Decembermoorden (Bouterse) (HR 18-09-2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1471)
Casus
Het Gerechtshof in Amsterdam had eind vorig jaar beslist dat in Nederland een gerechtelijk vooronderzoek moest worden ingesteld naar de betrokkenheid van Bouterse bij de 'decembermoorden'. Er wordt verzocht om cassatie in het belang der wet omdat de vervolging in Nederland niet mogelijk is en in strijd is met het ongeschreven volkenrecht. In de bestreden beschikking wordt geklaagd over het feit dat geen vervolging van Bouterse is gestart door de Officier van Justitie in Amsterdam. Men wil dat de strafrechter bepaalt of Bouterse zelf deel heeft gehad aan de decembermoorden en dat hij wordt vervolgd voor de martelingen die zijn uitgevoerd. De beslissing van het Hof hield in dat Bouterse inderdaad alsnog vervolgd diende te worden en dat hiertoe een vooronderzoek gestart moest worden. De Procureur-Generaal heeft vervolgens in cassatie verzocht deze beslissing te vernietigen.
Achtergrond
Het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (10-12-1984) stelt vast wat verstaan moet worden onder het begrip 'foltering'. Elke partij aan dit Verdrag moet maatregelen nemen om foltering te voorkomen binnen de eigen jurisdictie, en geen enkele uitzondering is bekend waardoor foltering legaal zou zijn. Het handelen in opdracht van een hogere instantie is geen excuus om foltering te rechtvaardigen. Elke partij aan dit Verdrag stelt foltering, poging tot foltering of medeplichtigheid hieraan strafbaar met straffen die passend zijn voor de misdaad. Elke partij heeft rechtsmacht zodra
de foltering binnen het grondgebied of de jurisdictie is gepleegd
de verdachte onderdaan is van de staat
het slachtoffer onderdaan is van de staat (als de staat dit passend acht)
Ook ontstaat er een rechtsmacht als de verdachte zich binnen het grondgebied bevindt en de staat niet overgaat tot uitlevering. Dan moet de verdachte in hechtenis worden genomen volgens de nationale wetgeving, en zolang als nodig is om over te gaan tot vervolging of uitlevering. Het voorlopig onderzoek moet direct starten en de verdachte moet contact met de vertegenwoordiger van zijn staat krijgen. De staat die verdachte in hechtenis heeft, moet hiervan kennis geven aan alle partijen die lid zijn van het Verdrag, evenals van bevindingen en het besluit tot het al dan niet uitoefenen van de rechtsmacht. Wordt er niet uitgeleverd, dan is de staat verplicht over te gaan tot vervolging volgens de eigen wetgeving. De verdachte verdient te allen tijde billijke behandeling.
De Uitvoeringswet folteringverdrag (Wet van 29-09-1988, Stb. 478) - die de uitvoering van het VN Verdrag in Nederland mogelijk maakt - is in werking getreden op 20-01-1989. Mishandeling door een ambtenaar in de uitoefening van zijn functie, die valt onder foltering wordt gestraft met maximaal 15 jaar gevangenisstraf of een geldboete (5e categorie). Met opzet angst toebrengen wordt ook gezien als mishandeling. Als de mishandeling de dood tot gevolg heeft, bestaat hiervoor levenslange gevangenisstraf, of gevangenisstraf van maximaal 20 jaar, of een geldboete (5e categorie). Dit geldt voor de pleger, maar ook voor de ambtenaar of functionaris die mishandeling uitlokt of dit toestaat. Aangezien het hier gaat om een misdrijf, is de Nederlandse strafwet ook van toepassing op iedereen die zich buiten Nederland hieraan schuldig maakt.
Vraagstelling 1
Kunnen Art. 1 en 2 Uitvoeringswet folteringverdrag worden toegepast op gedragingen die voor de inwerkingtreding hiervan zijn begaan?
In Art. 16 Grondwet en Art 1, 1e lid, Sr staat dat niemand berecht kan worden voor een feit dan op het moment van het begaan hiervan niet volgens de Nederlandse wet strafbaar is. Geen enkele gedraging mag met terugwerkende kracht strafbaar worden gesteld. De enige uitzondering wordt gemaakt tot handelingen die misdrijven zijn volgens algemene rechtsbeginselen van de internationale gemeenschap. Voor oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de mensheid tijdens de laatste oorlog bestaat er nog wel een geldigheid (Art. 27a Besluit Buitengewoon Strafrecht), en hiervoor zijn de omschrijvingen van het Neurenberg Handvest (1945) van toepassing. Dat geen terugwerkende kracht bestaat voor strafbepalingen wordt ook aangegeven in het Verdrag van Rome (Art. 7), met als uitzondering de genoemde misdrijven tegen de mensheid uit de laatste oorlog. Art. 94 van de Grondwet bepaalt dat Nederlandse nationale wetgeving geen toepassing kent zodra de bepaling onverenigbaar is met bepalingen van verdragen van volkenrechtelijke organisaties. Het verbod op te terugwerkende kracht moet nog wel worden getoetst aan dergelijke verdragen en besluiten, maar de rechter mag dit niet toetsen aan ongeschreven volkenrecht.
Het ongeschreven volkenrecht geniet geen voorrang boven nationale wetgeving in Nederland. Het wordt echter wel, met bindende werking, toegepast. Er is ook cassatie mogelijk op grond van ongeschreven volkenrecht. Er bestaat in Art. 65 en 66 Grondwet uitsluitend een voorrang van regels die in in werking getreden verdragen van volkenrechtelijke organisaties zijn neergelegd (dus geschreven regels zijn). Het Verdrag tegen foltering noch een ander toepasselijk verdrag schrijft voor dat de mishandeling die valt onder foltering met terugwerkende kracht strafbaar mag worden gesteld. Men kan wel worden berecht voor gedragingen die op dat moment erkend werden als misdrijf volgens algemene rechtsbeginselen, zoals de volkerengemeenschap dit erkent.
Uitspraak
Het Hof heeft zich niet gehouden aan de bepalingen van Art. 16 Grondwet en Art. 1, 1e lid, Sr, waardoor de beschikking niet in stand kan blijven.
Vraagstelling 2
Valt "zelfstandig" doden, dwz. zonder voorafgaande foltering, onder de werking van de Uitvoeringswet folteringverdrag?
Uitspraak
Het begrip 'foltering' is nauwkeurig omschreven in deze wet, waardoor het doden van iemand zonder dat deze mishandeling hieraan voorafgaat, niet kan vallen onder het begrip foltering.
Vraagstelling 3
Heeft Nederland rechtsmacht op handelingen die begaan zijn voor de inwerkingtreding van de Uitvoeringswet, zolang deze handelingen strafbaar waren in het Wetboek van Strafrecht?
Uitspraak
Art. 2-8 Sr geven geen rechtsmacht ten aanzien van handelingen die gepleegd zijn door een niet-Nederlander op een grondgebied buiten de Nederlandse jurisdictie. Aangezien er geen terugwerkende kracht bestaat, is hieraan geen rechtsmacht te ontlenen. De rechter heeft geen bevoegdheid te controleren of er een regel in het ongeschreven volkenrecht bestaat hiertoe waarvoor de nationale wetgeving zou moeten wijken.
Vraagstelling 4
Zijn de bedoelde handelingen inmiddels verjaard?
Als de handelingen vallen onder mishandeling in de zin van Art. 300 e.v. Sr, bepaalt Titel XX van het Tweede Boek de gevangenisstraf. Voor zware mishandeling is dit maximaal 15 jaar, waarbij er voorbedachten rade moet zijn en de dood als gevolg. De verjaringstermijn is 6 jaar in het geval van een gevangenisstraf van minder dan 3 jaar; is 12 jaar in het geval van meer dan 3 jaar gevangenisstraf; en is 18 jaar voor de levenslange gevangenisstraf. Hieraan is een bepaling toegevoegd van een verjaringstermijn van 15 jaar voor de straf van meer dan 10 jaar. Deze bepaling vloeit voort uit de Wet van 19 januari 1989, Stb. 1989, 7 (inwerkingtreding 01-03-1989), en heeft geen terugwerkende kracht. De verjaringstermijn gaat in op de dag na de pleging van het feit, en deze kan worden gestuit door een daad van vervolging - mits de vervolgde hiervan af weet. De verjaring voor de gevallen van deze zaak is op 09-12-1994, en er is geen bewijs dat er vervolgingsprocedures zijn gestart om dit te stuiten. De Uitvoeringswet bepaalt wel een levenslange gevangenisstraf voor foltering met de dood tot gevolg, waardoor de verjaringstermijn 18 jaar bedraagt. Maar opnieuw heeft dit geen terugwerkende kracht.
Uitspraak
Het recht tot strafvordering is verjaard.
Vraagstelling 5
Kan de vervolgde wel in Nederland worden vervolgd en berecht als hij zich niet binnen het grondgebied of de jurisdictie bevindt - zeker aangezien vervolgde als vermoedelijke dader geen Nederlandse nationaliteit heeft, en de slachtoffers dit ook niet bezaten?
De Nederlandse strafwet is in de Uitvoeringswet van toepassing op iedereen die zich buiten Nederland schuldig maakt aan bedoelde misdrijven. Belangrijk is het bestaan van een universele jurisdictie, waardoor elke verdragspartij rechtsmacht moet vestigen voor het vervolgen van dergelijke misdrijven, ook als deze buiten het grondgebied zijn gepleegd of als de verdachte zich binnen de jurisdictie bevindt. Er is eerder bepaald dat de Nederlandse strafwet van toepassing is op de verdachte (van daden in het buitenland) die zich op Nederlands gebied bevindt. Er is besloten de wetgeving niet te compliceren door vervolging mogelijk te maken zonder dat hiervoor een rechtsgrond bestaat, behalve in uitzonderingsgevallen waarvoor het volkenrecht deze mogelijkheid wel kent. Daarom wordt gekozen om de grenzen van de verdragen te eerbiedigen, zowel door rechter als wetgever. De wetgever houdt zich aan de bepalingen van Art. 5, 1e en 2de lid van het Verdrag, waardoor vervolging en berechting in Nederland slechts mogelijk is indien er een aanknopingspunt bestaat (zoals het Verdrag deze bepaalt) dat de rechtsmacht van Nederland inschakelt. Denk hierbij aan de Nederlandse nationaliteit van slachtoffer of dader, of het bevinden op Nederlands grondgebied van de verdachte.
Uitspraak
De beschikking kan niet in stand blijven. Er is geen rechtsmacht van Nederland aanwezig de verdachte te vervolgen en berechten. De beschikking wordt vernietigd door de Hoge Raad.
Waterpakt/Staat (HR 21-03-2003, JB 2003, 120)
Rechtsvragen
Casus
Op 12 december 1991 heeft de Raad van de EG een richtlijn vastgesteld inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen; de nitraatrichtlijn. De Nederlandse wetgever heeft deze richtlijn niet op tijd geïmplementeerd. Door de eisers, waaronder Waterpakt c.s., wordt nu aangevoerd dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld of onrechtmatig heeft nagelaten te handelen en zij vordert dat de Staat al het nodige zal doen om aan deze onrechtmatigheid snel een einde te maken. In deze zaak staat ook het effectiviteitbeginsel centraal. Alle overheidsorganen moeten zorgen dat het EG-recht in de lidstaat effectief is.
Hof
Implementatie van de Nitraatrichtlijn dient te geschieden door middel van formele wetgeving. Het staat de rechter niet vrij om in het proces van formele wetgeving in te grijpen. Het Hof heeft daarom de vordering afgewezen.
Hoge Raad
De Hoge Raad oordeelt, net als het Hof van Justitie, dat de Nederlandse rechter de wetgever niet kan bevelen om formele wetgeving tot stand te brengen. Ingevolge art. 81 GW. worden wetten in formele zin, in dit geval dus de nitraatrichtlijn, vastgesteld door de regering en de Staten-Generaal. De rechter mag niet ingrijpen in deze politieke besluitvormingsprocedure. Ook al heeft de Staat in dit geval nagelaten om de richtlijn te implementeren, dan nog moeten de regering en Staten-Generaal zelf de belangen afwegen en het eventueel op een inbreukprocedure laten aankomen.
Om de vraag of het Hof zich wel mag bemoeien met deze kwestie te beantwoorden, wordt teruggegrepen op het Francovich-arrest: de nationale rechter die in het kader van zijn bevoegdheden belast is met de toepassing van de gemeenschappelijke bepalingen, dient de volle werking van de bepalingen te verzekeren en moet de rechten van de particulieren zo goed mogelijk beschermen. De bevoegdheden van de nationale rechter worden bepaald door het nationale recht. Uit het voorgaande is geconcludeerd dat de nationale rechter niet bevoegd is de wetgever te bevelen formele wetgeving tot stand te brengen. Dus ook vanuit het EG-recht kan de nationale rechter niet de bevoegdheid verkrijgen, omdat hij zijn bevoegdheden alleen kan verkrijgen vanuit het nationale recht.
De Hoge Raad verwerpt het beroep van Waterpakt c.s.
Rusttijden (HR 02-11-2004, ECLI:NL:HR:2004:AR1797)
Casus
Het Hof heeft bewezenverklaard dat verdachte, binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap, als werkgeefster de arbeid van haar werknemers niet zodanig heeft georganiseerd dat deze werknemers rusttijden hadden in overeenstemming met artikel 8 van de EEG Verordening nr. 3820/85. Haar cassatiemiddel houdt in dat het Hof de veroordeling ten onrechte mede heeft gebaseerd op art. 8 van de EEG-Verordening 3820/85, nu deze bepaling niet kan worden aangemerkt als een verdragsbepaling die naar zijn inhoud een ieder kan verbinden in de zin van art. 93 Grondwet.
Hoge Raad
Het middel miskent dat een verordening van de EEG op grond van art. 249 EG-Verdrag rechtstreeks toepasselijk is in iedere Lidstaat, zonder tussenkomst van enig nationaal wettelijk voorschrift en buiten het systeem van art. 93 en 94 Grondwet om. Er is hier dan ook geen sprake van schending van het legaliteitsbeginsel. De Hoge Raad verwerpt het beroep.