmerking en zijn reacties van politie en justitie ook strenger.
Volgens de criminologische verzetstheorie van Jongman streven de mensen die delicten plegen niet naar een welvaart van de middenklasse, maar naar een gelijkheidsideologie. Deze mensen leren op school vaak dat iedereen recht heeft op onderwijs en inkomen en dat iedereen gelijk is. Wanneer in een later stadium blijkt dat sommige zaken niet voor hen zijn weggelegd, dan zullen ze hiertegen in opstand komen door crimineel gedrag. Volgens Jongman is hun reactie begrijpelijk en zelfs moreel gerechtvaardigd.
5.2.4 Ecologische criminologie
Criminaliteit komt in sommige wijken meer voor dan in andere wijken. Verder is er meer criminaliteit in steden dan in dorpen. Shaw en McKay hebben onderzoek gedaan naar de verspreiding van criminaliteit in verschillende gebieden. Ze kwamen tot de conclusie dat er in centra van de steden het meeste crimineel gedrag voorkwam. Hoe verder men naar de wijken buiten het centrum ging, hoe minder criminaliteit hier voorkwam. Zijn verklaring hiervoor is sociale disorganisatie. Dit betekent dat er in wijken met een hoge criminaliteit, weinig stabiliteit en sociale samenhang is doordat de bevolkingssamenstelling steeds veranderd. Vooral in de verpauperde wijken aan de rand van het centrum zijn vaak veel sociale problemen. Dit komt omdat bedrijven zich in het centrum zijn gaan vestigen en er mooiere huizen buiten het centrum werden gebouwd. Tussen het centrum en de periferie ligt vaak een verpauperd deel. Dit patroon gaat niet op voor alle steden. Met name in derde wereldlanden vind je sloppenwijken juist buiten het centrum.
De achterstandssituatie van de wijk hoeft niet te maken te hebben met criminaliteit. Het is vooral de sociale controle die hierin belangrijk is. Bij een grotere sociale controle in de wijk, vindt er minder criminaliteit plaats.
Verder spelen fysieke kenmerken van de stad een rol bij het al dan niet ontstaan van criminaliteit. Slecht beveiligde huizen en onveilige openbare ruimtes spelen hier een rol.
Volgens de situational action theory van wikstrom hangt criminaliteit samen met persoonskenmerken, maar ook met de kenmerken van de wijk waarin iemand opgroeit.
5.3 Kritische criminologie
5.3.1 Strafbaarstelling en rechtshandhaving
Criminologen houden zich ook bezig met de vraag wat crimineel gedrag is. Crimineel gedrag moet schadelijke gevolgen hebben. Soms is het lastig te bepalen welke gedragingen precies schadelijke effecten teweeg brengen. Verder hangt het af van de mensen in de betreffende samenleving wat strafbare feiten zijn. Dit heeft bijvoorbeeld invloed op regelgeving over abortus. Wat strafbare gedragingen zijn, veranderdtook door de tijd heen.
5.3.2 De labelling theorie
Symbolisch interactionisme: Een theoretische richting binnen de sociologie die er vanuit gaat dat sociaal gedrag van mensen bepaald wordt door de sociale rollen die men door andere krijgt opgelegd of zelf aanneemt.
Iemand die gepakt wordt voor een misdaad krijgt het label ‘misdadiger’. Niet iedereen die een wet overtreedt wordt gepakt dus deze ‘misdadiger’ is tegelijkertijd een zondebok en voorbeeld voor andere wetsovertreders.
Het gevaar voor iemand die als misdadiger is gelabeld is dat deze persoon zichzelf ook niet meer ziet als achtenswaardig mens. Labellen kan er zo toe leiden dat de persoon zichzelf als een crimineel blijft zien en dit kan voor de rest van zijn leven zo blijven. Op deze manier werkt labellen als een selffulfilling prophecy.
Labellen hoeft geen betrekking te hebben op individuen. Het kan ook betrekking hebben op groepen zoals asielzoekers, woonwagenbewoners en etnische minderheden.
Als mensen aan een stigma willen ontkomen, prijzen zij hun identiteit als bijzonder of superieur.
Abolitionisme: Het opheffen van het strafrecht omdat strafrechtpleging een versterking en verbreiding van afwijkend gedrag tot gevolg zou hebben. Voor deze theorie was aanhang in Nederland in de jaren ’70 van de vorige eeuw. Het civiele recht zou een reactie moeten bieden op criminaliteit. Het probleem is niet dat strafrechtpleging criminaliteit veroorzaakt, maar juist dat deze vaak niet effectief is bij de aanpak van criminelen en crimineel gedrag soms juist versterkt. Dit komt omdat veel criminaliteit wordt veroorzaakt door persoonlijkheidsstoornissen of maatschappelijke problemen.
5.3.3 Braithwaite
Volgens Braitwaite heeft het straffen van delinquenten vaak een negatief effect omdat deze delinquenten door de straf worden uitgesloten in de samenleving. Hij pleit er juist voor om het gedrag van deze mensen door de omgeving kritisch te laten afwijzen, zonder dat de persoon zich afgewezen of verstoten voelt. Dit wordt ‘reintegrative shaming’ genoemd. Door bij personen die een misdaad hebben gepleegd gevoelens van schaamte op te wekken, wordt de kans op verval in criminaliteit als een gewoonte tegengegaan. Braithwaite beschouwt dit opwekken van schaamte als een taak van de sociale omgeving van de dader. Justitie en politie moeten deze omgeving hierbij steunen.
De theorie van Braitwaite gaat in tegenstelling tot de persoonlijkheidstheorieën van Gottfredson en Hirschi uit van de maakbaarheid van de delinquent.
Braitwait pleit voor een verandering in normbesef door voorlichting in plaats van door strafrechtelijk optreden alleen.
5.4 Theorie van de sociale controle
Hirschi pleit voor de bindingstheorie of sociale-controletheorie. Volgens Hirschi streven mensen van nature naar bevrediging van behoefte en naar plezier. Hierdoor is crimineel gedrag niet vreemd. Mensen worden alleen sociale wezens, omdat de banden met de sociale omgeving van de mens dat afdwingt.
Hirschi onderscheid vier factoren binnen de binding met anderen die invloed hebben op het al dan niet tot stand komen van crimineel gedrag:
Commitment: Betrokkenheid in verband met eigenbelang.
Beliefs: Normen en waarden.
Attachement: Gehechtheid.
Involvement: gebondenheid
Commitment: Dit element benadrukt het economische, rationele aspect van bindingen. Hoe meer men emotioneel en materieel heeft geïnvesteerd in de samenleving, hoe meer men te verliezen heeft als hij de regels overtreedt.
Beliefs: Individuen verschillen in de mater waarin o zij de normen en waarden van de samenleving als juist zien. De overtuigingen komen dus wel of niet overeen met respect voor de wet. Een gemeenschap waarin de meerderheid de wet respecteert, heet ‘a culture of alwfulness’.
Attachement: De band met anderen heeft er invloed op of men zich volgens de gangbare, manier gedraagt. Sommige mensen hechten zich weinig aan hun omgeving. Personen die zich weinig aan hun omgeving hechten, en dus sneller ongewenst gedrag vertonen, zijn bijvoorbeeld psychopaten, maar ook pubers die een lastige band met hun ouders hebben.
Involvement: Dit is de betrokkenheid bij activiteiten waar de persoon belang bij heeft. Iemand die in de samenleving is geïntegreerd heeft minder snel de optie om een delict te plegen omdat zijn werk, hobby’s, familie etc. hem van de straat houden.
Hirschi gaat er bij zijn theorie van uit dat criminaliteit voornamelijk ontstaat door een gebrek aanv binding tussen de delinquent en zijn omgeving. Dit komt omdat hun morele vermogen hierdoor onderontwikkeld is. Dit is tegenovergesteld aan de subculturele theorie, waarbij er juist vanuit wordt gegaan dat criminaliteit zich ontwikkeld door een sterke band met delinquente vrienden en/ of ouders. Jongeren die respect hebben voor hun ouders of volwassenen in het algemeen, zullen zich eerder aan de regels houden dan jongeren die dit respect voor ouders of volwassenen niet hebben.
Het element ‘gebondenheid’ van Hirschi wordt soms buiten beschouwing gelaten omdat het moeilijk valt te rijmen met latere onderzoeken.
Onderzoekers die de theorie van Hirschi hebben gebruikt als basis voor hun eigen onderzoek zijn Junger en Kornhauser. Junger kwam tot de conclusie dat de jeugddelinquentie onder jongeren die behoren tot etnische minderheden (in het bijzonder Marokkanen) hoger ligt dan bij vergelijkbare Nederlandse jongeren. Verder hangt deze delinquentie onder jongeren uit etnische minderheden sterk samen met een slechte binding met het gezin en de school.
Kornhauser zegt dat de invloed van vriendengroepen in Nederland sterker is dan vroeger en sterker dan in meer traditionele culturen waar het gezin het middelpunt vormt .
5.5 Gelegenheidscriminaliteit
Victimologie is de richting binnen de criminologie die aandacht aan het slachtoffer besteedt. Bij victimologie staan de gevolgen van het delict voor het slachtoffer centraal en er wordt gekeken naar wat hieraan kan worden gedaan.
De invloed van de situatie op crimineel gedrag
In het algemeen geldt dat hoe groter de druk is uit de omgeving om je op een bepaalde manier te gedragen, des te groter de kans dat mensen zich ook zo gedragen. Dit staat vaak los van de persoonlijkheid van mensen.
Hoe groter anonimiteit in een situatie, hoe groter de kans is dat iemand antisociaal of crimineel gedrag zal vertonen. Als men niet het idee heeft dat hij persoonlijk zal worden aangesproken op een daad, dan worden de remmingen van de persoon lager. Een voorbeeld hiervan is het ontstaan van massageweld.
Deze individualisatie theorie gaat ook op voor misdrijven die worden gepleegd in het donker, als men maskers of uniforme kleding draagt of vermomd is. De vermommingen van de Ku Klux Klan vormen hiervan een voorbeeld.
Zimbardo en het Stanford prison project
Uit zijn Stanford prison experiment concludeerde Zimbardo dat mensen tot bijna alles in staat zijn, als de psychologische druk hoog is. Morele overtuigingen lijken dan nog slechts een kleine rol te spelen. Bij het project creëerde Zimbardo een gevangenissituatie waarbij de helft van de studenten de rol van gevangene en de andere helft die van bewaker speelde. Een derde van de bewakers maakte zich schuldig aan machtsmisbruik en de gevangenen gingen zich onderdanig gedragen. Dit project liep uit de hand en meerdere deelnemers moesten voortijdig staken als gevolg van psychische problemen. Het experiment toont aan hoe groot omgevingsinvloeden op gedrag kunnen zijn.
Het project van Milgram
Mensen blijken ook bereid heel ver te gaan onder invloed van iemand met macht. Dit toonde Milgram aan met zijn experiment waarbij een proefpersoon iemand elektrische schokken moest toedienen wanneer deze een vraag verkeerd beantwoorde. Twee derde van de mensen bleek bereid door te gaan tot het hoogste niveau terwijl de acteur in de andere kamer die de schokken zogenaamd toegediend kreeg, schreeuwde om te stoppen en op de muur bonsde (zogenaamd van de pijn).
Verder blijkt dat groepen meer risico nemen dan individuen. Dit heet het risky shift-fenomeen. Dit komt door spreiding van verantwoordelijkheid tussen meerdere personen. Verder vermindert angst wanneer men bij een groep hoort. Deze groepen weren verdere informatie uit hun groep van wat er kan gebeuren als het delict bekend wordt. Zo ontstaat er ; group think’ en dit kan gevaarlijk zijn.
Criminologische gelegenheidstheorie
Wilson en Kelling namen waar dat misdaden vooral worden gepleegd in wijken met een lage sociale controle. Potentiële criminelen zien de tekenen van verloedering in de wijk als een uitnodiging tot crimineel gedrag. Mogelijke slachtoffers in zulke wijken zouden zich bij voorbaat weerloos en onbeschermd voelen en zich hier ook naar gedragen. Deze theorie van Wilson en Kelling heet de ‘broken window-theorie’.
5.51 Rationeel crimineel gedrag
Becker toont in zijn onderzoek aan dat crimineel gedrag tot op zekere hoogte rationeel gedrag is. Hij richt zich op het economisch perspectief van de dader. Volgens hem zouden straffen zo hoog moeten zijn dat het genoeg is om criminelen van hun gedrag af te laten zien.
De meeste criminologen staan hier sceptisch tegenover omdat zij van mening zijn dat criminaliteit maar gedeeltelijk rationeel is en dat sommige mensen bijvoorbeeld niet in staat zijn na te denken op de lange termijn.
Hierdoor wordt er binnen de criminologie uitgegaan van beperkte rationaliteit van crimineel gedrag.
Het criminologische marktmodel
Gelegenheidstheorie: Dit is de theoretische richting die zich richt op het bestuderen van de invloed van criminele kansen op het criminaliteitsniveau. Hoe groter de criminele kansen, des te groter is de criminaliteit. Verder speelt de mate van beveiliging hierbij een belangrijke rol. De gelegenheid kan meestal verkleind worden. Zo kan de gelegenheid op woninginbraak verkleind worden door een alarmsysteem te nemen. Deze theorie verklaart waarom de criminaliteit kan oplopen hoewel het welvaartsniveau stijgt. In armere landen vind je een grotere mate zware misdrijven, terwijl er in rijkere landen juist meer kleinere misdaden worden gepleegd. Dit hangt ook samen met het risico dat men bereid is om te lopen.
5.6 De theorieën en de praktijk
De theorieën over criminaliteit werken door op macro-, meso-, en microniveau.
Macroniveau: Heeft betrekking op maatschappelijke en economische structuren.
Mesoniveau: Heeft betrekking op gezin, school en buurt.
Microniveau: Heeft betrekking op het gedrag van individuen.
Wetgeving/ beleid
Macroniveau: Criminalisering/ labellen
Mesoniveau: Selectiviteit in de rechtsgang
Microniveau: corruptie/ discriminatie
Motieven daders
Macroniveau: Maatschappelijke achterstanden/ STRAIN
Mesoniveau: Sociale controle/ opvoeding
Microniveau: Weinig zelfcontrole
Gelegenheden/ slachtoffers
Macroniveau: Doelwitten/ beveiliging
Mesoniveau: Riskante situaties
Microniveau: provocatie
De belangrijkste criminologische theorieën en de oplossing tegen criminaliteit:
BECCARIA (het klassieke strafrecht) Het afschrikken door straf
Gelegenheidstheorie De gelegenheden verminderen (bijvoorbeeld door strafrecht)
Braithwaith Herstelrecht/ re-integrerende beschaming
Labelling Hulpverlening/ abolitionsime
Sociale controle Onderwijs/ opvoeding
Deprivatie/ strain Sociale samenhang/ achterstandsbeleid
Zelfbeheersing De gelegenheden verminderen/ opvoeding
Biosociale richting Behandeling/ opvoeding
Lombroso (positivisme) Aangepast werk/ opsluiting
Hoofdstuk 6 Het tegengaan van criminaliteit
6.1 Inleiding
Criminaliteitspreventie: Dit zijn alle maatregelen die de overheid (buiten de strafrechtspleging) burgers en particulieren instellingen nemen om criminaliteit tegen te gaan.
Criminaliteitspreventie is niet alleen gericht op het voorkomen van criminaliteit, maar ook op het beperken van de schade van criminaliteit. Deze schade kan materieel zijn of emotioneel. Een voorbeeld van emotionele schade is de angst bij het slachtoffer.
Het straffen nadat een misdrijf gepleegd is, draagt vaak aan de oplossing tegen het probleem weinig bij. Bij preventie wordt meer gekeken naar waarom misdrijven plaatsvinden, en tracht men juist een oplossing te vinden voor het probleem. Preventie gebeurd vooraf, met het doel misdrijven te voorkomen.
Criminaliteitspreventie zou toegepaste criminologie kunnen worden genoemd, omdat er gekeken wordt naar de oorzaken van criminaliteit en er getracht wordt hier iets aan te doen en criminaliteit te voorkomen.
6.2 Strategieën voor criminaliteitspreventie
‘Evidence-based crime prevention’ (ook wel ‘knowledge-based crime prevention’) is een beweging die in de tweede helft van de jaren ’90 van de vorige eeuw in het Verenigd Koninkrijk ontstond. De beweging is erop gericht om preventiestrategieën zoveel mogelijk te richten op wetenschappelijke kennis.
Voorbeelden van verschillende soorten criminaliteitspreventie:
Banenplannen voor risicojongeren
Een survivaltocht in de Ardennen voor jeugddelinquenten
Buitenschoolse activiteiten voor risicojongeren
Veel dingen die preventief zouden moeten werken, blijken niet te werken. Zo heeft het bezoeken van gevangenissen voor probleemjongeren juist een negatief effect. De jongeren die de gevangenis bezoeken, blijken sneller vast te komen zitten dan jongeren die de gevangenis niet bezoeken. Er blijkt een bepaalde aantrekkingskracht van het criminele leven uit te gaan voor de jongeren die tot de risicogroep behoren.
Wel bleek dat het ingrijpen op jongere leeftijd bij risicogroepen, beter werkt dan ingrijpen bij deze groepen op latere leeftijd.
6.3 Preventie gericht op dader, slachtoffer en situatie
Primaire preventie is gericht op de hele bevolking en wordt daarom ook wel universele preventie genoemd. Secundaire preventie is gericht op preventie bij groepen met een verhoogd risico tot criminaliteit. Dit wordt ook wel selectieve preventie genoemd. Tertiaire preventie is het behandelen van daders of individuele personen door bijvoorbeeld reclassering. Deze vorm van preventie wordt ook wel geïndiceerde preventie genoemd.
Er is sprake van preventie maatregelen die zijn gericht op de dader, maar ook op het slachtoffer of op bepaalde situaties.
Slachtofferhulp is ook een vorm van tertiaire preventie, omdat het er deels op is gericht om herhaling van het slachtofferschap te voorkomen. Voor het slachtoffer of de situatie, kan er dus ook deze driedeling worden gemaakt tussen universele preventie, selectieve preventie en geïndiceerde preventie.
6.4 Preventie gericht op de dader
6.4.1 Primaire preventie gericht op de dader
Onderwijs: Primaire preventie kan plaatsvinden in het basisonderwijs over bijvoorbeeld de schadelijkheid van vandalisme, het tegengaan van voortijdig verlaten van school of spijbelen. Voorlichting over drugs werkt soms juist averechts, maar als de informatie objectief is, of door leden uit de eigen groep wordt gegeven, kan het juist wel effectief zijn.
Een goede band tussen leerlingen en school kan ook bijdragen om de kinderen weg te houden van een delinquente levensstijl. Bij grote, onpersoonlijke scholengemeenschappen is de kans op een delinquente levensstijl van de leerlingen groter.
Probleemwijken/ algemeen achterstandsbeleid: Criminaliteitspreventie kan ook voor komen op het gebied van het tegengaan van maatschappelijke achterstanden. Omdat andere doeleinden dan het bestrijden van criminaliteit voorop staan, kunnen dit soort maatregelen een sociaal beleid worden genoemd met het gunstige neveneffect van criminaliteitspreventie. Uit onderzoek blijkt verder dat het vernieuwen van wijken op zichzelf geen invloed heeft op de criminaliteit, maar dat de daderpopulatie daarnaast ook rechtstreeks moet worden aangepakt. Hiertoe kan een spreidingsbeleid of verbetering van sociaaleconomische politiek bijdragen.
Voorlichting en opvoeding: De opvoeding van kleine kinderen is ongetwijfeld de belangrijkste vorm van criminaliteitspreventie. Dit is belangrijk voor de gewetensvorming van kinderen, die op latere leeftijd blijft bestaan. De mate waarin opvoeders kinderen disciplineren is voor een groot deel cultureel bepaald. In landen als China en Japan speelt disciplinering een grote rol en wordt er veel aandacht besteed aan het belang van de groep. In veel westerse landen, waartoe Nederland, Engeland en Australië behoren, is meer aandacht voor ontwikkeling van het individu en het opzoeken van grenzen van kinderen. Dit kan ook zijn waarom op deze plekken uiteindelijk meer criminaliteit voorkomt.
Democratische landen zien het niet als hun taak de bevolking op te voeden, in tegenstelling tot landen met een autocratisch regime zoals Iran of China. Democratische landen laten die taak over aan ouders en maatschappelijke organisaties. In Nederland draagt de overheid toch een bepaalde mate van invloed uit in de bevordering van gedrag dat door de wet is goedgekeurd. De staat is hiertoe gemachtigd doordat deze wetten tot stand komen uit democratische besluiten. Manieren waarop de overheid deze normen uitdraagt zijn bijvoorbeeld door voorlichting of projecten in het basisonderwijs. In veel landen vinden ook voorlichtingsprojecten plaats die respect voor de wet aanleren. Andere voorbeelden zijn voorlichtingscampagnes over alcoholgebruik, verantwoord verkeersgedrag, winkeldiefstal, zinloos geweld, huiselijk geweld, digitaal pesten, heling of ongewenste seksuele intimiteiten. Deze zijn gericht op mogelijke daders.
6.4.2 Secundaire preventie gericht op de dader
Veel gemeenten in Nederland hebben voorzieningen gecreëerd voor de begeleiding en opvang van risicojongeren. Veel van deze projecten blijken niet veel succes te hebben. De successen die wel met deze projecten worden behaald, zijn voornamelijk te danken aan de capaciteiten en inzet van individuele jongerenwerkers. Jongeren die al in het criminele circuit zitten, blijken niet gevoelig meer te zijn voor veel van deze maatregelen. Hier zou dus in een eerder stadium tegen ingegrepen moeten worden.
6.4.3 Tertiaire preventie gericht op de dader
Tertiaire dadergerichte preventie bestaat uit reclasseringswerk. Dit is het geven van steun en hulp aan gedetineerden en ex-gedetineerden. In de jaren ’80 van de vorige eeuw zijn nieuwe vormen van sanctionering geïntroduceerd, waarbij de nadruk ligt op hun opvoedende werking. Een voorbeeld hiervan zijn de HALT-straffen voor jongeren. Deze blijken niet altijd goed te werken. Er wordt veel gedaan met projecten waarbij ex-delinquenten aan een baan en/ of opleiding worden geholpen als zij breken met hun crimineel verleden. Soortgelijke projecten, waarbij de nadruk ligt op het creëren van toekomstperspectieven, worden ook uitgevoerd met verslaafden.
6.5 preventie gericht op de situatie
6.5.1 Primaire en secundaire preventie gericht op de situatie
Op het gebied van situationele criminaliteitspreventie is er in Nederland nog weinig op landelijk niveau geregeld. Een goed voorbeeld van primaire situationele preventie is de in 1999 ingevoerde wettelijke norm op hang- en sluitwerk, waaraan nieuw gebouwde huizen moeten voldoen. Verder schrijft de wet op bescherming persoonsgegevens voor dat men computerbestanden met gevoelige gegevens door middel van een wachtwoord moet beveiligen.
Secundaire situationele criminaliteitspreventie is gericht op de verbetering van de beveiliging in risicowijken of buurten. Een voorbeeld is de eisen die verzekeringsmaatschappijen stellen aan de beveiliging van dure woningen.
Gebruik van technische middelen ter voorkoming van criminaliteit: Veel technische middelen ter voorkoming van criminaliteit (technopreventie) zijn gericht op het bemoeilijken van diefstal. Maatregelen die erop gericht zijn diefstal moeilijker of onmogelijk te maken noemen we ‘target hardening’. Voorbeelden van dit soort maatregelen zijn de kluis, alarmsystemen, videobewaking, sloten op voertuigen en uitneembare autoradio’s. Veel van deze preventieve maatregelen blijken erg effectief te zijn, zoals de maatregel tegen diefstal van cd’s in warenhuizen waarbij cd’s achter de toonbank worden bewaard en er alleen lege hoesjes in de winkel staan.
Beveiliging van woonhuizen bleek het risico op inbraak erg te verlagen. Door de gemeente en politie worden keurmerken ‘veilig wonen’ gegeven aan eigenaren van huizen die voldoen aan objectieve veiligheidsnormen. De bedoeling is dat eigenaren van deze huizen korting krijgen van verzekeringsmaatschappijen.
Preventie door middel van de vormgeving van de omgeving: De preventie door middel van de vormgeving van de omgeving gaat ervan uit dat in wijken waarin sociale controle niet mogelijk is, sneller criminaliteit voor komt. Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat de criminaliteit in liften en trappenhuizen van flatgebouwen groot is en dat er meer strafbare feiten worden gepleegd naarmate het flatgebouw groter is. Dit heeft te maken met anonimiteit.
Verder blijkt dat misdaden sneller worden gepleegd bij bedrijven op een straathoek, waarvan de dader makkelijk kan ontsnappen. Bij het plaatsen van winkels en banken dient hier rekening mee gehouden te worden.
Newman, een Amerikaanse architect, heeft een aantal principes voor veilig bouwen opgesteld die volgens hem kunnen leiden tot een afname van criminaliteit en tot een ‘defensible space’. Beveiliging tegen criminaliteit kan wel in strijd zijn met de behoefte van mensen aan een prettige woonomgeving, de gelegenheid om contact te leggen in publieke ruimten of de sfeer om in te winkelen. Verder kan een overmaat aan beveiliging leiden tot een oncomfortabele manier van leven.
In Nederland blijkt vaak dat men pas voorzorgsmaatregelen neemt als een feit al gepleegd is. Mensen nemen bijvoorbeeld pas een alarm nadat er ingebroken is. Dit komt deels doordat mensen vaak geen maatregelen willen nemen die geld kosten, en waar een onzekere beloning tegenover staat (dat men bijvoorbeeld niet wordt bestolen maar toch voor een duur alarmsysteem betaalt). Bij een zekere beloning (zoals een lagere verzekeringspremie) naast een onzekere beloning (de verkleinde kans op inbraak) zie je dat mensen sneller bereid zijn ook daadwerkelijk hun woning te beveiligen.
Preventie tegen criminaliteit door informele sociale controle: Preventie tegen criminaliteit door sociale controle wordt ook wel sociopreventie genoemd. Hiertoe behoren bijvoorbeeld campagnes die burgers stimuleren aangifte te doen van misdrijven. Vaak blijken mensen niet in actie te komen als ze zien dat een strafbaar feit gepleegd wordt. Een voorbeeld hiervan is de verkrachting en de moord op een jonge vrouw (Kitty Genovese) in Amerika in een drukke straat op klaarlichte dag. Dit fenomeen waarbij omstanders niet ingrijpen wordt ‘non-interventie’ genoemd. Er wordt veel onderzoek gedaan om dit fenomeen te verklaren. Een criminoloog die hier onderzoek naar deed was Winkel. Hij stelde een model op van vier noodzakelijke voorwaarden, waaraan voldaan moet zijn wil er interventie optreden. Deze vier fasen zijn:
Het waarnemen van een incident: Een incident wordt vaak niet gezien door omstanders. Dit wordt vaak versterkt doordat daders zullen proberen hun crimineel gedrag verborgen te houden voor omstanders. Als het om delicten gaat buiten de publieke ruimte, is het aantal mensen wat het delict kan waarnemen nog kleiner.
Gedrag interpreteren als crimineel gedrag: Men moet ook in staat zijn het incident te kunnen definiëren als crimineel gedrag. Zo worden vechtpartijen op straat vaak gezien als privéaangelegenheden die zonder tussenkomst van derden kunnen worden opgelost. Verder is het voor omstanders vaak niet duidelijk of er sprake is van crimineel gedrag. Zo bleek dat maar 2 procent van de omstanders actie onderneemt als iemand op een openbare weg een fietsslot openknipt met een betonschaar. Dit komt omdat veel omstanders ervan uit gaan dat de fiets van de eigenaar is, die zijn sleutel kwijt is.
Betrokkenheid: veel mensen voelen zich op straat niet betrokken als er een delict wordt gepleegd. Solidariteit van mensen beperkt zich vaak tot persoonlijke kringen waarbij vrienden of familie slachtoffer worden van een delict. Verder speelt het feit dat er vaak meerdere omstanders aanwezig zijn een rol. Er is dan sprake van spreiding van verantwoordelijkheid. Mensen zijn dan snel geneigd geen aangifte te doen omdat ze ervan uit gaan dat anderen dit zullen doen. Daarnaast blijkt ook imitatiegedrag een rol te spelen. Als één persoon bereid blijkt om in te grijpen, zullen ook andere omstanders mogelijk ingrijpen. Je ziet hier dat ‘beoordelingsbeduchtheid’ een rol speelt. Mensen zijn er gevoelig voor hoe anderen de situatie beoordelen omdat ze niet voor gek willen staan.
Keuze tot interventie: Omstanders weten vaak niet wat ze moeten doen. Ze weten bijvoorbeeld het alarmnummer niet of weten niet of ze direct tussenbeide moeten komen of de politie moeten bellen. Verder speelt de verwachting van dankbaarheid van slachtoffer of politie een rol net als de inspanning die de getuige moet leveren. Vaak zijn getuigen bang voor represailles van daders of hebben zij geen zin later tijd te verliezen door als getuige opgeroepen te worden.
Commerciële beveiligings- of bewakingsdiensten: De afgelopen 10 jaar is het aantal commerciële beveiligings- of bewakingsdiensten sterk gegroeid. Naast bewakingsdiensten leveren deze bedrijven ook de service om elektronische surveillanceapparatuur aan te sluiten. In Nederland moet je een vergunning en diploma hebben om in de beveiligingsindustrie werkzaam te zijn. Hierdoor heeft de overheid hier invloed op. Je ziet dat er ook sprake is van samenwerking tussen de overheid en particuliere bedrijven. Zo kan bedrijventerrein worden beveiligd door een stichting waar ook de politie in is vertegenwoordigd.
Het is in praktijk vaak lastig de burger meer de betrekken bij het toezicht houden. Hierdoor wordt er door veel mensen gepleit voor meer functionarissen met toezichthoudende functies, zoals toezichthoudend personeel in het openbaar vervoer, stadswachten, conciërges op scholen, huismeesters enzovoort.
Een bijkomend voordeel van het inzetten van toezichthoudend personeel is behalve de veiligheid die toeneemt ook de werkgelegenheid die het schept voor laaggeschoolden. Sommige mensen, waaronder de procureur-generaal in Den-Haag, is ervoor gepleit particuliere beveiligers opsporingsbevoegdheid toe te kennen. Dit zou betekenen dat zij in winkelcentra zelf proces-verbalen kunnen opmaken bij winkeldiefstal. Door de politie is erop gewezen dat dit het geweldmonopolie van de overheid tegen zou gaan.
6.5.2 Tertiaire situationele preventie
Delicten vinden vaak plaats op dezelfde plekken. Het kan hierbij gaan om probleemwijken of uitgaanscentra. Uit onderzoek is gebleken dat politiesurveillances op deze zogenaamde hotspots leiden tot het terugdringen van delicten. Verder blijkt ook de criminaliteit in de gebieden rondom de hotspots hierdoor te verminderen (diffusion of benefits). Andere vormen van tertiaire of geïndiceerde preventie zijn betere verlichting en videobewaking bij de hotspots, uitgaansgelegenheden verplaatsen naar de rand van de stad met goede aansluiting op het openbaar vervoer en gespreide sluitingstijden waardoor niet iedereen op hetzelfde moment op straat staat.
6.6 Preventie gericht op slachtoffers
6.6.1 Primaire preventie gericht op slachtoffers
Primaire slachtoffergerichte preventie lijkt op primaire dadergerichte preventie. Door middel van voorlichting met bijvoorbeeld tv-spots en advertenties, wordt getracht verandering te brengen in de houdingen en gedragingen van mogelijke slachtoffers. Een voorbeeld hiervan is het verspreiden van voorlichtingsmateriaal ter voorkoming van inbraak.
Het gebruik van wapens ten behoeve van persoonlijke veiligheid wordt door de overheid ontraden. Wel nemen veel vrouwen training in zelfverdediging om zich te verweren tegen seksuele intimidatie. Doordat deze vrouwen de mogelijkheid hebben zich in zulke situaties te verdedigen, voelen zij zich ook veiliger.
Een andere vorm van preventie biedt de kliklijn waarbij mensen anoniem melding kunnen maken van concrete delicten als wietteelt of mensenhandel.
6.6.2 Secundaire preventie gericht op het slachtoffer
Inculatie is het voorbereiden van mensen op een mogelijk slachtofferschap. Personeel tankstations, banken en warenhuizen krijgt vaak training hoe ze moeten omgaan met een roofoverval. Hierdoor reageren ze minder gestrest als zo’n situatie daadwerkelijk plaatsvindt. Mensen die van te voren een dergelijke training hebben gehad verwerken een trauma ook beter dan mensen die deze training niet hebben gehad.
6.6.3 Tertiaire preventie gericht op het slachtoffer
Tertiaire slachtofferpreventie richt zich op individuele slachtoffers van misdrijven. Mensen die recent slachtoffer zijn geworden van een misdrijf lopen statistisch gezien meer kans om in de toekomst weer slachtoffer te worden. Zij krijgen voorlichting over hoe zij slachtofferschap in de toekomst kunnen voorkomen. Deze voorlichting wordt meestal door de politie gegeven.
6.7 Overige informatie
Het verplaatsing- of verschuivingverschijnsel houdt in dat criminaliteit in zijn geheel niet verminderd als individuen een alarminstallatie installeren. De criminaliteit verplaatst simpelweg naar een andere plek. Als meer mensen deze maatregelen nemen, wordt criminaliteit wel moeilijker gemaakt en zou de gelegenheidscriminaliteit moeten afnemen. Verder blijkt dat maatregelen tegen criminaliteit ook positieve uitwerking kunnen hebben op de omgeving.
Vervangingseffect: volgens het criminologische marktmodel is er bij een bepaald niveau van beveiliging ruimte voor een bepaald aantal delinquenten. Als zij worden opgepakt, wordt hun plek snel ingenomen door anderen.
Heckman pleit ervoor dat beleid dat gericht is op het wegnemen van sociale achterstanden effectiever is als er eerder in de levensloop wordt ingegrepen.
Dadergerichte preventie is vaak minder effectief dan slachtoffergerichte preventie. Verder is dadergerichte preventie het minst effectief bij inwoners van kwetsbare wijken, hoewel dit de belangrijkste doelgroep is van deze preventie. Dit komt omdat de omgevingsfactoren binnen de wijk niet veranderen.
6.8 Het tegengaan van criminaliteit in Nederland en Europa
In de jaren ’70 van de vorige eeuw werd duidelijk dat er voor criminaliteit onder jongeren een andere aanpak moest komen. Vanaf dit moment zien we een duidelijke trend dat men gaat proberen criminaliteit te voorkomen voordat deze heeft plaatsgevonden met preventieve maatregelen. Voor uitvoer van deze maatregelen was ook subsidie van de gemeente aanwezig.
Doelen van deze preventieve maatregelen zijn:
Het inrichten van de stedelijke omgeving zodat delicten zullen worden beperkt.
Het binden van jongeren aan de maatschappij
Toezicht houdende functionarissen aanstellen
Ontwikkelingen in Nederland: In Nederland wordt elk jaar een prijs uitgereikt voor het beste initiatief om criminaliteit te bestrijden. Dit is de Roethofprijs. In Europa bestaat ook een prijs voor het beste initiatief op dit gebied. Dit is de ‘European crime prevention award’.
Een andere belangrijke ontwikkeling in Nederland in de criminaliteitspreventie is het in 1992 opgerichte Nationaal platform criminaliteitsbeheersing.
Om de samenwerking tussen publiek en private te versterken werd in 2001 verder het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) opgericht door de ministeries van Justitie en Binnenlandse zaken in samenwerking met het bedrijfsleven.
Ontwikkelingen op internationaal niveau: In veel landen (waaronder Nederland) worden de eerste initiatieven voor criminaliteitspreventie door de politie genomen. Bij veel landen bleek ook dat bij initiatieven afkomstig van de politie, het lastig was om andere instellingen te mobiliseren.
In 2001 is door de Europese commissie het Europees Netwerk Criminaliteitspreventie opgericht. Deze commissie moet de uitwisseling van succesvolle initiatieven op het gebied van criminaliteitspreventie bevorderen.
Hoofdstuk 7: Doelstellingen van wettelijk straffen
De studie naar de doelstellingen van het wettelijk straffen wordt penologie genoemd. Het betreft niet alleen de door rechters opgelegde straffen en maatregelen, maar ook alle andere strafrechtelijke sancties.
In de jaren zestig van de vorige eeuw kwam de studie naar de penologie op gang. In het begin richtte deze studie zich voornamelijk op de gevangenisstraf en hoe deze individuen moest voorbereiden voor hun terugkeer in de samenleving. Verder richt de penologie zich op eventuele negatieve effecten van lange vrijheidsstraffen, maar ook op nieuwe trainings- en behandelingsmogelijkheden.
Straffen kennen wij uit onze jeugd. Als je door ouders of leraren gestraft wordt, gaat het meestal om gedragingen die bij de wet niet strafbaar zijn. Deze straffen zijn dan ook informele straffen. Informele straffen behoren niet tot wettelijke sancties of straffen.
In het rechtssysteem kunnen we het burgerlijk recht, het strafrecht, het staats- en bestuursrecht en het tuchtrecht. Op overtredingen uit deze vier rechtsgebieden staan sancties. Criminele gedragingen vormen echter alleen overtredingen van het strafrecht.
Iets mag pas bestraft worden, mits er een wet is die aangeeft dat een gedraging niet mag. Dit principe noemen we Nulla poena sine lege (geen straf zonder voorafgaande wet).
Hoewel het Om en de politie tegenwoordig onafhankelijk straffen kunnen geven, blijven vrijheidsstraffen voorbehouden aan de rechter.
Het strafrecht legt regels vast om bestaande normen te handhaven, maar creëert geen nieuwe normen. Bij het strafrecht draait het veel meer om ethiek dan bij het burgerlijk recht of bestuursrecht.
Oorspronkelijk dienden straffen als wraak van het slachtoffer en zijn familie. Het woord penologie is ook afgeleid van het Latijnse woord ‘poena’ wat straf, boetedoening, pijn en wraak betekent.
Sinds de oudheid wordt er al gediscussieerd over het effect van straffen op criminelen. Uit onderzoek blijkt dat straffen lang niet altijd effectief zijn. Verder doet het strafrecht leed toe aan de burgers, wat niet als vanzelfsprekend wordt gezien. Hoewel het strafrecht het goede nastreeft, snijdt het zichzelf met de straffen wel in zijn vingers.
Tegenwoordig vinden veel Nederlanders de door de rechter opgelegde straffen niet zwaar genoeg.
7.2 Het nut van straffen
7.2.1 Inleiding
In het strafrecht kunnen drie hoofdgroepen van strafrechtstheorieën worden onderscheiden: De relatieve theorieën, de verenigingstheorieën en de absolute theorieën.
7.2.2 Vergeldings- of gerechtigheidtheorie
De meest voorkomende straffen zijn gericht op vergelding. Dit zijn de absolute theorieën. Dit principe wordt aangeduid met ‘een oog om een oog’ of ‘een tand om een tand’. De straf moet wel evenredig zijn aan het misdrijf dat iemand heeft begaan, dus niet ‘een oog om een tand’.
De Duitser Emmanuel Kant was één van de belangrijkste aanhangers van de vergeldingsleer.
Ook Friedrich Hegel is een belangrijke speler in de vergeldingsleer. Volgens hem is de rechtsorde een algemene wil (de ‘these’ of de ‘position’). De bijzondere wil staat hier tegenover, dit is de ‘negation’ of ‘anthithese’.
Vergeldingsstraffen of absolute theorieën zoals in de tijd van Kant en Hegel werken niet in de moderne rechtsstaat. Straffen dienen ertoe de samenleving veiliger te maken. Er hoeft dus niet altijd gestraft te worden en verder is het ook niet zo dat een straf hetzelfde moet zijn als wat de dader zijn slachtoffer toedeed. Ook doen, in een seculiere staat, argumenten als dat de dader zich met God moet verzoenen niet ter zake.
Een ander argument tegen vergelding is dat men ook daders humaan moet behandelen. Vaak zijn zij bijvoorbeeld niet in staat rationeel na te denken of zijn zij zelf slachtoffer van hun eigen stoornis.
Bij ernstige misdrijven bestaat vaak wel de behoefte van vergelding onder het slachtoffer en diens omgeving. De straf die de dader krijgt zorgt vaak voor genoegdoening van het slachtoffer en voorkomt verder eigenrichting.
7.2.3 Generale en speciale preventie
Generale en speciale preventie of de relatieve theorieën zijn er op gericht begane fouten in de toekomst te voorkomen. Straf dient hier als een sociaal instrument. Relatieve theorieën zijn vaak in strijd met absolute theorieën.
Speciale preventie is gericht op gevaarlijke individuen, generale preventie is gericht op mensen in het algemeen omdat zij allemaal potentiële wetsovertreders zijn. Volgens de relatieve theorie is een criminele daad geen reden om te straffen, maar eerder een aanleiding. Op moreel gebied is een volledige instrumentele benadering van het straffen niet haalbaar.
Speciale preventie: Dit is preventie die is gericht op toekomstig gedrag van een individuele dader. Het gaat hierbij om een bekende dader waarvan voorkomen moet worden dat deze verder feiten zal plegen.
Het effectiefste middel hiertegen is de doodstraf die wij in Nederland niet meer kennen.
Maatregelen die in veel landen dienen om delicten van de dader in de toekomst te voorkomen zijn:
(Langdurige) opsluiting: op deze manier wordt de dader tijdelijk onschadelijk gemaakt.
Behandeling of heropvoeding van de dader
Afschrikking van de dader
Een belangrijke vraag binnen de criminologie is welke maatregel onder welke omstandigheden effect kan hebben. Van verbetering na gevangenisstraf blijkt in praktijk vaak weinig terecht te komen.
Toch is dit geen reden om dan maar geen gevangenisstraf te geven en altijd voor een adere optie te gaan. Een vrouw die bijvoorbeeld in een opwelling van razernij de vriendin van haar man vermoord zal dit niet snel weer doen. Verder hoeven hier ook geen mensen afgeschikt te worden omdat dit gaat om een impulsief misdrijf waar van tevoren geen plannen voor zijn gemaakt. Toch kun je deze vrouw niet zomaar vrijuit laten gaan haar straffen feitelijk geen maatschappelijk nut dient. De vrouw moet onder andere gestraft worden voor de familie van het slachtoffer, maar ook zodat men niet zomaar met een dergelijk misdrijf weg kan komen.
Verder worden psychische behandelingen onder dwang alleen in uitzonderlijke gevallen toegestaan. De vraag welk recht de overheid heeft om via psychiatrie de levenswijze van de patiënt ingrijpend te veranderen speelt hier een belangrijke rol in. Het maatschappelijk belang en het persoonlijk belang van de dader moeten hierbij tegen elkaar worden afgewogen.
In het Nederlandse strafrecht wordt tbs (terbeschikkingstelling van de regering) gebruikt voor daders met geestelijke stoornissen. Dit is een sanctie waarvan de duur van tevoren niet bepaald is.
Langdurige opsluiting: In Nederland worden mensen in zeldzame gevallen ook levenslang vastgehouden. Het idee hierachter is dat, zolang deze mensen niet in de samenleving zijn, zij buiten de gevangenis geen slachtoffers kunnen maken. Mensen die in Nederland echt voor de rest van hun leven opgesloten zitten zijn in aantal zeer beperkt. Het gaat hier om een aantal uitzonderingsgevallen wat in de meeste gevallen zedendelinquenten zijn.
In Amerika ligt dit anders. Hier wordt voor recidivisten het ‘three-strikes and you’re out’
Principe gehanteerd. Dit principe is erop gericht dat recidivisten bij de derde overtreding (bijvoorbeeld een geweldsdelict) een minimumstraf van levenslang krijgen. In Amerika ken je verder ook supermaximum security prisons’’. Hierin heerst een streng regime en volgens verschillende mensenrechtenorganisaties voldoen deze niet aan de rechten van de mens. Penologische kennis speelt hierbij nauwelijks nog een rol. Dit zijn vooral belangrijke speerpunten bij verkiezingscampagnes.
In Nederland werd in 2011 gekeken naar mogelijkheden voor het instellen van minimumstraffen. Hiervoor wordt Amerika niet als voorbeeld genomen, maar in veel andere Europese landen bestaan deze minimumstraffen al.
Algemene of generale preventie: Generale preventie heeft als doel om door middel van strafoplegging het gedrag van bepaalde risicogroepen of de hele bevolking te beïnvloeden. Door het opleggen en uitvoeren van straffen moeten potentiële plegers van delicten worden afgeschikt.
Volgens de theorie van de negatieve generale preventie van Feuerbach biedt de dreiging van straf een tegenargument om een delict niet te plegen. Het nadeel van de straf moet groter zijn dan het genot wat de delinquent mogelijk uit zijn daad weet te halen.
In sommige gevallen werkt deze strafbaarstelling niet en bereikt deze juist het tegenovergestelde effect. Door gebruik van alcohol of softdrugs strafbaar te maken, bestempel je deze als verboden vruchten worden deze middelen voor sommige mensen juist aantrekkelijker.
Andere kritiek is dat mensen vaak niet bewust voor- en nadelen tegen elkaar afwegen wanneer zij op het punt staan een delict te plegen. Vaak handelen mensen impulsief, dit is in de meeste gevallen het geval voor chronische delinquenten. Zij kunnen bijvoorbeeld moeilijk hun bevrediging van behoeften uitstellen.
Vaak zijn delinquenten er ook van overtuigd dat ze niet zullen worden gepakt. Het nadeel van de straf is dan niet op de voorgrond aanwezig.
7.2.4 Combinatie van de absolute en de relatieve theorie:
Volgens de verenigingstheorie moeten de absolute en relatieve theorie worden verenigd. In Nederland is dit de leidende basistheorie. Het is niet voldoende om je alleen te richten op vergelding of juist alleen op preventie. Bij sanctionering moet naar beiden gekeken worden en moeten continu afwegingen gemaakt worden. Bij verkeersovertredingen mag bijvoorbeeld niet een onmatig hoge straf worden gegeven, hoewel generale preventie hier voorop staat.
Voor delicten liggen de straffen vast binnen een bepaalde bandbreedte waarvan niet te veel afgeweken kan worden. Voor een straatroof ligt deze bandbreedte bijvoorbeeld tussen 6 maanden en 3 jaar. Hoe lang de straf wordt hangt af van de omstandigheden.
Bij zwaardere vergrijpen zal de officier vooral aandacht schenken aan vergelding en generale preventie. Bij lichtere vergrijpen speelt vaan de resocialisatie van de dader een belangrijke rol in de straf aanmeting.
Er is geen algemene aanpak om delicten te veroordelen. Er moet altijd wel aandacht blijven bestaan voor de omstandigheden en het individu. Doel is wel altijd het herstel van de rechtsorde en het verhogen van de veiligheid in de samenleving.
7.2.5 overzicht van de theorieën en de doelen hiervan
Relatieve theorieën: Het doel hiervan is generale preventie of speciale preventie. Bij speciale preventie zijn de doelen: Het voorkomen van recidive van de dader door hem af te schrikken met het effect van de straf, Voorkomen van recidive door de dader te genezen of resocialiseren. Verder wordt de maatschappij veiliger door de dader op te sluiten of onder toezicht te stellen.
Bij generale preventie zijn de doelen: Normbevestiging en het afschrikken van mogelijke daders.
Absolute theorieën: Het doel hiervan is vergelding. Doordat de dader een straf krijgt, wordt zijn schuld aan de maatschappij vereffend en wordt de rechtsorde hersteld. Ook geeft dit het slachtoffer een gevoel van genoegdoening.
Verenigingstheorieën: Centraal bij de verenigingstheorie staat het principe dat de straf in proportie moet zijn aan het gepleegde delict en de schuld van de dader. Het doel hiervan is een beneden en bovengrens te stellen voor de vergelding. Deze worden bepaald door de schuld van de dader en de ernst van het misdrijf. Verder spelen sociale en generale preventie hierbij een rol.
7.3 Hoe effectief zijn straffen?
7.3.1 Inleiding
Naast de doelstellingen van paragraaf 7.2, moet er gekeken worden naar hoe effectie sancties zijn om deze doelstellingen te bereiken.
7.3.2 effectiviteit van straffen bij de absolute theorie (vergelding)
Straffen kunnen een bijdrage leveren aan het oplossen van het conflict tussen de dader en het slachtoffer. Verder kunnen straffen voor de dader het slachtoffer genoegdoening bieden. Of de sanctie als gevolg heeft dat het conflict tussen de dader en het slachtoffer is opgelost, hangt af van in welke mate de geleden schade door de dader vergoed wordt. In heel veel gevallen wordt er overigens niet gestreefd naar verzoening omdat dit niet altijd een realistisch doeleinde is.
Doordat de dader gestraft wordt, is straffen volgens de absolute theorie altijd in bepaalde mate effectief. De dader krijgt straf voor wat hij heeft gedaan en dit bevredigd de vergeldingsbehoefte van het slachtoffer of diens omgeving.
7.3.3 Effectiviteit van straffen bij de relatieve theorie (speciale preventie)
Bij conditionering via straffen zijn de volgende factoren (die ook bij algemene socialisatie een rol spelen) van belang:
Psychologische kenmerken
Informatieverwerking
Internaliseren van normen en waarden
Sociale factoren
Strafgevoeligheid
Positieve alternatieven
Psychologische kenmerken: De dader moet conditioneerbaar zijn. Dit hangt samen met persoonlijkheidstrekken als impulsiviteit en het vermogen hebben dat mogelijke straffen je afschrikken. Niet alle daders zijn in dezelfde mate conditioneerbaar.
Informatieverwerking: Een dader moet in staat zijn informatie te verwerken. Dat hij de relatie tussen zijn daden en de straf begrijpt is van groot belang voor de effectiviteit van de straf.
Internaliseren van normen en waarden: Een delinquent moet een band hebben met een samenleving voordat een straf tot een gedragsverandering kan leiden. Als de delinquent geen band met de samenleving heeft, zal deze de normen en waarden van de samenleving alleen nakomen voor zover dit strookt met zijn eigenbelang en dus toch de regels overtreden.
Sociale factoren: Als de sociale omstandigheden van de dader niet goed zijn, zal een straf waarschijnlijk geen daadwerkelijke verandering als gevolg hebben. Het kan zijn dat een straf de binding van de delinquent met de criminele subcultuur juist versterkt. De sociale factoren worden aangeduid met de 3 w’s (werk, wijf en woning). Straffen zijn een laatste middel als vormen om op ongewenst gedrag te reageren als andere minder ingrijpende middelen hebben gefaald.
Strafgevoeligheid: De delinquent moet strafgevoelig zijn, wil een straf effectief kunnen werken. De strafgevoeligheid hangt af van de werking van bepaalde hormonen en van de responsiviteit van het autonome zenuwstelsel.
Positieve alternatieven: Of er een gedragsverandering optreedt bij een delinquent na een straf, hangt ook samen met zijn toekomstperspectieven en of hem nieuwe kansen worden geboden. Dit gaat overigens niet voor iedereen op, omdat sommige mensen alsnog niet in staat zijn om te veranderen.
Gendreau en Lösel: Gendreau en Lösel zijn er van overtuigd dat zelfs hardnekkig recidivisten uiteindelijk met de juiste hulp op het goede pad kunnen komen. Voorwaarden hiervoor zijn volgens hun:
Goede theoretische concepten
Extra zorg voor daders met bijzondere risico’s
Een voldoende assessment met betrekking tot de dader
Een gestructureerde en herkenbare omgeving voor de delinquent
Cognitieve, gedrag- en multimodale interventies
Een Focus op de criminogene tekorten van de individuele dader
Een daadkrachtige selectie, individuele training, ondersteuning en supervisie van het personeel
Voldoende nazorg
Het versterken van de biologische beschermingsmechanismen van de delinquent
Delinquenten moeten een therapeut en programma krijgen wat op hen persoonlijk is afgestemd.
Wat werkt er en wat niet?
Uit onderzoek is gebleken dat afschrikking met straffen in de meeste gevallen niet leidt tot recidivereductie. Het opleggen van boetes werkte bij sommige groepen wel en hier was minder recidive te zien.
Methadontherapie blijkt niet te werken en levert geen recidivereductie op.
Selectieve insluiting na detentie van daders met recidiverisico werkt soms. Dit is er onder andere van afhankelijk de persoon met een verhoogt recidiverisico tijdig wordt geïdentificeerd.
Resocialisatie door middel van Boot Camps leidt volgens onderzoek niet to recidivevermindering.
Resocialisatie door educatie, behandeling en werkprogramma’s leidt wel in veel gevallen tot een vermindering van recidive. Opvallend hierbij is dat kortlopend arbeidsprogramma’s succesvoller zijn dan langlopende programma’s.
Onderzoek naar recidive: De Nederlandse recidivemonitor die recentelijk is ontwikkeld is een lange termijn onderzoeksproject waarbij recidive wordt gemeten. Hiervoor wordt informatie gebruikt die beschikbaar is bij het OBJD (onderzoeks- en beleidsdatabase justitiële documentatie). Dit is informatie over criminaliteit die door het Openbaar Ministerie is vervolgd. Uit dit onderzoek blijkt onder andere dat mannen vaker recidiveren dan vrouwen. Verder blijkt dat delinquenten van gewelddadige vermogensdelicten sneller recidiveren dan daders van vermogensdelicten waarbij geen geweld is gebruikt. Ook blijkt dat het recidivepercentage bij mensen met een korte voorwaardelijke vrijheidsstraf verreweg het grootst is. Een andere conclusie die uit het onderzoek van Wartna, Tollenaar en Essers getrokken kan worden is dat hoe meer contacten men met justitie had voor zijn detentie, des te waarschijnlijk het is dat de persoon na zijn attentie weer in de fout gaat. Ook kwamen zij tot de conclusie dat delinquenten die in Nederland geboren zijn minder vaak recidiveren dan delinquenten afkomstig uit Suriname, Aruba of de Nederlandse Antillen.
Cavender:
Cavender kwam na onderzoek tot de volgende uitspraken omtrent straffen na een delict:
Snelheid: De straf moet onmiddellijk na het delict worden opgelegd.
Zwaarte: De straf moet zwaar genoeg zijn om een effect te kunnen hebben.
Zekerheid: Het moet nagenoeg onmogelijk zijn om aan de straf te kunnen ontkomen.
Zeer langdurige vrijheidsstraffen moeten worden vermeden omdat delinquenten dan geïsoleerd worden van een sociale omgeving.
Naast het straffen moeten er beloningen worden gegeven: De delinquent moet bij zijn terugkeer in de samenleving een kans krijgen op een betere sociale situatie (bijvoorbeeld werk).
Langzame verzwaring bij opeenvolgende straffen moet worden vermeden omdat dit tot gewenning leidt
Het gedrag van de delinquent mag niet worden versterkt: in de gevangenis heerst een crimineel milieu waarmee een delinquent kan worden ‘besmet’.
7.3.4 Effectiviteit van straffen bij de relatieve theorie (generale preventie)
Zonder strafrecht en regelgeving zou chaos ontstaan en het recht van de sterkste gelden. Daarom kent elk land regelgeving. Dat verder een voldoende hoge pakkans van belang is bij criminaliteitspreventie werd duidelijk toen de Duitsers in Denemarken in 1944 de politie in hechtenis nam en wegstuurde. Gelijk nam de criminaliteit toe terwijl de straffen die op delicten stonden zelfs waren verhoogd.
Een gedeelte van de zware misdrijven kan door het strafrecht nauwelijks worden teruggedrongen omdat deze misdrijven worden impulsief gepleegd zonder planning waardoor de persoon die het delict pleegt niet of nauwelijks rekening houdt met de strafdreiging.
Mensen die door justitie goed behandeld worden, zullen zelf ook sneller geneigd zijn zich aan de gestelde regels te houden.
Er zijn drie belangrijke factoren die bepalen of een generaal preventieve straf werkt:
Binnen de bevolking moet het draagvlak voor de gestelde norm groot genoeg zijn.
De bevolking moet de gestelde norm kennen en begrijpen.
De pakkans moet groot genoeg zijn.
Het duidelijk laten zien dat dingen worden gecontroleerd heeft een groot effect op het gedrag van potentiële regelovertreders. Zo zullen mensen minder zwart rijden als er duidelijke, zichtbare controles plaatsvinden. Verder zullen mensen door flyers waarin gewild gedrag wordt gestimuleerd, of door aankondigingen van controles zich sneller aan de regels houden. Mensen die kortere tijd zich niet aan de regels houden zijn over het algemeen makkelijker te overtuigen dit toch te doen dan mensen die al langer de regels overtreden.
Generale preventie heeft het grootste effect op kleinere, neutrale delicten waarbij nauwelijks emoties in het spel zijn zoals verkeersovertredingen. Door middel van voorlichtingen en handhavinginspanningen kan hierbij een groot effect bereikt worden.
7.4 Interventietrap
Een interventietrap kan gebruikt worden om te zien tot welke categorie dader een delinquent behoort. In interventietrap is de weergave van het aantal gepleegde delicten in een grafiek over een bepaalde tijd.
Hoofdstuk 8 Het Nederlandse sanctiestelsel
8.1 Inleiding
Dit hoofdstuk geeft een overzicht van het sanctiestelsel in Nederland zoals dat in het wetboek van strafrecht voorkomt.
8.2 straffen voor meerderjarigen
8.2.1 Het strafstelsel
In het Nederlandse Wetboek van Strafrecht kunnen we onderscheid maken tussen hoofdstraffen, bijkomende straffen en maatregelen.
Hoofdstraffen:De vier soorten hoofdstraffen zoals we die in Nederland kennen zijn hechtenis, gevangenisstraf, taakstraf, en een geldboete.
Hechtenis: Dit is een lichtere vorm van gevangenisstraf die wordt opgelegd bij minder zware overtredingen. De straf duurt minstens één dag en maximaal een jaar (in bijzondere gevallen 1 jaar en 4 maanden).
Gevangenisstraffen: Gevangenisstraffen zijn tijdelijk of levenslang. Een tijdelijke gevangenisstraf duurt van 1 dag tot 15 jaar. In uitzonderlijke gevallen kan de straf oplopen tot 30 jaar. Dit kan indien er van tevoren door de rechter met levenslang was gedreigd, bij schending van bijzondere ambtsplichten, bij terrorisme, als men meerdere delicten heeft gepleegd of bij recidive.
Taakstraffen: De taakstraf werd in 2000 als zelfstandige hoofdstraf geïntroduceerd en heeft een maximale duur van 480 uur. De taakstraf kan gegeven worden bij ieder delict waar een boete of vrijheidsstraf op staat.
Geldboete: Dit is het bedrag dat men moet uitbetalen aan de staat als hij een regel overtreedt waar volgens de wet een geldstraf op staat. Het minimum van een geldboete is 3 euro. Boetes zijn verdeeld in 6 categorieën waarvan de hoogste categorie een maximum boete heeft van 760.000 euro.
Bijkomende straffen: Bijkomende straffen kunnen apart opgelegd worden door de rechter, maar ook gegeven worden in combinatie met hoofdstraffen. Verder mogen er meerdere bijkomende straffen worden gegeven. De drie belangrijkste bijkomende straffen zijn:
Openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak
Verbeurdverklaring
Ontzegging van sommige rechten zoals de rijbevoegdheid
Een rechter kan verder voorwaarden stellen waaronder de straf moet worden uitgezeten of een gedeelte van de straf voorwaardelijk geven. Indien de delinquent voldoet aan de opgegeven voorwaarden, zal hij een gedeelte van zijn straf niet hoeven uit te zitten. Voorwaarden van voorwaarden zijn dat de verdachte indien hij op vrije voeten is geen misdrijf pleegt of dat er een borgsom wordt betaald. Bij naleven van deze voorwaarden kan de veroordeelde bovendien steun krijgen van een reclasseringsinstelling.
Maatregelen: Andere maatregelen, door de rechter besloten, die mogen worden genomen tegen delinquenten zijn:
Schadevergoeding
Niet meer mogen deelnemen aan het verkeer
Het ontnemen van een wederrechterlijk verkregen voordeel
Terbeschikkingstelling (TBS) bij stelselmatige daders
Plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis
TBS wordt slechts gegeven bij de zwaarste strafbare feiten. De afgelopen jaren is het aantal taakstraffen dat wordt gegeven flink gegroeid.
8.2.2 De doodstraf en Nederland en Europa
In 1870 werd in Nederland de doodstraf afgeschaft (in het begin niet voor de kolonieën). In 1943 werd de doodstraf weer ingevoerd voor delicten die tijdens de Duitse bezetting waren gepleegd. In 1983 werd de doodstraf definitief afgeschaft door de toevoeging van artikel 114 in de Grondwet. De afschaffing van de doodstraf ligt vast in het Eurpese verdrag van de Rechten van de mens. Aansluiting bij dit verdrag is verplicht om tot de EU te mogen toetreden.
In China wordt de doodstraf het vaakst uitgevoerd. Mensenrechtenorganisaties zijn tegen de doodstraf omdat deze voor de betrokken maar ook voor familie als onmenselijk wordt gezien. Een belangrijk bezwaar tegen de doodstraf is verder de onherstelbaarheid ervan. Nog steeds wordt de doodstraf voltrokken bij mensen die achteraf onschuldig blijken te zijn. Een ander bezwaar is dat juist daders die een dergelijk ernstig misdrijf plegen, zelf vaak ernstige psychische problemen hebben. Ook blijkt dat in de V.S. zwarte delinquenten eerder voor een zelfde misdrijf de doodstraf krijgen dan blanke delinquenten. Hier is dus sprake van discriminatie. Een ander belangrijk bezwaar tegen de doodstraf is dat de staat deze gruwelijke daad uitvoert om een misdrijf te bestraffen. De staat is hiermee ook zelf schuldig aan het toedoen van leed aan een burger en op de rest van de bevolking kan dit negatief werken. De staat geeft hiermee ook het verkeerde voorbeeld aan de burgers.
Ehrlich en Hood kwamen los van elkaar tot de conclusie dat het afschaffen van de doodstraf niet leidt tot een toename aan zware misdrijven.
In Nederland stond in 2008 59% van de mensen achter de afschaffing van de doodstraf. 13% van de mensen wilde de straf opnieuw invoeren voor alle ernstige delicten. 26% wilde de doodstraf slechts invoeren bij hele ernstige delicten zoals terroristische aanslagen waarbij veel slachtoffers vallen.
8.2.3 Gevangenisstraf
Een vrijheidsstraf heeft de functie de delinquent tijdelijk uit de maatschappij te verwijderen zodat men geen last heeft van hem maar ook om hem duidelijk te maken waar de grenzen liggen. Een gevangenisstraf mag alleen gegeven worden als deze straf in relatie staat met de ernst van het delict en de schuld van het slachtoffer.
Tijdelijke gevangenisstraf: In Nederland worden weinig langdurige gevangenisstraffen gegeven. In 2007 werden er 112 gevangenisstraffen gegeven van 5 tot 8 jaar, 29 tussen de 8 en de 12 jaar en slechts 2 voor langer dan 12 jaar.
Levenslange gevangenisstraf: De rechter heeft altijd de keuze tussen een tijdelijke of een levenslange gevangenisstraf bij ernstige delicten. De straf wordt als onmisbaar beschouwd omdat deze in uiterste gevallen toch bescherming biedt van de belangrijke rechtsgoederen. Door veel mensen wordt de straf toch als onmenselijk gezien omdat deze de persoonlijkheid van de dader ernstig aantast.
De functie van de levenslange gevangenisstraf is voornamelijk beveiligend omdat deze persoon zo lang hij vastzit geen delicten kan plegen en de samenleving hiertegen beschermt is. In Nederland wordt de straf slecht heel zelden gegeven. Kans op vervroegde vrijlating is er in Nederland nauwelijks bij deze straf.
Aantal gevangenen: De afgelopen jaren is het aantal plaatsen in het gevangeniswezen sterk gedaald. Een uitleg hiervoor is de daling van ernstige geweldsmisdrijven. Verder speelt het ook een rol dat rechters overtredingen op de Opiumwet veel afdoen. Ook hebben taakstraffen de afgelopen jaren in veel gevallen gevangenisstraffen vervangen.
Het aantal mensen dat jaarlijks vlucht uit penitentiaire inrichtingen is sinds de jaren ’90 erg afgenomen. 14 op de 1000 gevangen ontsnapte in 1990 en in 2007 waren dit er minder dan 0,5 per 1000 gevangenen.
De beleving van de gevangenschap: Uit enquêtes die gehouden worden onder gevangen blijkt dat het grootste gedeelte van de gevangen (70%) zich veilig voelt in de gevangenis. Positief zijn gevangen ook over de omgang met het personeel. Het minst tevreden zijn gevangen over het huis van bewaring en over een cel delen met meerdere mensen. Verder zouden zij willen dat ze beter werden voorbereid op hun terugkeer in de samenleving.
Gevangenispopulatie wereldwijd: Over de wereld worden bijna 10 miljoen mensen vastgehouden in gevangenissen. In Scandinavië heerst een mild strafklimaat. Nederland, Frankrijk en Duitsland behoren tot landen met een gematigd strafklimaat. In Het Verenigd Koninkrijk en vroegere communistische landen als Bulgarije, Roemenië en Hongarije zitten meer mensen vast. De voormalige communistische Baltische landen hebben de meeste gevangen , dit aantal is ongeveer 3 keer zo hoog als bij de Scandinavische landen.
De prijs van vrijheidsstraffen: Vrijheidsstraffen zijn duur. Gemiddeld kost een gedetineerde in Nederland tussen de €231 en €483 per dag. Dit is afhankelijk van de aard van de gesloten inrichting. Een dag in een TBS kliniek is het duurst en kost gemiddeld €543 per dag.
Nadelen van gevangenisstraffen: Belangrijke nadelen van gevangenisstraffen voor gedetineerden zijn financiële problemen, stigmatisering, slachtofferschap van geweld en ongewenste intimiteiten en depressie. Verder kunnen gevangenisstraffen ook negatieve gevolgen hebben voor andere mensen in de sociale omgeving van de gedetineerde. Dit is bijvoorbeeld het geval als een alleenstaande moeder met jonge kinderen komt vast te zitten. Een ander negatief effect van gevangenisstraf op mensen is prisonisatie. Dit houdt in dat de gedetineerde waarden, normen en gedragspatronen overneemt van andere gedetineerden.
Skykes: Volgens de theorie van Skykes zijn er ‘five pains of imprisonment’ (verlies van materiële en immateriële goederen, verlies van de vrijheid, verlies van seksuele relaties, autonomie en te weinig preventie van andere gevangen). Deze leiden tot een laag gevoel van eigenwaarde van de gevangene. De negatieve socialisatie (prisonisatie) gebruikt het individu als een overlevingsstrategie.
Irwin en Cressey: Zij ontwikkelden het ‘importation model’ en zien dit als een verklaring voor prisonisatie. Volgens deze theorie is de gevangenissubcultuur een voortzetting van criminele subculturen die in de maatschappij bestaan. De veroordeelden nemen de normen en waarden uit deze subcultuur mee de gevangenis in.
De vorming van deze subculturen binnen een gevangenis blijkt te kunnen worden tegengegaan door het beleid wat er in de inrichting wordt gevoerd.
De toekomst van het gevangeniswezen: Er wordt naar gestreefd de negatieve effecten van detentie te verkleinen en de effectiviteit van gevangenisstraffen te vergroten. Er moet meer aandacht komen voor individuen en de doelstelling is om in 2020 de mate van recidive met 25 % te hebben verminderd. Tijdens de detentie moet meer aandacht worden besteed aan de voorbereiding van de gedetineerde om weer in de maatschappij terug te keren. Om dit beter te laten verlopen zijn gedetineerden ingedeeld in 6 groepen: kort verblijvende, bijzondere groepen met extra zorg- of beheersbehoefte, strafrechtelijke vreemdelingen, lang verblijvende en vrouwen.
Verder is bepaald dat verlof hoort bij een voorbereiding voor het terugkeren in de maatschappij.
Dagritme: Een dagprogramma biedt de gedetineerde structuur en het stimuleert verder de eigen verantwoordelijkheid van de gevangene. Gevangen krijgen de mogelijkheid een opleiding te volgen in de gevangenis wat later hun kansen op de arbeidsmarkt moet vergroten. Voor €0,76 per uur kunnen gedetineerde werken in de gevangenis. Dit vergroot hun kansen als ze weer terugkomen in de maatschappij doordat ze eraan wennen te werken. De medewerkers van de maatschappelijke dienst helpen gedetineerde tijdens hun straf al om in de plaats waar zij zich zullen vestigen een netwerk op te bouwen. Zij helpen met basisvoorwaarden als werk en inkomen, schuldsanering, zorg, oplossen van problemen, een identiteitsbewijs en huisvesting.
PP (Penitiaire programma’s): Als men voorwaardelijk vrij komt moet men een aantal activiteiten verrichten. Hier wordt nog toezicht op gehouden. Als men uit een gesloten inrichting komt is dit toezicht elektronisch. Doel van dit programma is het vinden van werk, een opleiding en gedragstraining voor de delinquent. Niet iedereen komt in aanmerking voor een pp. Iemand moet hiervoor ten minste een half jaar vast hebben gezeten.
Voorwaardelijk vrij: Voorwaardelijke invrijheidstelling (VI) moet tijdens de straf worden verdiend met goed gedrag. De proeftijd is daarnaast verbonden aan een aantal voorwaarden. Als de delinquent zich niet aan deze voorwaarden houdt wordt zijn vrijheidstelling herroepen. De politie en reclassering voeren in de tussentijd hierop controle uit.
8.2.4 Geldboetes
Geldboetes zijn de meest voorkomende hoofdstraf. De straf is populair omdat deze voor de overheid goedkoop is. Een nadeel van een geldboete is dat deze door een ander kan worden betaald hoewel deze natuurlijk bedoeld is voor de persoon die een delict heeft gepleegd. De rechter moet volgens de wet bij het uitdelen van een boete rekening houden met de draagkracht van de dader.
Geldboetes worden geïnd door het CJIB (Centraal Justitieel Incasso Bureau). Als men niet betaalt wordt men in vervangende hechtenis genomen.
8.2.5 Alternatieve straffen
Door delinquenten een vrijheidstraf te laten uitzitten in eigen woning kunnen verschillende negatieve effecten die in een gevangenis mogelijk zouden optreden voorkomen worden. In Nederland wordt in sommige gevallen het laatste gedeelte van de straf al thuis uitgezeten met een enkelband maar er zijn ook proeven gedaan met een kleine straf in zijn geheel onder elektronisch toezicht uitzitten. Nu er geen cellentekort is, is men met dit onderzoek gestopt omdat het geen prioriteit heeft.
8.2.6 Wet Taakstraffen
De Wet Taakstraffen werd geïntroduceerd in 2001. Door intrede van deze wet werden taakstraffen een zelfstandige hoofdstraf. De straffen kunnen bij elk delict waar een vrijheidsstraf op staat worden toegepast en kunnen ook naast een vrijheidsstraf korter dan 6 maanden worden toegepast.
Naast taakstraffen kunnen er ook leerstraffen worden opgelegd aan volwassenen. Wanneer een taakstraf niet naar behoren wordt uitgevoerd, volgt een vrijheidsstraf. Het OM mag tot dit besluit van omzetting over gaan. Ook voor gewelddelicten worden vaak taakstraffen gegeven. Een vierde van alle taakstraffen bestaat uit straffen voor gewelddelicten. Recidivepercentages bij taakstraffen wijken niet af van die bij gevangenisstraffen.
8.2.7 Maatregelen
In het Wetboek van Strafrecht komen naast straffen ook verschillende maatregelen voor die genomen kunnen worden bij delicten zoals:
TBS
Vernieuwing forensische zorg
Inrichting stelselmatige daders
Voordeelontneming
TBS: Er zijn twee soorten TBS die kunnen worden opgelegd: TBS onder dwang en TBS met voorwaarden. TBS onder dwang wordt voor een periode van minstens 2 jaar opgelegd. Tot voorwaarden behoort bijvoorbeeld het nemen van medicatie of het laten opnemen in een gewone instelling. Bij de groep die TBS met voorwaarden krijgt, wordt het recidiverisico teruggedrongen door deze voorwaarden.
Het aantal TBS-ers op de populatie van delinquenten is klein. De tijd waarvoor TBS wordt opgelegd groeit wat tot gevolg heeft dat er weinig ruimte is voor TBS-ers. Het ruimtegebrek is de laatste jaren grotendeels opgelost.
Tegenwoordig kennen TBS klinieken ook een longstafafdeling waar chronische patiënten worden behandeld. Een groot gedeelte van de delinquenten die hier verblijven zijn pedofielen. Er wordt tegenwoordig steeds minder vaak toestemming gegeven voor verlof van TBS-ers hoewel verlof een belangrijk deel uitmaakt van de behandeling. Er is een groot risico op recidive.
Vernieuwing forensische zorg: In de forensische zorg wordt er naar vernieuwingen gestreefd dat iedereen die behandeling nodig heeft deze zal krijgen. Verder worden de regels voor een onvrijwillige opname verruimd. Veel mensen die psychische problemen hebben komen in de gevangenis terecht. Door deze mensen de zorg te bieden die ze nodig hebben zullen deze mensen minder snel recidiveren.
Inrichting stelselmatige daders: Vanaf 2001 was er de mogelijkheid om stelselmatige delictplegers met een verslaving voor een periode van maximaal 2 jaar te plaatsen in een Strafrechtelijke opvanginrichting verlaafden. Sinds 2004 is dit veranderd in een plaatsing in een Inrichting voor Stelselmatige Daders met als doel dat ook andere stelselmatige daders hier vastgehouden kunnen worden. Een plaatsing in de ISD is voor 3 doelgroepen:
Veelplegers die niet geschikt zijn voor een gedragstherapie maar wel zorg nodig hebben. Tijdens de ISD worden zij verwezen naar de nodige zorginstantie.
Ongemotiveerde en onwillige veelplegers. Deze moeten in de gevangenis blijven tot ze mee willen doen aan een programma met interventies en zorg op maat.
Beïnvloedbare, gemotiveerde veelplegers. Deze krijgen een gedragsinterventie aangeboden die gericht is op re-integratie in de samenleving.
Voordeelontneming: Bij grotere beroepscriminelen behoort een vrijheidsstraf vaak tot een ingecalculeerd bedrijfsrisico. Sinds 1993 zijn bij de wet de mogelijkheden verruimd om wederrechterlijk verkregen voordeel af te nemen van daders. Door crimineel geld weg te nemen wordt voorkomen dat dit geld gebruikt wordt voor nieuwe criminele initiatieven. In 2008 bracht deze maatregel ruim 23,4 miljoen euro op voor de staat terwijl dit in 2003 nog maar 10 miljoen was.
8.2.8 schadevergoedingen binnen de strafrechtspleging
Van de daders van strafbare feiten kan tegenwoordig binnen het strafrecht een schadevergoeding worden geëist.
Een politie kan seponeren als door middel van een schadevergoeding het conflict is opgelost en er verzoening heeft plaatsgevonden. Ook het OM kan zaken seponeren, dit gebeurd in mindere mate dan bij de politie. Verder kunnen schadevergoedingen plaatsvinden bij OM transacties.
Verder heeft de rechter ook veel ruimte om een schadevergoeding op te leggen als extra straf. De schadevergoedingsmaatregel werd in 1995 ingevoerd. Sinds 1997 regelt het Centraal Justitieel Incasso bureau de inning van de schadevergoedingen. Schadevergoedingen doen in principe elke betrokkene partij recht aan. Het slachtoffer krijgt een schadevergoeding en de dader moet betalen.
8.2.9 strafbeschikking door het OM
Sinds 2008 mag het OM buiten de rechter om zelf zaken afhandelen met een maximale gevangenisstraf van 6 jaar. Het OM mag de volgende straffen geven: een geldboete, een schadevergoeding aan de staat of het slachtoffer, de dader maximaal 6 maanden onbevoegd verklaren om een voertuig te besturen, een taakstraf van maximaal 180 uur en een ontzegging van deelname aan het verkeer. Bij strafbeschikking door het OM zijn voorwaardelijke sancties niet mogelijk. Ook vrijheidsstraffen moeten altijd door de rechter worden gegeven.
He t OM behandelt ongeveer de helft van alle misdrijven.
8.3 Straffen voor minderjarigen
8.3.1 Inleiding
In Nederland kunnen kinderen vanaf de leeftijd van 12 strafrechtelijk worden vervolgd. In veel andere Europese landen ligt deze leeftijd op 14 jaar. Uit onderzoek is gebleken dat 1 op de 3 kinderen van 10 of 11 jaar weleens een delict heeft gepleegd. Dit kan gaan om fysiek geweld of om het stelen van een gummetje op school. Tegenwoordig is er een nieuwe aanpak voor kinderen beneden de 12 met probleemgedrag. Als de politie een strafbaar feit constateert gepleegd door een kind onder de 12, spreekt deze met de ouders van het kind en begeleid de jongere naar Bureau Jeugdzorg. Hier wordt gekeken naar de problemen van het kind en vinden er interventies plaats die gepast zijn voor de ernst van de situatie met het kind.
Tot 18 jaar vallen kinderen onder het jeugdstrafrecht. Tussen de 18 en 21 jaar kan in sommige gevallen ook nog het jeugdstrafrecht worden toegepast. Andersom kan voor 16- en 17-jarigen het volwassenenstrafrecht worden toegepast. Waaronder een jongere valt heeft te maken met de persoonlijkheid van de dader, maar ook met de ernst van het gepleegde feit.
Het doel van jeugdstrafrecht is voornamelijk om de jongere in kwestie op te voeden. De terugkeer in de maatschappij van de jongere staat in het strafproces centraal. Straffen voor kinderen hebben een pedagogisch karakter, dit pedagogische karakter staat vastgelegd in het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.
8.3.2 Zaken van jongeren die afgedaan worden door het OM en de politie
De politie kan een zaak afdoen door het kind te waarschuwen en de ouders naar het politiebureau te halen bij lichtere vergrijpen. Verder kan een zaak afgedaan worden door de politie door middel van een transactie onder toeziend oog van het OM. Een andere manier waarop de politie een zaak af kan doen is door het kind een Halt-straf te geven. Het OM kan verder ook zaken afdoen door middel van geldboetes, een verbod op het besturen van motorrijtuigen, een gedragsaanwijzing, een schadevergoeding en een taakstraf van maximaal 60 uur.
8.3.3 Het strafsysteem voor jongeren
Net als bij het volwassenen sanctiesysteem, kunnen we bij het strafsysteem van jongeren onderscheid maken tussen hoofdstraffen, bijkomende straffen en maatregelen.
Hoofdstraffen:
Bij een overtreding:
Taakstraf
Geldboete
Bij een misdrijf:
Taakstraf
Geldboete
jeugddetentie
Geldboete: Een geldboete voor jongeren ligt tussen de €3.- en €3800.-
Taakstraf: Een taakstraf voor jongeren kan bestaan uit onbetaald werk of het verrichten van arbeid tot herstel van schade die aangericht was door het strafbare feit. Verder kan een taakstraf ook bestaan uit een werkstraf in combinatie met een leerstraf. Een werkstraf mag maximaal 200 uur duren. De maximale duur van een leerproject is ook 200 uur. Als er meer dan één taakstraf opgelegd is, mogen deze in totaal 240 uur duren.
Jeugddetentie: Voor jongeren tussen de 12 en 16 mag een straf gegeven worden van 1 dag tot 1 jaar. Voor jongeren tussen de 16 en 18 mag maximaal 2 jaar detentie gegeven worden.
Bijkomende straffen: Dit is een verbod op het besturen van een motorrijtuig of een verbeurdverklaring. Deze mogen samen met een maatregel of een hoofdstraf opgelegd worden.
Maatregelen: Maatregelen mogen samen met bijkomende straffen en/of hoofdstraffen gegeven worden. Maatregelen die aan een minderjarigen gegeven mogen worden zijn:
Onttrekking uit het verkeer
Schadevergoeding
Ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel
Plaatsing in een jongeren inrichting (jeugd-TBS)
Een gedragsbeïnvloedende maatregel
Voorwaardelijke straffen: Bij een voorwaardelijke straf kiest de rechter ervoor om de delinquent op basis van goed gedrag een gedeelte van zijn straf niet te laten uitzitten. Dit heeft trouwens niet alleen beperking op vrijheidsbeperkende straffen. De rechter mag hier bijzondere voorwaarden aan stellen zoals dat de delinquent de aanwijzingen van de reclasseringsambtenaar op moet volgen of dat hij intensieve begeleiding moet aanvaarden. Verder kan het zijn dat de dader een leerproject moet volgen, op een bepaalde tijd op een bepaalde plek zich moet melden, een schadevergoeding geven, een verbod op gebruik van alohol of drugs of dat men weg moet blijven van bepaalde locaties. of geen contact mag opnemen met bepaalde personen of instellingen.
TBS voor jongeren: Jongeren kunnen plaatsing in een inrichting voor Jeugdigen (PIJ) of jeugd-TBS krijgen voor een periode van maximaal 2 jaar. Hierna kan deze periode met 2 jaar verlengd worden als het OM dat eist. Verder kan een PIJ maatregel voor maximaal 6 jaar gelden bij ontoerekeningsvatbaarheid.
GBM (Gedragsbeïnvloedende maatregel): Dit is een vorm van een vrijheidsbeperkende straf met een minimale duur van 6 maanden en een maximale duur van 12 maanden. Deze maatregel staat tussen jeugd-TBS en een voorwaardelijke sanctie in. De straf kan alleen gegeven worden als deze in belang is van de ontwikkeling van het kind.
Een gedragsinterventie mag alleen plaatsvinden als er wetenschappelijk is aangetoond dat het model dat gebruikt gaat worden werkt. Dit wordt evidence-based crime prevention genoemd. Gedragsinterventies moeten altijd erkend zijn door de Erkenningscommissie Gedragsinterventies Justitie.
ITB: ITB of individuele trajectbegeleiding wordt alleen gegeven aan jongeren die ernstige delicten hebben gepleegd. Er bestaat een speciale variant van ITB voor allochtonen, deze wordt CRIEM (Criminaliteit in Relatie tot Integratie van Etnische Minderheden) genoemd.
8.3.4 Detentie voor jongeren
Op 7 juli 1994 werd de Wet van het Jeugdstrafrecht herzien. Hierdoor konden jongeren langer vastgehouden worden, maar werd het ook mogelijk alleen taakstraffen of andere alternatieve straffen in plaats van detentie op te leggen. Het aantal taakstraffen groeit hard en het aantal gevallen van jeugddetentie daalde.
8.3.5 Jongeren en taakstraffen
Doel van deze straf is om jongeren duidelijk te maken dat zij met hun daad schaden hebben veroorzaakt aan hun omgeving en deze door middel van een taakstraf te herstellen. Ervaringen met taakstraffen hebben vaak positieve effecten.
Een leerstraf is gericht op het opdoen van kennis. Hierdoor moet het gedrag en de instelling van de jongere verbeteren en dit moet recidive voorkomen. Leerstraffen moeten net als taakstraffen aansluiten bij het individu. Er zijn verschillende instituties die leerstraffen op verschillende gebieden aanbieden. Zo leert ‘Het Slachtoffer in Beeld’ jonge delinquenten over problemen die bij het slachtoffer ontstaan.
8.3.6 HALT-straffen
HALT (Het Alternatief) is een samenwerkingsproject tussen het OM, de politie en gemeenten. Jongeren die een HALT-straf krijgen worden buiten het justitiële circuit gehouden maar het OM heeft hier wel toezicht op. HALT-straffen worden gegeven voor relatief lichte strafbare feiten als een jongere voor de eerste keer in overtreding gaat. De werkzaamheden bestaan voornamelijk uit schoonmaak- en herstelwerkzaamheden. Bij HALT wordt ernaar gestreefd jongeren zo snel mogelijk na hun delict de straf uit te laten voeren.
8.4 Ontwikkelingen
Nadat gevangenisstraffen eerst een tijd lang in tijd zijn toegenomen zijn deze de afgelopen jaren juist minder geworden door een afname van zware criminaliteit.
Er wordt de afgelopen jaren veel bezuinigd in het gevangeniswezen en dit leidt tot een versobering van het regiem. Dit houdt in dat er minder ruimte is voor begeleid verlof, onderwijs, activiteiten, trainingen en minder bewegingsvrijheid en bezoek. Volgens gedetineerden leidt dit er toe dat zij minder goed worden voorbereid voor hun terugkeer naar de samenleving.
Hoofdstuk 9 Slachtofferkunde
9.1 Inleiding
Tot in de jaren ’70 was er nauwelijks aandacht voor het slachtoffer.
Secundaire victimisatie: Als een slachtoffer door justitie en door andere instellingen slecht wordt behandeld en opnieuw wordt getraumatiseerd.
Tegenwoordig is aandacht voor het leed van het slachtoffer essentieel om de bestraffing van de daders te legitimeren. Dit heet victimisering van de strafrechtpleging. Over of dit een goede zaak is verschillen de meningen. Het ene kamp vindt dat een te grote aandacht voor het slachtoffer zou leiden tot een verharding van het strafklimaat, en het andere kamp is voor omdat dit bijdraagt aan de humanisering van het strafrecht.
De nieuwe aandacht voor het slachtoffer heeft geleid tot de wetenschappelijke discipline van slachtofferkunde of victimologie.
Willem Nagel wees er als een van de eerste op dat we de meeste misdrijven pas begrijpen als we de dader-slachtoffer relatie bestuderen. Het slachtoffer kan zelf ook een rol spelen in het tot stand komen van het misdrijf. Het eerste onderzoek naar slachtoffers was vooral hierop gericht. Het onderzoek richt zich nu ook voor een groot deel op wat het betekent voor het slachtoffer om slachtoffer te zijn van het misdrijf en wat er gedaan kan worden om hem of haar bij het verwerken van het misdrijf te helpen.
De betekenis van een slachtoffer in juridische zin is een persoon die schade heeft opgelopen als gevolg van een misdrijf of een ernstige schending van de mensenrechten.
Er valt onderscheid te maken tussen primaire, secundaire en tertiaire slachtoffers:
Primaire slachtoffers: Slachtoffers die persoonlijk en rechtstreeks getroffen zijn door een misdrijf. Het kan hier gaan om slachtoffers van bijvoorbeeld vermogens- of geweldmisdrijven. Volgens het burgerlijk recht kan deze groep aanspraak maken op een schadevergoeding. Ook rechtspersonen als overheidsinstellingen of organisaties kunnen tot deze groep gerekend worden als zij schade oplopen als gevolg van een misdrijf. Ook directe nabestaanden krijgen vaak dezelfde rechten als het slachtoffer.
Secundaire slachtoffers: mensen die indirect door een misdrijf worden getroffen zoals hulpverleners, politiefunctionarissen of omstanders bij een grote ramp. Deze kunnen ook psychische hulp nodig hebben.
Tertiaire slachtoffers: Collectief slachtofferschap, tot deze groep behoren lokale of nationale gemeenschappen die schade hebben opgelopen als gevolg van georganiseerde misdaad, corruptie en oorlogsgeweld. Het gaat hier om mensen die bijvoorbeeld na een oorlog het gebied weer helemaal op moeten bouwen, of de economisch slechte effecten van corruptie op de bevolking.
Daderschap en slachtofferschap lopen soms door elkaar heen zoals bij geweldsmisdrijven. Wie gaf bijvoorbeeld de eerste klap? Op een schadevergoeding kan korting gegeven worden als het slachtoffer deels ook schuldig was voor het misdrijf. Sellin en Wolfgang noemen dit 'wederzijdse victimisatie’.
Victimless crimes: Bij deze misdrijven zijn er geen primaire, secundair of tertiaire slachtoffers. Voorbeelden hiervan zijn illegaal gokken (als men zich niet zo in de schulden steekt dat er voor de directe omgeving slachtoffers ontstaan) of consumptie van illegale drugs. Over wat onder victimless crimes valt bestaat, wordt op verschillende plekken verschillend gedacht.
9.2 Groepen met een verhoogde kans op slachtofferschap
Sommige mensen lopen meer risico slachtoffer te worden van een misdrijf. Dit heeft er meestal niet mee te maken dat zij dit bewust of onbewust uitlokken of dat zij grote risico’s nemen, maar dit heeft te maken met hun groepskenmerken.
Tot deze risicogroepen behoren mannen, jongeren en kinderen en inwoners van grote steden.
Mannen: Over het algemeen lopen mannen meer kans om slachtoffer te worden van een delict. Voor seksuele geweldmisdrijven en huiselijk geweld zijn de slachtoffers juist overwegend vrouwen.
Jongeren en kinderen: Hoe jonger men is, hoe vaker men slachtoffer wordt van een delict. 40% van de mensen onder de 24 wordt slachtoffer van een delict. 30% van mensen tussen de 25 en 44 wordt slachtoffer en verder worden jongeren 3 keer zo vaak slachtoffer als bejaarden, die het minst slachtoffer worden.
Inwoners van grote steden: Mensen die in steden wonen lopen volgens onderzoek een twee keer zo grote kans om slachtoffer van veelvoorkomende delicten te worden, als andere Nederlanders.
Andere risicogroepen: Andere groepen met een verhoogde kans op slachtofferschap zijn bijvoorbeeld personen uit de laagste 20% inkomensgroep, mensen met bepaalde beroepen (politie, treinconducteurs of medewerkers van de sociale dienst) mensen die een wapen dragen of drugs en alcohol gebruiken en gescheiden of nooit getrouwede mensen (en andere mensen met een uithuizige levensstijl of een actief uitgaansleven). Verder zijn etnische minderheden vaak slachtoffer van discriminatie of racistisch gemotiveerd geweld. Ook sommige bedrijven (juweliers of dure elektronicazaken) lopen een verhoogde kans op vermogensdelicten al dan niet gewelddadig.
Risicoanalyse slachtofferschap: Steinmets en Van Dijk hebben een model opgesteld over het risico van individuen om slachtoffer te worden van veelvoorkomende delicten. De 3 factoren die hierin een belangrijke rol spelen zijn aantrekkelijkheid, nabijheid en blootstelling.
Aantrekkelijkheid: Vormt de persoon een aantrekkelijk doelwit voor delinquenten? Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de persoon veel kostbare bezittingen heeft of als men bepaalde seksuele kenmerken heeft die tot agressie kunnen leiden. Seksuele geaardheid of etniciteit kunnen leiden tot hate crimes.
Nabijheid: Door verstedelijking neemt de afstand tussen delinquent en het slachtoffer af. Doordat men dichter op elkaar woont komt men meer in contact met onbekenden. De sociale nabijheid wordt er verder ook door bepaald of men een individuele of collectieve levensstijl leidt. Als men veel uitgaat heeft men namelijk een groter kans slachtoffer te worden van een delict. Of men veel uitgaat hangt ook samen met andere aspecten zoals hoeveel vrije tijd de persoon beschikbaar heeft.
Blootstelling: Krijgt de mogelijke delinquent de gelegenheid om een delict te plegen? Weinig sociale cohesie en een anonieme setting kunnen leiden tot een grotere bloostelling van mensen aan criminele risico’s.
Opnieuw slachtoffer: Mensen die eenmaal slachtoffer zijn geworden van een delict, lopen een grotere kans om op nieuw slachtoffer te worden. Herhaald slachtofferschap kan worden verklaard door de risicokenmerken van bepaalde groepen. Verder kan herhaald slachtofferschap incident afhankelijk zijn. Als iemand bijvoorbeeld met succes ergens heeft ingebroken, is de kans groot dat de dader na een paar maanden denkt op hetzelfde adres weer met succes te kunnen inbreken. Ook kan de ervaring van het slachtoffer ervoor zorgen dat deze een gedragsverandering ondergaat die zijn risico’s vergroot. Men kan bijvoorbeeld overdreven bang worden of heel licht ontvlambaar.
Veel mensen reageren ook rationeel op slachtofferschap door bijvoorbeeld een alarm te installeren, waardoor de dader bij een tweede poging niet binnen kan komen.
Extra kwetsbare risicogroepen: Er zijn een aantal groepen die extra kwetsbaars zijn voor slachtofferschap:
Daders: Er valt niet altijd onderscheid te maken tussen slachtoffer en dader. Dit heeft als gevolg dat sommige daders ook vaak slachtoffer worden. Dit geldt bijvoorbeeld voor gewelddadige daders. Verder zijn daders vaak ook in nabijheid van andere daders wat ook de kans op slachtofferschap vergroot. Incidenteel gerelateerd zijn verder vergeldingsacties waar een dader slachtoffer kan worden.
Toeristen: Zij zijn vaak minder op hun hoede doordat ze in een vakantiesfeer zijn. Verder zoeken ze uitgaansgelegenheden op in grotere steden en dragen zij vaak veel kostbare dingen bij zich zoals camera’s en geld waardoor zij een extra aantrekkelijk doelwit zijn.
Slachtoffers worden daders:
Compenserende diefstal: Slachtoffers kunnen ook dader worden. Als men slachtoffer wordt van een vermogensdelict zal men in sommige gevallen geneigd zijn zichzelf schadeloos te stellen door een gelijksoortig delict te plegen zoals het stelen van een fiets als iemands fiets is gestolen. Dat de dader die zijn fiets heeft gestolen hier mee weg komt kan bijdragen aan het gevoel dat het slachtoffer hetzelfde kan doen in dezelfde omgeving.
Geweldcyclus over meerdere generaties: Mensen die op jonge leeftijd slachtoffer zijn van huiselijk geweld, zullen zich zelf op latere leeftijd vaak ook aan dit soort delicten schuldig maken.
9.3 Psychische schade
Een slachtoffer kan naast materiële schade ook lichamelijke schade of psychische schade lijden. De symptomen van psychische schade zijn herbeleving, woede-uitbarstingen, stress, angsten en wantrouwen. Deze symptomen worden PTSS (Posttraumatische stressyndroom) genoemd.
Hoe het verwerkingsproces verloopt is afhankelijk van de persoonlijkheid van het slachtoffer maar ook van de ernst van het delict en de omstandigheden. Toch zijn er in het verwerkingsproces een aantal algemene fases te onderscheiden. In de eerste fase is het slachtoffer angstig, paniekerig, gedesoriënteerd en hulpeloos. In de tweede fase ontkend men de gebeurtenis of voelt men grote ongeloof. Er ontstaat dan een gedeeltelijke verdoving bij het slachtoffer en hij of zij wil niets meer over de ervaring horen. In de derde fase (weken of maanden later) moet men weer veel terugdenken aan het delict en kan herbeleving plaatsvinden. In deze fase begint de verwerking. Deze kan ondersteunt worden door de omgeving of door een hulpverlener. In deze fase beseft het slachtoffer pas wat hem is overkomen. Hierdoor kan hij zich minderwaardig of gebroken voelen. Er kan ook posttraumatisch cynisme (algemeen wantrouwen in mensen) optreden. In de laatste fase accepteert men wat er is gebeurd en geeft men dit een plek binnen het eigen levensverhaal. Vaak wordt de gebeurtenis de betekenis van een leermoment, waarschuwing of begin of eind van een bepaalde levensfase gegeven. Door de gebeurtenis een betekenis te geven binnen het levensverhaal krijgt men controle terug over de situatie en over wat hem is overkomen.
EMDR (Eye Movement Desensitization and Reconstruction): Dit is een behandelingsmethode van PTSS die leidt tot een afname van flashbacks naar het delict. Deze behandeling kan de verwerking bevorderen.
Positieve effecten slachtofferschap: De afgelopen jaren wordt er meer onderzoek gedaan naar mensen die ook positieve ervaringen aan het slachtofferschap overhouden. Veel slachtoffers zien de gebeurtenis vaak als iets wat hen sterker heeft gemaakt. Verder voelen veel slachtoffers zich meer verbonden met hun omgeving die hen steunde tijdens de verwerking, dan voor het slachtofferschap. Daarnaast kan de behoefte ontstaan van slachtoffers om zich in te zetten om slachtofferschap van anderen te voorkomen of om hierbij te helpen.
9.4 Schuld bij het slachtoffer
Dat men sympathie heeft voor het slachtoffer is een vrij recente ontwikkeling. Nog steeds bestaat onder veel mensen het idee dat het slachtoffer het er op een bepaalde manier wel naar gemaakt zal hebben. Achter dit idee zit een psychologische verklaring. Volgens Lerner is het noodzakelijk dat mensen vertrouwen hebben in hun omgeving om een sociale maatschappij op te bouwen. Mensen doen goede dingen omdat zij ervan uit gaan dat andere mensen dan goed tegen hen terug doen. Als iemand slachtoffer wordt van een misdrijf is het vertrouwen van het slachtoffer in een rechtvaardige maatschappij geschaad. Je zou verwachten dat de omgeving van het slachtoffer sympathie voor het slachtoffer zou hebben en hem zou helpen zijn vertrouwen in mensen weer terug te krijgen. In werkelijkheid voelen mensen zich bedreigd door wat er met de andere is gebeurd omdat dit tegen hun gevoel van de rechtvaardige maatschappij ingaat. Hierdoor proberen ze zichzelf te vertellen dat het slachtoffer het misdrijf wel aan zichzelf te danken zou hebben, zodat hun vertrouwen in de rechtvaardig maatschappij niet geschaad wordt.
9.5 De labelling theorie toegepast op het slachtoffer
De mens heeft de behoefte om het kwaad te labellen. Men heeft behoefte aan herkenbare daders (bijvoorbeeld bepaalde minderheidsgroepen) en daders van delicten worden veelal gestigmatiseerd. De labelling theorie is ook van toepassing op slachtoffers. Doordat men de behoefte heeft te voelen dat slachtoffers (gedeeltelijk) schuldig zijn voor wat hen is overkomen, krijgen slachtoffers ook een slachtofferlabel opgeplakt. Het slachtoffer gaat zich dan (net als een gestigmatiseerde dader) naar zijn rol gedragen en wordt hierdoor ook kwetsbaarder voor andere delicten.
Slachtoffer in het Christendom: Vanuit het Christendom is er wel sympathie voor het slachtoffer. Slachtofferhulp heeft dan ook een Christelijke grondslag. Het Christelijke geloof gaat er (in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Islamitische geloof) wel vanuit dat het slachtoffer de daders vergeeft. Wraak komt in het Christelijke geloof ook eigenlijk niet voor.
Een slachtoffer werd vanuit het Christendom altijd gezien als iemand die moet lijden in gelatenheid en door de stereotype passieve houding van slachtoffers zijn zij altijd gemarginaliseerd.
9.6 opvattingen over slachtofferhulp
Er zijn verschillende opvattingen over hoe de overheid met het leed wat slachtoffers is gedaan om moet gaan:
De overheid heeft een verantwoordelijkheid voor het verlenen van hulp aan het slachtoffer. Deze verantwoordelijkheid staat los van de taak de dader te straffen. Slachtofferhulp moet volgens deze opvatting gebaseerd zijn op een bestuursrechtelijke regeling. Volgens dit model krijgen slachtoffers geldelijke tegemoetkoming en hulpverlening. Slachtoffers ervaren de schadevergoeding voornamelijk als erkenning van hun problemen.
Een misdrijf is een conflict tussen en dader en een slachtoffer. De overheid heeft slechts de taak een oplossing voor dit conflict te faciliteren. Slachtofferhulp behoort volgens deze opvatting tot het burgerlijke of civiele recht. (herstelrecht) Het herstelmodel pleit voor alternatieve conflictoplossingen en een terugdringing van het strafrecht omdat dit veel schadelijke gevolgen heeft voor zowel het slachtoffer als de dader.
Het strafrechtelijk genoegdoeningmodel: Slachtofferhulp zou onderdeel moeten zijn van strafrechtspleging. Vooral bij ernstige delicten bestaat de behoefte onder slachtoffers dat de dader gestraft wordt. Over de zwaarte van de straf wijkt de mening van slachtoffers niet erg af van de rest van de bevolking. Voor slachtoffers is het vooral belangrijk dat zij tijdens het proces goed geïnformeerd en bejegend worden door politie en justitie.
Slachtofferrechten volgens het wetboek van strafrecht (sinds 2011):
De rechter en het Om moeten zich inspannen om een schadevergoeding door de dader te regelen
De rechter moet schriftelijk of mondeling informeren over de gevolgen van het delict.
Politie en justitie moeten het slachtoffer correct bejegenen
Politie en justitie moeten het slachtoffer passief informeren over de procedure, rechten en de afloop van het onderzoek.
Volgens het wetboek van strafrecht moet het OM met betrekking tot het slachtoffer:
Schriftelijk vragen of het slachtoffer een gesprek wil met de behandelende officier van justitie voorafgaand aan de zitting.
Schriftelijk vragen of het slachtoffer gebruik wil maken van spreekrecht tijdens de zitting of van een schriftelijke verklaring die tijdens de zitting voorgelezen kan worden.
Schriftelijk vragen of het slachtoffer op de hoogte gehouden wil worden van het verdere verloop van de procedure
Schriftelijk vragen of het slachtoffer een schadevergoeding wil.
Volgens het wetboek van strafrecht moet de politie met betrekking tot het slachtoffer:
Alle relevante informatie opnemen in een proces-verbaal. Hier moeten ook de bemoeienissen die de politie heeft gehad met het slachtoffer in staan.
Bij seksuele misdrijven heeft het slachtoffer het recht om door een vrouwelijke rechercheur te worden verhoord.
Inlichtingen geven over de schaderegeling en hierbij bemiddelen
De aangiften zorgvuldig doornemen en waar het nodig is het slachtoffer verwijzen naar hulpverlenende instanties.
Informeren over het verdere verloop van de zaak. Het slachtoffer dient gevraagd te worden of hij of zij een schadevergoeding wenst en of hij of zij van het verdere verloop van de zaak op de hoogte gehouden wil blijven.
9.7 Rechten van slachtoffers op internationaal gebied
De rechten van slachtoffers zijn vastgelegd in internationale wettelijke teksten zoals ‘The Declaration of Basic Principles of Justice for Victims of Crime and Abuse of Power’. De inhoud van deze wetten is erg belangrijk, maar ze zijn niet bindend voor de verschillende landen.
9.8 overige informatie met betrekking tot het slachtoffer
Veel deskundigen zijn bang dat de focus op het slachtoffer ertoe leidt tot hogere straffen en dat dit negatieve gevolgen heeft voor de rechtsbescherming van de verdachte. Doordat slachtoffers zich in sommige landen mogen uitspreken over de strafmaat van de verdachte, zou dit volgens critici voor willekeur kunnen zorgen. Verder kan dit ertoe leiden dat het slachtoffer zich verantwoordelijk gaat voelen voor de straf, terwijl deze verantwoordelijkheid bij de overheid hoort te liggen.
Voorstanders geven het argument dat een slachtoffer een voldoening kan halen uit het geven van een verklaring. Dit zou hem kunnen helpen bij de verwerking van het delict. Verder dragen zij aan dat ook de verdachte spreekrecht heeft. Het slachtoffer zou dit dan ook moeten hebben en de rechter zou in staat moeten zijn subjectieve informatie hieruit te filteren om zo tot een objectieve beoordeling te komen.
In praktijk blijkt de invloed van verklaringen van het slachtoffer beperkt te zijn. Deze zouden de strafmaat nauwelijks beïnvloeden. In Nederland kunnen rechters volledig onafhankelijk tot hun beslissing komen omdat zij voor het leven benoemd zijn (in tegenstelling tot hun Amerikaanse collega’s).
Hoofdstuk 10 Georganiseerde misdaad, drugs en geweld
10.2 agressieve criminaliteit
De bevolking maakt zich over het algemeen de meeste zorgen over gewelddadige criminaliteit. Daarom zullen de verschillende vormen hiervan in dit hoofdstuk besproken worden.
10.2.1 De betekenis van geweld en agressie
Volgens de meest gangbare definitie is crimineel geweld ‘het opzettelijke toebrengen fysiek letsel, of de dreiging daarmee, aan een andere persoon’. Volgens het wetboek van strafrecht vallen geweld tegen dieren en zaken (vandalisme) niet onder geweldmisdrijven. Berovingen en overvallen worden volgens de Nederlandse strafwet ingedeeld bij de vermogensmisdrijven.
Uit psychologisch perspectief wordt agressie niet altijd als iets slechts beschouwd. Iemand geeft hiermee bijvoorbeeld aan wanneer zijn grenzen worden overschreden. Een zekere dosis van assertiviteit of agressie is dan ook gezond.
Mensen uiten agressie meestal verbaal en de meeste vormen van verbaal geweld zijn niet strafbaar. Vaak blijkt met ernstig geweldsdelicten dat het slachtoffer voorafgaand aan het delict veel verbaal geweld heeft gebruikt waarmee de dader werd getriggered tot zijn daad.
Instrumenteel geweld: Geweld dat wordt toegepast met een doel en is niet slechts een uiting van emoties of een impuls. Voorbeelden hiervan zijn terrorisme en intimidatie.
10.2.2 Doodslag en moord
Het wetboek van strafrecht maakt onderscheid tussen de levensmisdrijven ‘doodslag’ en ‘moord’. Bij doodslag is opzet van de dader in het spel, als de doodslag plaatsvindt met voorbedachte raden, dan gaat het om moord.
De politiestatistieken vormen voor levensmisdrijven een betrouwbare bron, omdat gevallen van doodslag en moord eigenlijk altijd bij de politie bekend worden. Poging tot doodslag of moord is lastiger vast te stellen en kan vaak ook vallen onder een geval van (zware) mishandeling.
Eisner heeft onderzoek gedaan naar de statistieken van levensmisdrijven. Eeuwen geleden was de kans groter om vermoord te worden dan nu. Per jaar vinden er de afgelopen decennia ongeveer 200 gevallen van doodslag of moord plaats. Ongeveer 1 op de 100.000 mensen komt op dergelijke manier om het leven. Dit is weinig in vergelijking met veel andere landen (volgens de VN worden mondiaal 7 op de 100.000 mensen vermoord).
Op mondiaal niveau hangen cijfers van moord en doodslag samen met grote inkomensongelijkheden en extreme armoede. In veel Latijns-Amerikaanse landen is er een grote samenhang tussen levensmisdrijven en cocaïne handel. In Oost-Europese landen hangen de hoge levensmisdrijven samen met de hoge consumptie van sterke drank. Een andere factor in relatie tot veel levensmisdrijven is het wapenbezit onder de bevolking. Dit verklaart waarom de moordcijfers in de VS hoger liggen dan in veel Europese landen.
Mannen lopen een groter risico te worden vermoord dan vrouwen. Verder is van zowel daders als slachtoffers ongeveer de helft allochtoon.
Moorden in familiesfeer: Hiertoe behoren ouder- en kindermoorden, partnerdoding en overige moorden in de familie. Het grootste aantal betreft partnerdoding. Hiertoe behoren moorden op de (ex) partner maar ook de moord op rivalen. Één vijfde van alle moorden die worden gepleegd betreft partnermoorden.
10.2.3 Publiek geweld
Door het grote aantal geweldsincidenten op straat met fatale afloop is er grotere aandacht gekomen voor ‘geweld op straat’. Beke et al. omschrijven 6 scenario’s hoe conflicten kunnen escaleren in geweld op straat:
Vechtpartij (vaak in het uitgaansleven)
Klopjacht (vaak binnen de wijk)
Waanzin (gestoorde daders die volkomen willekeurig een slachtoffer kiezen)
Terechtwijzing (bijvoorbeeld in het verkeer)
Tot de orde roepen (bijvoorbeeld in het uitgaansleven)
Eigenrichting (vaak in de wijk onder buurtbewoners)
Er valt onderscheid te maken tussen 3 typen daders:
Daders die uitsluitend bij huiselijk geweld zijn betrokken: Deze hebben vaak geen strafblad. Het geweld kan alleen binnen de relatie worden begrepen.
Daders die uitsluitend bij publieke geweld zijn betrokken: Dit zijn vaak jonge mannen. Deze vorm van geweld hangt vaak samen met het uitgaansleven.
Daders die bij beiden soorten geweld zijn betrokken: Dit zijn over het algemeen mensen met persoonlijkheidsstoornissen die bij meer soorten delicten zijn betrokken zoals verkeersovertredingen en vermogensdelicten.
10.2.4 Terrorisme
De term terrorisme is soms lastig te definiëren omdat geweld tegen een regime soms te rechtvaardigen valt. Denk bijvoorbeeld aan het verzet in de tweede wereldoorlog.
Terrorisme is het toepassen van geweldsmiddelen tegen personen door personen die hier niet toe bevoegd zijn (geen militairen) met de bedoeling de bevolking en/ of de regering te beïnvloeden.
Er zijn twee trends de afgelopen decennia: Het aantal aanslagen neemt niet duidelijk toe maar het aantal slachtoffers stijgt wel. Verder stijgt het aantal aanslagen dat wordt gepleegd door religieuze groepen.
Terrorisme komt vaker voor in landen waar de oppositie weinig rechten heeft.
10.3 Organisatiecriminaliteit
Niet alleen mensen uit lagere milieus plegen misdrijven. Ook in de hoger klasse komt criminaliteit voor. Witteboordencriminaliteit zijn delicten die gepleegd worden door personen die binnen de maatschappij aanzien genieten terwijl zij hun beroep uitoefenen.
Sutherland heeft veel onderzoek gedaan naar witteboordencriminaliteit en volgens hem kan dit fenomeen verklaard worden door de leertheorie en door de gelegenheidstheorie. Voorbeelden van grote zaken op dit gebied zijn de belasting- en socialenverzekeringsfraude van horeca-imperium Van der Valk en de illegale afvaldumpingen door het bedrijf Tanker Cleaning Rotterdam.
Bunt spreekt liever van organisatiecriminaliteit omdat volgens hem de nadruk ligt op de macht die de betrokken personen hebben binnen de organisatie. Zij worden regelmatig in de positie gesteld om bepaalde delicten te plegen en of zij hierbij witte boorden dragen doet niet ter zake.
Witteboordencriminaliteit en straffen: De toepassing van het strafrecht op witteboordencriminaliteit kan problematisch zijn. Mensen in hoge kringen houden elkaar niet zelden de hand boven het hoofd en verder valt het lastig te bewijzen dat bepaalde individuen verantwoordelijk zijn en dat zij over bepaalde voorkennis beschikten. Niet zelden worden verdachten dan ook vrijgesproken wat vergezeld kan gaan van grote schadeclaims wegens geleden verliezen in het bedrijf door de rechtszaak. Hierdoor kan het OM terughoudend zijn om aan zulke zaken te beginnen. Ook leidt toepassing van het strafrecht niet altijd tot voorkoming in de toekomst. Het is voor velen onacceptabel dat daders mogelijk straffen ontlopen door hogere proceskosten of geringe pakkans. Het strafrecht heeft naast een instrumentale functie ook een expressieve symbolische functie. Verder herstellen maatregelen het vertrouwen in de overheid en de rechtsorde door het kwaad te vergelden.
Als het strafrecht op zulke zaken toegepast wordt, heeft dit ook vaak grote gevolgen voor partijen die niets met het delict te maken hebben zoals crediteuren maar ook werknemers die mogelijk hun baan zullen verliezen als het bedrijf als gevolg van de zaak failliet gaat. Hierdoor kan het OM ook een schikking treffen met het bedrijf zoals is gebeurd bij Shell en de mensenrechtenschendingen in Nigeria.
Een goed imago is voor grote bedrijven belangrijk waardoor zij gewoonlijk zullen proberen te voorkomen om in opspraak te raken en zich sociaalverantwoordelijk te gedragen.
Ook vormen van corruptie (als het aannemen van steekpenningen) vallen onder de witteboordencriminaliteit.
Van der Bunt en Van den Heuvel pleiten voor een informele sociale controle binnen de branche. Braithwait vindt dat zijn theorie van reintegrative shaming ook van toepassing is op het voorkomen van witteboordencriminaliteit. Als de omgeving gedrag zoals het vervuilen van het milieu afkeurt, zullen bedrijven dit minder snel doen.
10.4 Georganiseerde criminaliteit
In Nederland is de georganiseerde misdaad (vergeleken met Italië en Amerika) een betrekkelijk nieuwe fenomeen. De oorsprong ervan lag in de jaren ’80 van de vorige eeuw. De georganiseerde misdaad heeft inmiddels een grote omvang bereikt en mag niet worden genegeerd.
Volgens de CRI (Centrale Recherche Informatiedienst) zijn kenmerken van de georganiseerde misdaad onder andere:
Er is sprake van een sanctiesysteem binnen de organisatie
De organisatie houdt zich bezig met het witwassen van geld
De organisatie pleegt verschillende delicten
De organisatie kent een hiërarchische structuur en een vaste taakverdeling
De organisatie handhaaft zijn concurrentiepositie door middel van geweld
De organisatie gebruikt dekmantelfirma’s
De organisatie onderhoudt criminele contacten met beoefenaren van vrije beroepen, personen uit het bedrijfsleven of overheidsfunctionarissen
De activiteiten van de organisatie strekken zich uit over een periode van ten minste 2 jaar
Van Traa legt in zijn definitie de nadruk erop dat de georganiseerde misdaad zich primair richt op illegaal gewin. Hiermee sluit hij ondernemingen die zich schuldig maken aan criminaliteit als nevenbezigheid uit.
Volgens hem is de georganiseerde misdaad een organisatie die: Primair gericht is op illegaal gewin, systematisch delicten pleegt met ernstige gevolgen voor de maatschappij, misdaden of een effectieve wijze afschermt door bijvoorbeeld fysiek geweld te gebruiken of door personen door corruptie uit te schakelen.
De VN beschrijft georganiseerde misdaad als volgt: Een gestructureerde groep van ten minste 3 leden die misdaden pleegt waarop 4 jaar gevangenisstraf of meer staat met het oogmerk om financiële of andere materiële voordelen te behalen.
De afgelopen jaren worden criminele activiteiten van de georganiseerde misdaad complexer en de criminelen genieten vaak een hoger opleidingsniveau dan voorheen. Ze richten zich bijvoorbeeld op het afpersen of door middel van prostitutie uitbuiten van gesmokkelde vreemdelingen, het vervalsen van reisdocumenten of mensensmokkel. Deze nieuwe vormen van georganiseerde misdaad brengen nieuwe uitdagingen voor politie en justitie met zich mee.
De Nederlandse maffia: Tweederde van de criminele organisaties in Nederland houdt zich voornamelijk bezig met de handel in harddrugs. Verder opereren er op het Nederlands grondgebied ook buitenlandse criminele organisaties. Dit gaat bijvoorbeeld om groepen uit Nigeria, Rusland en Oost-Europa, Italië, China en Colombia.
Redenen voor het ontstaan van de georganiseerde misdaad in Nederland zijn vooral te vinden in de gelegenheidstheorie. Het gedoogbeleid in Nederland biedt kansen op het gebied van productie en handel van Cannabis, XTC en amfetaminen. Verder zijn geïndustrialiseerde landen zoals Nederland aantrekkelijk voor mensen uit ontwikkelingslanden. Met het strenge migratiebeleid is hier een aantrekkelijke markt voor mensensmokkelaars tot stand gekomen. Verder heeft de georganiseerde misdaad (volgens de Strain-Theorie) een toenemende mogelijkheid om werkeloze jongeren met een etnische achtergrond te rekruteren.
Aanpak van de georganiseerde misdaad: De aanpak van georganiseerde misdaad kan op een repressieve manier gebeuren of er kan sprake zijn van een preventieve aanpak. Bij een repressieve aanpak wordt voornamelijk meer aandacht besteed aan opsporing van criminelen door extra rechercheteams in te zetten. Bij de preventieve aanpak gaat het bijvoorbeeld om maatregelen als het screenen van mensen die een bv oprichten of het verbod voor advocaten, notarissen en dergelijke om grote sommen geld in contanten te accepteren. Verder moeten zij ongebruikelijke transacties melden bij de Financial Intelligence Unit Nederland.
10.5 Criminaliteit en drugsgebruik in het strafrecht
Drugsgebruik is verboden omdat dit schadelijk is voor de gezondheid en omdat gebruik kan leiden tot crimineel gedrag door de ontremmende werking.
Verwervingscriminaliteit: Men pleegt delicten om drugs te verwerven.
Drugsbeleid in Nederland: De Opiumwet van 1928 is in 1976 grotendeels gewijzigd. De wijzigingen hielden in dat de handel in harddrugs strenger bestreden moest worden. Verder werd het onderscheid gemaakt tussen drugs met aanvaardbare risico’s (Cannabis) en drugs met onaanvaardbare risico’s (cocaïne, LSD, opium en amfetamine). Ook is er een onderscheid aangebracht tussen handelaars en gebruikers en een vermindering van de criminalisering van cannabis voor eigen gebruik.
In Nederland wordt op het gebied van een drugsbeleid gestreefd naar een tussenweg tussen volledige legalisering en een ‘war on drugs’ zoals de VS die kent.
Het Nederlandse drugsbeleid leidt in vergelijking met andere landen, waar het drugsbeleid strenger is, niet tot meer gebruikers. Het cijfer van problematische harddruggebruikers is in Nederland zelfs maar de helft van veel andere landen. Het aantal sterfgevallen als gevolg van drugsgebruik is in Nederland ook één van de laatste van Europa. Ook qua cannabis gebruik wijkt Nederland niet af van het Europese gemiddelde.
Drugsgebruik heeft gedeeltelijk invloed op de criminaliteit. De helft van de drugsgebruikers pleegt met regelmaat delicten.
De coffeeshopscene: De verkoop van cannabis wordt gedoogd op basis van het opportuniteitsbeginsel. Dit gebeurd zolang men aan 5 criteria voldoet:
Er mogen geen harddrugs worden verkocht
Er mag geen overlast zijn
Een strikte handhaving van de minimale leeftijd van 18 jaar om een coffeeshop te betreden.
Er mag geen affichering zijn
Er mag niet meer dan 5 gram per transactie worden verkocht.
Coffeeshops mogen maximaal 500 gram in hun bezit hebben.
Een probleem met de verkoop van cannabis is de bevoorrading. Deze is illegaal en coffeeshops moeten dus noodgedwongen zaken doen met criminele organisaties. Hierdoor bestaat onder bepaalde groepen de mening dat het telen van cannabis op Nederlands grondgebied ook onder het gedoogbeleid moet vallen.
Veel andere landen hebben kritiek op het Nederlandse drugsbeleid.
De doelstelling van het Nederlandse drugsbeleid is de scheiding van soft- en harddrugs. Op dit gebeid lijkt het drugsbeleid succes te hebben.
Hoofdstuk 11 Criminaliteit, Etniciteit en geslacht
11.1 Inleiding
Onder zowel daders als slachtoffers van misdrijven zijn etnische minderheden oververtegenwoordigd. De helft van de daders van misdrijven zijn van allochtone afkomst. Er zijn verder weinig vrouwelijke daders terwijl er voor sommige delicten juist wel veel vrouwelijke slachtoffers zijn.
11.2 Etnische minderheidsgroepen
Het komt al vanaf de oudheid voor dat misdaad wordt toegekend aan outsiders van de samenleving. Dit vervult de functie om het kwaad toe te schrijven aan iets wat van buitenaf komt. Volgens recente criminologische theorieën is het logisch om criminaliteit van minderheidsgroepen in verband te brengen met hun zwakkere positie in de maatschappij. Oververtegenwoordiging bij criminaliteit onder bepaalde bevolkingsgroepen wijst verder op een problematische integratie waar wat aan gedaan moet worden. Verder speelt victim blaming op grote schaal hier een rol. Het ligt voor de hand dat mensen ontkennen dat mensen geen gelijke kansen hebben, en dat criminaliteit voortkomt uit achterstelling.
Uit onderzoek is gebleken dat de eerste generatie immigranten minder delicten pleegt dan autochtonen. Het zijn over het algemeen de tweede en derdegeneraties die voor problemen zorgen omdat zij de banden met het thuisland niet meer hebben maar ook niet goed binnen de Nederlandse maatschappij passen.
Allochtonen zijn ook vaker slachtoffer van delicten. Dit kan deels verklaard worden door racisme.
De overheid streeft naar grotere aantallen allochtonen bij de politie om discriminatoire tendenties tegen te gaan. Maatregelen die specifiek op allochtonen geregeld zijn kunnen een stigmatiserende werking hebben en daarom averechts werken.
11.3 Vrouwelijke slachtoffers en daders
Genderstudies: onderzoek naar identiteits- en gedragskenmerken van sekse. Criminaliteit onder vrouwen is minder dan onder mannen. Verder vertonen vrouwen minder vaak recidive. Dit is ook in andere landen het geval. Vrouwen plegen vooral veel minder geweldsmisdrijven. Vrouwen worden wel vaker gepakt voor bepaalde vormen van bedrog, belediging of winkeldiefstal. Mannen zijn verantwoordelijk voor 85% van de geregistreerde criminaliteit. Volgens Pollak plegen vrouwen niet minder delicten maar zouden zij coulanter behandeld worden en hun vergrijpen beter verborgen kunnen houden. Volgens hem zou er sprake zijn van een registratie-effect.
Het slachtofferschap van mannen ligt over het algemeen iets hoger dan dat van vrouwen. Dit heeft er onder andere mee te maken dat vrouwen minder vaak buitenshuis werken. In de VS en Scandinavische landen waar mannen en vrouwen ongeveer evenveel buitenshuis werken zijn de slachtofferpercentages mannen en vrouwen ook ongeveer gelijk.
Vrouwen worden wel vaker slachtoffer van huiselijk geweld dan mannen. Ongeveer 60% van de slachtoffers van huiselijk geweld zijn vrouwen. Het huiselijk geweld tegen vrouwen is wel vaak van ernstiger aard dan huiselijk geweld tegen mannen. Van seksuele misdrijven worden vrouwen wel duidelijk vaker slachtoffer dan mannen. Ook worden vier a vijf keer zo veel vrouwen slachtoffer van partnermoord dan mannen.
Daders van huiselijk geweld zijn overwegend mannen. Bij geweld tegen partners spelen de persoonlijkheid en psychologische kenmerken van het slachtoffer een belangrijke rol. Verder speelt jaloezie een grote rol.
Het blijkt dat een overgroot deel van slachtoffers van huiselijk geweld geen hulp zoekt bij de hiervoor bestaande instanties. Op dit gebied kan nog een hoop verbeterd worden.
Begrippenlijst:
Aanzichtcriminologie: De theorie dat criminelen bepaalde uiterlijke kenmerken hebben zoals in de theorie van Cesare Lombroso.
Anomie: normloosheid
Atavisme: een achteruitgang in de evolutie.
Conduct disorders: gedragsproblemen.
Crime science: een alternatieve naam voor criminologie die suggereert dat er bij deze studie ene grote waarde wordt gehecht aan wetenschappelijke methoden.
Criminalisering: Als er strafbepalingen worden ingevoerd.
Criminologie: het vakgebied waarbij objectieve informatie wordt verzameld voor overheidsorganen die met strafbepaling te maken hebben.
Cybernetica: stuurkunde
Dark-number onderzoek: Onderzoek naar verborgen criminaliteit.
Decriminalisering: Het schrappen van strafbepalingen
Etiologie: de leer van oorzaken.
Forensice sciences: de leer van de technieken die bij de opsporing worden gebruikt
Forward time telescoping: Mensen die slachtoffer zijn van een delict denken vaak dat dit korter geleden heeft plaatsgevonden dan dat het in praktijk is.
Harde output van de politie: misdrijven oplossen.
Hate crimes: strafbare gedragingen tegenover leden van seksuele of etnische minderheden.
Klassenjustitie: De systematische andere benadering van bepaalde groepen in de strafrechtketen op basis van geringe economische hulpbronnen (inclusief allochtonen) van de dader.
Latent trait (latente trek): Algemene tendensen om bepaald gedrag te vertonen.
Moonlighting: Dit komt in veel landen voor. Politie wordt buiten werktijd ingehuurd als beveiliging in de private sector
Penologie: De studie naar de effectiviteit van formele straffen.
Person by situation interaction: de wisselwerking tussen een persoon en zijn omgeving.
Radicale of kritische criminologie: De tak van de criminologie houdt zich bezig met het bestuderen van criminalisering en decriminalisering. Bekende criminologen op dit gebied zijn bijvoorbeeld: Taylor, Walton en Young.
Recidive: een terugval, het weer beginnen met het plegen van delicten.
State capture: dat criminele organisaties de macht overnemen. Dit gebeurt vooral in ontwikkelingslanden.
Tertiaire deviantie: Een op emancipatoire strategie gebaseerde, zelfgekozen identiteit.
Verborgen criminaliteit: Dit is de criminaliteit die verborgen blijft voor de politie of justitie
Victimologie: slachtofferkunde
Zacht output van de politie: reageren op incidenten, surveilleren, het geven van voorlichting over preventie en slachtofferhulp.
Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>
Concept of JoHo WorldSupporter
JoHo WorldSupporter mission and vision:
- JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.
JoHo concept:
- As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
- JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.
Join JoHo WorldSupporter!
for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for
- Login of registreer om te kunnen reageren
- 1569 keer gelezen
Work for JoHo WorldSupporter?
Volunteering: WorldSupporter moderators and Summary Supporters
Volunteering: Share your summaries or study notes
Student jobs: Part-time work as study assistant in Leiden
- Login of registreer om te kunnen reageren
- 8440 keer gelezen
WorldSupporter insurances for backpackers, digital nomads, interns, students, volunteers or working abroad:
Search only via club, country, goal, study, topic or sector
Select any filter and click on Search to see results








