Deze samenvatting is gebaseerd op het studiejaar 2013-2014.
Menselijke ontwikkeling is een cultureel proces. Als soort in de biologie onderscheidt de mens zich door culturele participatie. Door onze biologische en culturele erfenis zijn we voorbereid op het gebruik van taal en andere culturele middelen en op het leren van elkaar. Iets waardoor mensen in staat zijn zich collectief gebeurtenissen te ‘herinneren’ die we niet zelf hebben meegemaakt.
Om de culturele aspecten van ontwikkeling te kunnen begrijpen richt dit boek zich op het punt waar duidelijk gemaakt wordt dat mensen zich ontwikkelen als participanten van culturele gemeenschappen. Ontwikkeling kan zo begrepen worden in culturele gebruiken en de omstandigheden van de gemeenschappen waar ze gebruikelijk zijn.
Veel ontwikkelingsonderzoek heeft zich gericht op de middenklasse uit Europa waar dan ook de heersende theorieën op gebaseerd zijn. Ook worden hiermee vaak overgeneralisaties gemaakt door uitkomsten van kinderen uit de ene cultuur, als van toepassing op alle kinderen te verklaren.
Een culturele benadering zou zijn dat verschillende culturen van kinderen kunnen verwachten dat zij beginnen mee te doen in activiteiten op verschillende fasen van de kindertijd. Door deze cultureel vaststaande tabellen van ontwikkeling kunnen de participanten de tijdsindelingen van andere culturen als verrassend of zelfs gevaarlijk zien. Zo is het in het Verenigd Koninkrijk bijvoorbeeld verboden kinderen jonger dan 14 zonder ouderlijke supervisie alleen te laten terwijl in bepaalde Afrikaanse stammen het juist gebruikelijk is dat kinderen tussen 5 en 7 jaar al zorgen voor hun jongere broertjes en zusjes.
Hiermee wordt eigenlijk bedoeld dat het afhankelijk is van de cultuur waarin we leven wanneer kinderen een verantwoordelijkheid ontwikkelen om voor anderen te zorgen of bijvoorbeeld met voorwerpen te werken die we in onze Westerse cultuur als gevaarlijk beschouwen.
Deze variaties in verwachtingen van kinderen worden zinnig wanneer we verschillende omstandigheden en tradities in acht nemen.
Het belang van het begrijpen van culturele processen is de laatste jaren duidelijk geworden door de demografische veranderingen die zich hebben voorgedaan in Noord Amerika en Europa. Dit heeft veel mensen in contact gebracht met culturen die sterk verschillen van hun eigen. Cultureel onderzoek is daarom noodzakelijk om voorbij overgeneralisaties te gaan waarbij de onderzoekers er van uit gaan dat alle menselijke ontwikkeling zich op dezelfde manier voordoen als bij de gemeenschap van de onderzoeker. Verder is dit ook van belang, om rekening te houden met zowel de verschillen als de overeenkomsten tussen culturen.
Het hoofddoel in dit boek is het begrijpen van de regelmatigheid van de culturele natuur van menselijke ontwikkeling.
Op zoek naar culturele regulariteiten
Naast het genoemde doel heeft Rogoff zich ten doel gesteld in dit boek de beschikbare ideeën en onderzoek te integreren tot een beter begrip van hoe cultuur er toe doet in de menselijke ontwikkeling. Om de processen te begrijpen die karakteristiek zijn voor de dynamische ontwikkeling van zowel individu als die van hun veranderende culturele gemeenschappen, is het van belang dat we de regelmatigheden die zowel de variaties onder gemeenschappen als de enorme gelijkenissen van de menselijke soort blootlegt en verduidelijkt.
Door naar verschillende culturele tradities te kijken kunnen we ons bewust worden van zowel onze eigen culturele regulariteiten als die van andere culturen. Het kan ons helpen de culturele aspecten des leven die we als vanzelfsprekend ervaren te begrijpen en ook de aspecten te begrijpen die ons in andere culturen juist verrassen.
De ene set patronen: de leeftijdscategorisatie van kinderen en segregatie van gemeenschappelijke pogingen of participatie in volwassene activiteiten
Leeftijdscategorisatie ging in de westerse wereld gepaard met de toenemende segregatie van kinderen in de volledige reikwijdte van de activiteiten in de gemeenschap. Naar school gaan werd verplicht en door de industrialisatie werd de werkplek gescheiden van thuis. In plaats van meedoen in de volwassen wereld kwamen kinderen meer terecht in zich op kinderen concentrerende instituties en gebruiken om de kinderen voor te bereiden op latere intrede in de gemeenschap.
Rogoff beargumenteert hiermee dat kind-geconcentreerde settings en manieren waarop middenklasse ouders hun kinderen behandelen nauw verwant zijn aan de leeftijdscategorisatie en segregatie van kinderen. Twee dingen die ook centraal staan in ontwikkelingspsychologie, zijn verbonden met ideeën over levensfasen, denken en leerprocessen , motivatie, relaties met peers en ouders, opvoedingsgebruiken thuis en op school, competitie en samenwerking.
Een alternatief patroon betrekt kinderen juist bij de dagelijkse activiteiten van de gemeenschap. Dit patroon behelst zeer verschillende concepten en culturele gebruiken in menselijke ontwikkeling.
Andere patronen
Omdat cultureel onderzoek relatief nieuw is zijn we nog niet erg ver in het onderscheiden van regelmatigheden die de gelijkenissen en verschillen tussen culturen een plek kunnen geven. Er zijn echter enkele andere gebieden die belangrijke regulariteiten te lijken integreren bij culturele gebruiken.
Een van die regelmatigheden heeft te maken met een patroon waarbij menselijke relaties een bepaalde hiërarchische ordening nodig hebben, waarbij de een de ander controleert. Een alternatief patroon laat echter zien dat individuen samen verantwoording kunnen dragen voor de groep waarbij de een niet dominant over de ander is, maar waarbij ook verwacht wordt dat individuen hun eigen richting afstemmen op het kompas van de groep.
Andere patronen behelzen overlevingsstrategieën. De manieren waarop mensen hun leven inrichten en ordenen lijken allen verbonden met culturele overeenkomsten en verschillen in kinderzorg, familierollen, ontwikkelingsfasen en doelen, verantwoordelijkheid van kinderen, genderrollen en intellectuele prioriteiten.
Om te zoeken naar culturele patronen is het belangrijk vast te stellen hoe we denken over de rollen van culturele processen en individuele ontwikkeling.
Orienting concepts for understanding Cultural processes
Rogoff heeft verschillende concepten opgesteld om culturele ontwikkeling te begrijpen. Ze gebruikt daarvoor een sociaalcultureel-historisch perspectief. Hierbij moet je goed kennis nemen van het normale dagelijkse leven. Als je een hele cultuur alomvattend wilt begrijpen, moet interdisciplinair perspectief aannemen (gebruik maken van psychologie, antropology, geschiedenis, sociologie, onderwijs en andere velden).
Rogoff’s concepten zijn oriënterend en bedoeld om culturele processen te begrijpen. Het is een handleiding om te begrijpen hoe culturele processen de ontwikkeling van de mens beïnvloeden. Het algemene concept is:
Mensen ontwikkelen zich door veranderende participatie aan sociaal-culturele activiteiten van hun samenleving, welke ook veranderd.
Dit is de basis voor de volgende concepten:
Cultuur is niet iets wat andere mensen doen.
Mensen denken vaak van zichzelf dat ze geen cultuur hebben. Door in aanraking te komen met andere culturen word je hier bewust van.
Om je eigen culturele erfgoed te ontdekken, moet je de rol aannemen van iemand met een andere achtergrond.
Je moet achterhalen wat voor lief wordt genomen.
Culturele toepassingen passen in elkaar en zijn verbonden.
In een cultuur is er sprake van heel veel variabelen. Het is moeilijk om deze allemaal te reduceren. Er is ook geen sprake van een causaal verband.
Culturele communities veranderen voortdurend, net als individuen.
Er is niet zoiets als ‘The One Best Way’.
Het is niet de bedoeling dat je gaat onderzoeken wat de beste manier is.
De rest van dit hoofdstuk leg uit hoe je boven deze concepten uit kan stijgen. Dit doen we door:
Voorbijgaan aan initiële aannames
Verschillende ontwikkelingsdoelen bekijken
Het herkennen van de waarde van de kennis van zowel insiders als outsiders van specifieke culturele communities
Systematisch herzien van onze eigen veronderstellingen, zodat we ze kunnen omvatten
Voorbijgaan aan initiële aannames
Vaak nemen mensen de gebruiken van hun eigen gemeenschap aan als vanzelfsprekend, tot zij in contact komen met gebruiken uit andere culturen. Op zo’n moment kunnen zij zich bewust worden van aspecten van menselijk functioneren die niet opgemerkt worden tot ze weg zijn of sterk verschillend zijn. De meeste waarde van vergelijkend werk in een andere cultuur is dan ook de ervaring van een culture shock. Dan werkt de nieuwe omgeving op manieren die in conflict komen met wat zij altijd hebben aangenomen en kunnen zij de mening aannemen dat hun eigen cultuur slechts een optie is in plaats van de natuurlijke manier.
Ook zonder in een ander cultureel systeem ondergedompeld te worden kunnen vergelijkingen tussen culturen voor oncomfortabele momenten zorgen voor mensen die hun eigen culturele patronen nooit overdacht hebben. Velen hebben het idee dat de juistheid van hun eigen culturele manieren van doen in twijfel worden getrokken wanneer ze leren over gebruiken binnen andere culturen.
Nu komt een volgend doel van dit boek aan de orde, wat het scheiden van waardeoordelen en begrip krijgen van de manieren waarop culturele processen ontwikkeling beïnvloeden inhoudt.
Het uitbannen van oordelen is vaak nodig om je eigen culturele systemen te begrijpen. Sommigen denken dat respect voor andere culturen kritiek of twijfel jegens eigen cultuur impliceert. Het doel is daarom ook een begrip krijgen van de patronen van verschillende culturele gemeenschappen; een scheiding tussen begrip en waardeoordeel. Als waardeoordelen noodzakelijk zijn, zullen zij beter zijn gefundeerd wanneer ze enige tijd zijn uitgesloten om enig begrip te krijgen over de patronen in eigen leven en de verrassingen in andere gemeenschappen.
Voorbij etnocentrische en tekortkomende modellen
Vaak worden gebruiken van andere culturen gezien als barbaars. Eigen perspectief wordt vaak gezien als het enige juiste. Het woord barbaars stamt af uit de Griekse term voor buitenlands, rude en arrogant.
Een waardeoordeel toekennen aan een andere cultuur vanuit eigen cultureel perspectief zonder te begrijpen hoe de gebruiken zin hebben in andere gemeenschappen is etnocentrisch. Etnocentrisme behelst het oordelen over andere culturen al immoreel, ondoordacht of niet gepast gebaseerd op iemand zijn eigen culturele achtergrond zonder inachtneming van de betekenis en omstandigheden in die bepaalde cultuur.
Hiërarchie is volgens Edwards een anathema, grotere kinderen zouden kleinere niet mogen domineren, verbale onderhandeling zou moeten prevaleren, kinderen moeten altijd keuzes voorgelegd krijgen, en fysieke straf is de eerste stap naar mishandeling. Deze ideeën samen vertegenwoordigen een betekenissysteem.
Maar niet alle samenlevingen laten alle punten van dit betekenissysteem zien. Zoals bijvoorbeeld in een omgeving waar mensen een bepaalde fysieke en mentale hardheid nodig hebben om te kunnen groeien. Het sporadische gebruik van fysieke disciplinering heeft daar een heel andere betekenis dan in culturen waar fysiek comfort als vanzelfsprekend wordt gezien. Van buitenaf bekeken kan het zijn dat elk betekenissysteem dat gehanteerd wordt in andere culturen wordt opgevat als ongepast, terwijl die zelfde gebruiken van binnenuit juist weer gezien worden als zinvol.
Een scheiding tussen waardeoordeel en uitleg
Om ontwikkeling te begrijpen is het belangrijk waardeoordelen te destilleren van observaties. Hierbij is het belangrijk de betekenis en functies die de gebruiken in kwestie hebben volgens het lokaal culturele oogpunt en er op te letten dat men niet vanuit eigen cultuur naar andere culturele gebruiken kijkt. Interpretaties van gebruiken zonder de betekenis en functie voor de lokale cultuur te weten zijn dan ook betekenisloos.
Het terugdringen van etnocentrisme betekent niet dat waardeoordelen ontweken of pogingen tot veranderingen ontweken moeten worden. Als we voorbijgaan aan het idee dat slechts één manier de beste is kunnen we andere mogelijkheden aan gedachte onderhevig laten zijn, om zo te zoeken naar hoe zij werken en tot nut zijn in hun tijd en ruimte. Dit betekent overigens niet dat alle manieren goed zijn, velen zijn verwerpelijk. Het punt is hier dat over waardeoordelen goed nagedacht moet worden alvorens ze te vormen.
De diversiteit van culturele gebruiken binnen een land en wereldwijd kan een bron vormen voor de toekomst en creativiteit van de mensheid. Omdat we niet vooruit kunnen kijken weten we niet wat voor problemen de mensheid nog te wachten staat en daardoor ook niet welke benaderingen naar problemen effectief zullen blijven. Tussen de gebruiken van gemeenschappen wereldwijd kunnen ideeën en gebruiken zitten die van belang zijn om te gaan met de uitdagingen die de mensheid nog te wachten staan. Een eenzijdige cultuur zou de mogelijkheden voor de toekomst juist limiteren.
Verschillende ontwikkelingsdoelen
Een van de sleutels om voorbij je eigen set van aannames te komen is het herkennen dat de doelen van menselijke ontwikkeling variëren door de verschillende culturele tradities en omstandigheden die in verschillende gemeenschappen heersen.
Theorieën en onderzoek naar menselijke ontwikkeling hebben meestal als conclusie dat ontwikkeling leidt tot uniek gewild eindpunt in de volwassenheid. Bijna elke grote theorie geeft een unilineair ontwikkelingstraject weer dat eindigt bij de waarden die de gemeenschap van de onderzoeker heeft.
Ideeën van Lineaire ontwikkeling
De aanname dat gemeenschapsevolutie leidt tot een hogere differentiatie in het sociale leven is afkomstig uit eind 19e eeuw, begin 20e eeuw. Zo stelde Henry Lewis Morgan een menselijke voortgang voor dat voorkwam in 7 fasen: Lagere wildheid, midden wildheid, hogere wildheid, lagere barbaarsheid, midden barbaarsheid, hogere barbaarsheid, en civilisatie. Belangrijk bij civilisatie waren monogamie-agricultuur en privé-eigendommen als basis voor de economische en sociale organisatie.
Het op Europa gebaseerde systeem van formele westerse scholing werd gezien als het sleutelelement voor civilisatie voor de gemeenschappen die zich nog niet hadden opgewerkt tot het stadium van civilisatie.
De aanname dat culturen zich volgens één dimensie ontwikkelen van primitief naar ontwikkeld bleef bestaan tot halverwege de 20e eeuw. Amerikaanse scholen schoten als paddenstoelen uit de grond in voormalige koloniën om mensen te leren hoe ze uit de armoede moesten groeien en ze ‘moderne manieren’ bij te brengen.
Voorbijgaan aan een eenzijdig doel van ontwikkeling
Aannames gebaseerd op iemand zijn eigen leven over wat goed is voor menselijke ontwikkeling is moeilijk geweest om vast te stellen voor onderzoekers vanwege hun overeenkomstige achtergronden. Neisser zei al dat zelf-gecentreerde definities van intelligentie de basis vormen voor intelligentietests.
Onderzoekers en theoretici die met meerdere culturen zijn opgegroeid of buiten hun eigen cultuur leven hebben de wetenschap geholpen voorbij deze etnocentrische aannames te gaan. Onderzoek geeft nu meer aandacht manieren waarop verschillende gemeenschappelijke doelen relateren aan idealen voor de ontwikkeling van hun kinderen.
Geschoolde manieren van spreken worden in de ene samenleving meer gewaardeerd dan in de andere. In sommige culturen is het van groter belang dat kinderen meester worden met de gereedschappen en gebruiken waar hun gemeenschap gebruik van maakt.
Zo in geletterdheid in de ene gemeenschap van groot belang terwijl het in de volgende gemeenschap misschien juist van belang is dat kinderen de weerpatronen of sociale hints van mensen om hen heen te leren kennen.
In elke samenleving wordt menselijke ontwikkeling begeleid door lokale doelen hiervan, die prioriteiten stellen aan wat geleerd moet worden om te kunnen functioneren in die bepaalde culturele instituties en mechanismen. Volwassenen geven prioriteit aan volwassen rollen en gebruiken binnen hun gemeenschappen of hoe zij ze wellicht zien in de toekomst.
Hoewel culturele variatie in doelen en ontwikkeling herkend moet worden betekent dit niet dat elke cultuur een unieke set van waarden en doelen heeft. Er zijn regelmatigheden onder de verschillen. Het punt dat hierin gemaakt wordt is dat het idee van één enkele juiste uitkomst van ontwikkeling etnocentrisch is.
Het idee van een ‘uitkomst van ontwikkeling’ komt voort uit een bepaalde blik op kind zijn: een voorbereiding op volwassenheid. Iets wat gerelateerd kan zijn aan de scheiding van kinderen van belangrijke bezigheden van de samenleving, die zich in sommige culturen heeft voorgedaan sinds de industrialisatie. De behandeling van kind zijn als voorbereiding verschilt van andere gemeenschappen waar kinderen meewerken in de dagelijkse gang van zaken en niet in voorbereidende instituties als school gecentreerd worden.
Om te leren van en over andere culturen is het daarom van belang over de etnocentrische aannames te stappen waarvan we beginnen. De moeilijkste stap is het herkennen dat onze eigen blik op zaken bestaan door onze eigen culturele ervaringen en dat deze blik niet de enige juiste is.
Leren door insider en outsider communicatie
Om het begrip over menselijke ontwikkeling voorbij aannames te laten gaan en perspectieven van andere culturen te integreren is communicatie tussen insiders en outsiders van culturen van essentieel belang. Het gaat er niet om welk perspectief correct is, beide perspectieven bieden handvatten om tot een groter begrip te komen.
Sociaal wetenschappelijke discussie gaat vaak over de vraag of het insiders of het outsiders perspectief voor waar aangenomen moet worden. Er zijn zelfs personen die zeggen dat we vanwege de enorme variatie aan perspectieven niet kunnen zeggen dat er een waarheid bestaat en we zouden moeten stoppen het sociale leven te begrijpen. Volgens Rogoff is dit een te pessimistisch idee en zouden we bij aanname ervan niet alleen de sociale wetenschap maar ook alle dagelijkse leven verlammen omdat dergelijk begrip constant nodig is.
Argumenten gaan vaak over de vraag of insiders of juist outsiders exclusief toegang hebben tot het begrip over betekenissen in een gemeenschap. Argumenten waarbij dit voor insiders geldt, lopen tegen de moeilijkheid aan waar de meningen van de verschillende insiders sterk uiteenlopen dus wie is dan gekwalificeerd de groep te vertegenwoordigen? Daarbij is het zo dat leden van een gemeenschap hun eigen gebruiken en gewoontes vaak niet opmerken omdat ze het als vanzelfsprekend zien. Daarbij is het zo dat mensen tegelijkertijd leven in meerdere gemeenschappen waardoor de grens tussen binnen en buiten de gemeenschap vervaagt. Mensen groeien bijvoorbeeld steeds vaker op met twee culturen waardoor zij zowel enige insider als outsider kennis hebben over beide culturen. Overlap in gemeenschappen of culturen wordt ook steeds groter door de media, dagelijks contact en samenwerkingen.
Het is dus sterk gesimplificeerd te zeggen dat personen binnen of buiten een specifieke cultuur staan; veel gemeenschappen en culturen hebben geen duidelijke grenzen of voorwaarden hebben voor wat nodig is binnen of buiten een groep te staan.
Om menselijk functioneren beter te begrijpen is het voor mensen die bekend zijn met verschillende culturen hun observaties te combineren. Wat we voor waar aannemen is simpelweg de huidige overeenkomst over wat een nuttige manier is om dingen te begrijpen, dit is altijd aan verandering onderhevig. Vooruitgang in begrip is dan een continue poging de verschillende perspectieven tot een geheel te vormen waarbij de achtergronden en posities van degenen die het bekijken in acht genomen worden.
Outsiders position
Outsiders zijn nieuwkomers in het betekenissysteem met weinig begrip over de gebruiken en hoe ze gevormd zijn uit vorige gebeurtenissen. Tegelijkertijd worden ze geconfronteerd met de aannames van groepsleden die allen proberen te ontdekken wat de rol van de nieuwkomer is in de gemeenschap.
De identiteit van de outsider is ook niet neutraal; het geeft slechts toegang tot bepaalde situaties en lokt specifieke reacties uit wanneer de outsider aanwezig is. Aan de andere kant kan de aanwezigheid van de observeerder interesse en gastvrijheid uitlokken. Wat wellicht fijner is, maar ook wordt dit het doel van hetgeen dat je observeert. De vraag over hoe iets geïnterpreteerd moet worden hangt dan ook samen met de gelimiteerde toegang van de outsider. Zo is het in bepaalde samenlevingen bijvoorbeeld normaal om kinderen in het openbaar geen affectie te tonen. Iemand die onderzoekt hoe affectieve uitingen verschillen tussen gemeenschappen zal daar niet achter kunnen komen zonder dat hij zich in de huiselijke sfeer van de subjecten moet mengen.
Er zijn dan ook slechts enkele situaties waarbij de aanwezigheid van een outsider gebeurtenissen niet in publieke gebeurtenissen omtovert. Het is wel mogelijk wanneer het al publiek is, wanneer de aanwezigheid niet wordt opgemerkt of wanneer hun aanwezigheid zo iets bekends is dat het niet meer opgemerkt wordt.
Insiders position
De problemen waar zowel insiders als outsiders tegenaan lopen liggen in het punt dat mensen altijd functioneren in een socioculturele context. De interpretatie van iemand is noodzakelijk die van iemand uit een bepaalde tijd en een constellatie van bepaalde achtergrondervaringen.
Verschillen in hoe mensen zich gedragen bij wel of geen aanwezigheid van een observeerder laat zien hoe deze aanwezigheid gedrag beïnvloedt.
Maar ook insiders kunnen een beperkte toegang hebben tot situaties op basis van hun sociale identiteit. Door de familie waar hij of zij in zit, de huwelijkse staat en dergelijke is ook de positie van de insider verre van neutraal.
Daarbij is het zo dat een insider die in een relatief homogene omgeving leeft waarschijnlijk niet heeft nagedacht over de fenomenen die juist binnen de interesse van een outsider liggen. Deze etnocentrische aanname ligt vaak zo diep geworteld dat we ons niet bewust zijn van de gebruiken die we hanteren, tenzij we de kans hebben te zien dat anderen het anders doen. En zelfs wanneer dit het geval is bestaat de kans dat we ze interpreteren op een manier die passen binnen onze eigen aannames.
Laveren tussen lokaal en globaal begrip
Het heersende dilemma is dat wanneer onderzoek waardevol wil zijn het nodig is te reflecteren op de fenomenen die we observeren op manieren die zowel op lokale schaal zinnig zijn maar daar ook voorbij gaan. Er zijn twee benaderingen die laveren tussen lokaal en globaal begrip.
Het reviseren van derived etic benaderingen
Het zorgvuldig toetsen van aannames en open blik jegens begrip voor nieuwe informatie is van essentieel belang om te kunnen leren. Een onderscheid geboden door John Berry tussen emic, derived etic en imposed etic benaderingen in cultureel onderzoek zijn nuttig wanneer we nadenken over dit revisieproces.
En een emic benadering probeert de onderzoeker over het algemeen om het culturele insiders perspectief weer te geven van een bepaalde gemeenschap door observatie en participatie in de gemeenschap. Een emic benadering geeft een diepe analyse van één bepaalde gemeenschap.
De etic benaderingen proberen generalisaties en vergelijkingen te trekken binnen een bepaalde groep en verschillen in sensitiviteit van de emic benadering.
In een imposed etic benadering geeft de onderzoeker algemene uitspraken over menselijk functioneren in vergelijking tussen gemeenschappen gebaseerd op een cultureel ongepast begrip. Hierbij zijn theorieën niet kritisch toegepast net als de aannames en metingen van dagelijks onderzoek uit de onderzoekers zijn eigen gemeenschap.
In een derived etic benadering past de onderzoeker zijn manier van vraagstelling, observatie en interpretatie aan naar het perspectief van de participant. Het onderzoek dat er uit komt is gebaseerd op een emic benadering van waaruit elke groep bestudeerd wordt en zoekt naar betekenissen van fenomenen voor participanten.
Normaal gesproken is de intentie om zowel gebruik te maken van emic als van derived etic benaderingen. Ze willen de gemeenschappen die ze onderzoeken begrijpen en passen procedures en interpretaties aan de hand van wat zij te weten komen. De derived etic benadering is essentieel om patronen in de verschillende vormen van menselijke gebruiken en tradities te zien.
Een derived etic begrip is een continu veranderend object, de nieuwe inzichten worden emic begrippen die het beginpunt vormen voor nieuwe lijnen van studies.
Omdat observatie nooit losgemaakt kan worden van de aannames, interesses en zijn perspectief zeggen sommige academici dat we op moeten houden de crossculturele regulariteiten van fenomenen te begrijpen.
Feit is dat het proces van begrip van anderen essentieel is voor zowel het dagelijkse leven als voor wetenschappelijk werk. Onderzoek naar culturele issues heeft expliciete beredeneringen over betekenissystemen van de ene cultuur met termen vanuit de andere cultuur. Soms is onderzoek dan ook expliciet een vergelijking tussen gemeenschappen. Maar ook in emic onderzoek waar het doel is een gemeenschap in zijn eigen termen te beschrijven, moet de beschrijving die zinnig lijkt voor de insiders ook voor de outsiders aan elkaar te knopen zijn. Verschil in gemeenschap betekent dan dus ook vaak een verschil in taal. Alle taal refereert dan ook naar een lokaal belangrijk concept. Dit belang kan echter in verschillende gemeenschappen een ander gewicht hebben die de concepten van culturele concepten van pogingen tot communicatie weerspiegelen.
De betekenis van dezelfde situatie in verschillende omgevingen
Een punt voor iedere vergelijking of discussie tussen gemeenschappen is de gelijkenis van de betekenis of vergelijkbaarheid van de situaties die onderzocht worden. Simpelweg dezelfde soort personen in categorieën voor laten komen of ze dezelfde instructies geven zorgt niet direct voor vergelijkbaarheid, omdat de betekenis van die zaken onder verschillende gemeenschappen anders kan zijn.
Dezelfde procedures volgen onder meerdere gemeenschappen, geeft ook zeker geen zekerheid van vergelijkbare observaties. Behalve in acht nemen wie aanwezig zijn is het van belang dat vergelijkingen aandacht geven aan wat mensen samen doen, met welke doelen ze dat doen en hoe de activiteiten passen binnen de gebruiken van de gemeenschap. Uiteindelijk moet dan de betekenis vastgelegd worden van hetgeen geobserveerd is.
Of crosscultureel überhaupt vergelijkbaar is, is een groot vraagstuk, omdat vergelijkbaarheid eigenlijk zegt dat alles behalve hetgeen onderzocht wordt constant moet zijn. Misschien is dan ook het meest cruciale punt in vergelijkingen onderzoeken; het bepalen hoe hetgeen wat geobserveerd is geïnterpreteerd moet worden (Schweder)
Identiek gedag kan verschillende functies en betekenissen hebben in verschillende culturen. Sommigen beweren dat fenomenen vergeleken moet worden in het licht van welk beoogd doel er mee bereikt moet worden in plaats van in termen van specifiek gedrag. Robert Sears heeft het over de onderscheiding van doelen en motieven tegenover instrumentele betekenissen gebruikt om het doel te bereiken. Volgens hem kunnen de instrumentele waarden verschillen maar de doelen er van crosscultureel gelijk zijn. Volgens John Berry kunnen gedragsaspecten alleen vergeleken worden wanneer men kan laten zien dat ze functioneel gelijk zijn.
Focus op de doelen en functies van gedrag kan het begrip vergroten van hoe verschillende activiteiten dezelfde doelen kunnen bereiken of juist andersom.
Antropologisch perspectief | Manier van onderzoeken waarin veel gebruik wordt gemaakt van het observeren van participanten in het dagelijks leven. |
Barbaar | Een wilde, een persoon zonder normbesef, die wreed of onontwikkeld is. |
Biologisch erfgoed | De biologische basis in onze genen en fysiologie |
Child-focused settings | Instituties en plekken die speciaal zijn gericht op kinderen. Kinderen worden gescheiden van volwassenen op plekken zoals scholen en crèches, waar ze vooral interacteren met andere kinderen. |
Cross-cultureel onderzoek | Onderzoek dat gedaan wordt in verschillende culturen, waarbij gekeken wordt naar verschillen en overeenkomsten in de culturen. |
Cultureel erfgoed | De veelal onbewuste normen, waarden, overtuigingen en verwachtingen die je internaliseert vanuit de omgeving waarin je opgroeit. |
Culturele participatie | Het deelnemen aan activiteiten waarbij je culturele middelen verwerft, gebruikt en tegelijkertijd daarmee ook weer cultuur produceert. |
Cultuurshock | Het ervaren van verwarring of verontrusting wanneer men in een cultuur komt waarin de manier van leven conflicteert met de aannames vanuit hun eigen cultuur |
Deficit model (tekort model) | Model waarin een cultuur gezien wordt als norm voor andere culturen, waarbij afwijkingen worden gezien als tekortkomingen. |
Derived etic benadering | Onderzoeksbenadering waarbij de onderzoeker zijn manier van bevragen, observeren en interpreteren aanpast zodat het past binnen het perspectief van de participanten. |
Emic benadering | Onderzoeksbenadering waarbij de onderzoeker probeert om een insiders perspectief van een gemeenschap te verwerven, door observatie en participatie in de activiteiten van de gemeenschap. |
Etnocentrisme | Het beoordelen van andere culturen met de normen en waarden die horen bij je eigen cultuur, waarbij de eigen cultuur fungeert als maatstaf voor anderen. |
Formeel operationele fase | Stadium in de theorie van Jean Piaget waarin het kind leert om ruimtelijk, abstract en logisch te denken. |
Functioneel equivalent | Verschillend gedrag dat dezelfde functie of hetzelfde doel heeft |
Gemeenschap | Organisatie van een groep mensen met gemeenschappelijke belangen, gewoonten, leefomstandigheden en/of denkbeelden. |
Genderrollen | Gedragsverwachtingen die men heeft van mannen en vrouwen. |
Generalisatie | Het trekken van een algemene conclusie, geldend voor alle mensen. |
Globale kennis | Kennis die een outsider van een bepaalde gemeenschap heeft over die gemeenschap. |
Grand theories | Allesomvattende theorieën, waarbij één theorie een verklaring geeft voor de hele ontwikkeling |
Hiërarchische organisatie | Manier van organiseren waarbij er een duidelijke rangorde is, waarbij de mensen die hoger in rang staan macht uitoefenen over de mensen met een lagere rang. |
Homogeniteit | De mate van gelijksoortigheid. |
Imposed etic benadering | Onderzoeksbenadering waarbij de onderzoeker theorieën, assumpties en meetmethoden van zijn eigen gemeenschap toepast op andere gemeenschappen en culturen, zonder dat er aanpassingen zijn aan de lokale situatie. |
Insider | Iemand die lid is van een bepaalde gemeenschap |
Lineaire culturele evolutie | Het idee dat evolutie van een samenleving een continue vooruitgang is, waarin er een verschuiving plaatsvindt van simpel en primitief naar modern en complex. |
Lokale kennis | Kennis die een lid van de gemeenschap over zijn eigen gemeenschap heeft. |
Nomaden | Mensen zonder vaste woonplaats, zoals rondtrekkende stammen. |
Oedipus complex | Complex dat volgens Sigmund Freud ontstaat in de fallische fase van seksuele ontwikkeling van het kind. Een jongenskind wordt hierbij verliefd op zijn moeder en ziet zijn vader als concurrent. |
Ontwikkeling | Een natuurlijk proces waarbij een individu kennis, vaardigheden en bekwaamheden in taken verwerft. |
Ontwikkelingsdoelen | Doelen die in een bepaalde cultuur nagestreefd worden, waar naar toe wordt gewerkt in de loop van de ontwikkeling. Deze doelen verschillen sterk in verschillende culturen. |
Orienting concepts | Richtlijnen voor het nadenken over hoe culturele processen bijdragen aan ontwikkeling. |
Outsider | Iemand die geen lid is van een bepaalde gemeenschap |
Overkoepelend orienting concept | Mensen ontwikkelen via hun veranderende participatie aan sociaal-culturele activiteiten in hun gemeenschap, die zelf ook verandert |
Segregatie van kinderen | Het scheiden van de leefwereld van kinderen en volwassenen. Kinderen worden niet gezien als kleine volwassenen, maar worden apart gehouden en niet toegelaten tot alle activiteiten in hun gemeenschap. Dit komt veel voor in de Westerse samenleving. |
Sociocultureel perspectief | Een benadering die zich richt op het begrijpen hoe culturele gebruiken samenhangen met de ontwikkeling van de manier van denken, onthouden, redeneren en problemen oplossen van mensen. |
‘Timetables’ van ontwikkeling | Het schema van ontwikkeling van een kind, op welk moment het kind bepaalde verantwoordelijkheden krijgt en wat voor gedrag wordt verwacht van een kind van die leeftijd. Deze schema’s zijn sterk afhankelijk van de cultuur. |
Tradities | Gebruiken en gewoontes in een bepaalde cultuur die worden doorgegeven van de ene generatie op de andere. |
Een paar eeuwen geleden waren psychologen geïnteresseerd in hoe culturele processen bijdragen aan het menselijk denken. Ze waren verbaasd door wat ze observeerden. Deze verbazing kwam van het feit dat ze het dagelijks leven van de mensen probeerden te begrijpen door gebruik te maken van geldende ideeën van de ontwikkeling van de mens en hun cultuur. Dit hoofdstuk gaat over waarom de observaties zo verbazingwekkend waren.
Een belangrijk aspect was dat werd aangenomen dat ‘het individu’ los stond van de wereld, voorzien van basis, algemene karakteristieken die misschien secundair beïnvloed werden door de cultuur. Een ander probleem was dat cultuur vaak gezien werd als een statische collectie van karakteristieken. Rogoff zelf zegt dat de menselijke ontwikkeling een proces is waarin mensen veranderen door hun doorgaande participatie in culturele activiteiten, die op hun beurt weer bijdragen aan de veranderingen in hun culturele gemeenschappen gedurende generaties.
In de jaren ‘60 en ‘70 namen cross-culturele psychologen testen die de cognitieve ontwikkeling van kinderen meten af bij mensen uit het buitenland. Het doel was het gebruikmaken van maatregelen van denken die weinig voor de hand liggende relaties hadden met het alledaagse leven van mensen, en hun vermogen te onderzoeken onafhankelijk van hun achtergrond ervaring. Het idee was dat de ware bekwaamheid van mensen, waarvan verondersteld was dat het ten grondslag lag aan het dagelijkse prestaties, waargenomen kon worden gebruikmakend van nieuwe problemen die niemand ooit geleerd was om op te lossen. De niveaus van bekwaamheid werden gezien als een algemeen persoonlijke karakteristiek ten grondslag liggend aan verschillende aspecten van het gedrag zonder variaties bij verschillende situaties. Het rare was dat dezelfde mensen die slecht presteerden bij de onderzoekerstest hoog scoorden bij redeneren of onthouden ( of andere cognitieve vaardigheden die de test moesten meten) buiten de test situatie om. Om de verschillen in het vermogen op te lossen hebben de onderzoekers eerst geprobeerd om de inhoud en de indeling meer bekend te maken voor de participanten om zo meer zuivere maatregelen van onderliggende competenties. Ook hebben de onderzoekers geprobeerd de inhoud te verdelen in kleinere domeinen, zodat de verschillen tussen de situaties niet zo groot zouden zijn. De onderzoekers begonnen te merken dat er een relatie was tussen de prestaties op de testen en de ervaring met Westerse scholen en geletterdheid. Het was dus verleidelijk te denken dat school of geletterdheid mensen slimmer maakt, maar de dagelijkse observaties van de onderzoekers zorgden voor een andere interpretatie: namelijk een relatie tussen de prestatie op testen en de ervaringen met school.
Voorbeeld: Een onderzoeker legt een ongeleerde man een syllogisme voor. De syllogisme luidt als volgt: ‘In het verre noorden, waar sneeuw ligt, zijn alle beren wit. Novaya Zemlya ligt in het verre noorden en er is altijd sneeuw daar. Wat voor kleur hebben de beren in Novaya Zemlya?’
De man zegt dat hij geen antwoord kan geven omdat hij zelf nog nooit in het noorden is geweest. “ We always speak only of what we see; we don’t talk about what we haven’t seen.” Om bereid te zijn om een premisse te accepteren die men niet kan bevestigen, en om te redeneren vanuit deze premisse is karakteristiek voor geletterdheid en educatie. Voor dit soort logische redeneringen heeft men dus een specifiek soort training nodig.
Cultuur onderzoekers zochten naar alternatieve manieren om de relatie tussen individuele ontwikkeling en culturele processen te zien. De assumptie dat de karakteristieken van kinderen en culturen algemeen zijn was fout. De onderzoekers begonnen te twijfelen of de ontwikkeling van kinderen door allemaal dezelfde fases verliep bij elk kind. Onderzoekers merkte ook op dat bepaalde karakteristieken die gevonden werden in cultuur vaak toegeschreven werden op elk lid. Terwijl de mensen vaak van elkaar verschilden op andere dimensies. Rogoff is tegen onderzoek dat individuen ziet als entiteiten los van culturele processen, onafhankelijk van hun culturele gemeenschap. Dit soort onderzoeken kijken naar de invloed van de cultuur op het anders ‘algemene’ kind.
Margeret Mead
Het werk van Margeret Mead laat zien hoe voorbij gaande momenten van gedeelde activiteit, die wel of geen expliciete les voor kinderen bevatten, het materiaal zijn voor ontwikkeling. Tijdens haar onderzoek filmde ze alles waardoor ze instaat was veel culturele aspecten van individuele handelingen en interacties te onthullen. Dankzij deze bevindingen zijn er vele modellen ontwikkeld.
Whiting and Whiting’s Psycho-Cultural Model
Het Psycho-Cultural model is een model over de relaties tussen de ontwikkeling van individuen en de functies van hun directe omgeving, sociale partners en institutionele en culturele systemen en waarden. Dit perspectief laat zien dat om de menselijke ontwikkeling te begrijpe men een gedetailleerde beschrijving van de situaties waarin mensen zich ontwikkelen moet bezitten. De Whitings benadrukken dat als je de ontwikkeling van de mens wilt begrijpen je de situatie gedetailleerd moet onderzoeken. De Whitings spoorden aan tot dieper onderzoek van culturele processen. Het model van de Whitings laat de menselijke ontwikkeling zien als product van een ketting van sociale en culturele omstandigheden om het kind heen. De ketting begint met de omgeving als het klimaat, de planten enzovoort en leidt tot de geschiedenis. Dit leidt op zijn beurt weer naar het onderhoudssysteem van de groep (middelen van productie, wetsysteem). Dit leidt naar het kinds leeromgeving, wat bestaat uit hun routine instellingen, verzorgers en leraren, toegewezen taken en moeders werklast. Uiteindelijk zal de ketting het individu met de aangeboren behoeftes, drives, capaciteiten en aangeleerd gedrag bereiken. The Whitings namen aan dat onderhoudssystemen een groot deel van de leeromgeving vaststellen waarin het kind opgroeit en de leeromgeving beïnvloedt het gedrag en de ontwikkeling van het kind. He model heeft wel wat te korten doordat het de categorieën als onafhankelijk ziet en zegt dat de ene eenheid de andere veroorzaakt, waardoor het lijkt dat individuele en culturele processen behandeld worden alsof ze onafhankelijk van elkaar bestaan, met individuele karakteristieken gecreëerd door culturele karakteristieken.
Bronfenbrenner’s Ecological System
Het systeem van Bronfenbrenner gaat over de interacties tussen een veranderend organisme in een veranderende omgeving. In zijn systeem wordt de omgeving gevormd door iemands directe instellingen en de sociale en culturele context van relaties rond verschillende instellingen, zoals thuis, school en werkplek. Bronfenbrenner was geïnteresseerd in specificeren van de eigenschappen en condities van de sociale en fysieke omgeving die bevorderen of ondermijnen de ontwikkeling binnen de ‘ecologische nissen’ van mensen. Bronfenbrenner definieerde de ecologie van de menselijke ontwikkeling als betrokken (involving). Hij beschrijft zijn ecologisch systeem als samengesteld uit concentrische cirkels (voorbeeld: Matryoushka poppen). Ook bij het systeem van Bronfenbrenner worden het individu en de grotere context gezien als twee onafhankelijke dingen waarbij de grotere contexten de kleinere beïnvloeden die weer het individu beïnvloeden. De kleinste cirkel ligt het dichts bij de directe ervaringen van het individu. Hoe verder je naar buiten gaat hoe minder direct het individu beïnvloed wordt. Het systeem is verdeeld in vier aspecten van de ecologie waarin individuen functioneren: microsystemen, mesosystemen, exosystemen en macrosystemen.
Microsystemen: de directe ervaringen van het individu, de instellingen waarin het kind en anderen leven zoals school of thuis. Een van de basis eenheden van een microstysteem is een dyad (een paar), deze dyads zijn weer gerelateerd aan triads ( drie personen systemen als vader, moeder en kind). Zelfs in de meest directe instellingen zijn individuen en dyads afhankelijk van triads en grotere groepen.
Mesosystemen: de relaties rond de microsystemen waarin een individu betrokken is. Bijvoorbeeld: de aanvullende of tegenstrijdige praktijken van school en thuis. Volgens Bronfenbrenner heeft elke instelling relaties met andere instellingen. Ook is er overlap en communicatie tussen instellingen en informatie in elke instelling over de anderen.
Exosystemen: instellingen waarvan het kind niet direct onderdeel uitmaakt maar die wel invloed kunnen hebben op hun ontwikkeling. Zoals de werkplek van de ouders, is die flexibel met werktijden?
Macrosystemen: bevat waarden, wetten en (geloofs)overtuigingen van de maatschappij.
Problemen bij het in een model plaatsen van de relatie tussen het individu en culturele processen
Om systemen duidelijk te maken wordt vaak gebruik gemaakt van cirkels of pijlen. Maar ze beperken onze ideeën zonder dat we de beperkingen door hebben. Rogoff zegt dat het belangrijk is om de diagrammen te herzien om in staat te zijn het idee te representeren dat culturele en persoonlijke processen elkaar creëren. Deze diagrammen beperken onze ideeën doordat ze het individu en de cultuur verdelen in twee aparte eenheden waarbij de cultuur het individu beïnvloed. Gedrag wordt vaak gezien als de uitkomst van onafhankelijke culturele variabelen. Dit contrasteert met de benaderingen die de bijdrages van de individuen en de culturele praktijken die samen werken en elkaar zo vormen onderzoeken.
Socio-cultural Historical Theory
Vygotsky richtte zich vooral op de cognitieve vaardigheden en hun vertrouwen op culturele vindingen (zoals geletterdheid en wiskunde). Kinderen leren de middelen voor denken voorzien van cultuur door hun interacties met beter geschoolde mensen in de ‘zone of proximmal development. ‘the zone of proximal development’ is het verschil tussen wat iemand kan zonder hulp en wat men kan doen met hulp. Een kind volgt het voorbeeld van de ouder en leert zo om bepaalde taken zonder hulp te kunnen uitvoeren. Culturele middelen kunnen en geërfd worden en veranderd door opeenvolgende generaties. Cultuur is niet statisch; het wordt gevormd door de inspanningen van mensen die samenwerken, gebruikmaken en aanpassen van materiele en symbolische middelen voorzien door voorgangers en tijdens het proces nieuwe creëren.
Ontwikkeling komt voor in vier verschillende tijdsbestekken: at the pace of species change, community historical change, individual lifetimes en individual learning moments. Deze vier ontwikkelingsniveaus zorgen voor een goede manier om na te denken over de elkaar vormende natuur van culturele en biologische processen en de veranderende natuur van cultuur.
Rogoffs eigen werk
Rogoff zegt dat de ontwikkeling van de mens een proces is van de veranderende positie van mensen in de socioculturele activiteiten van hun gemeenschap. Mensen ontwikkelen zich als ze participeren en bijdragen aan de culturele activiteiten die ze zelf ontwikkelen met de betrokkenheid van mensen in voorgaande generaties. Mensen van elke generatie maken gebruik van en breiden de culturele middelen en praktijken uit geërfd van eerdere generaties. Als mensen zich ontwikkelen via hun gedeeld gebruik van culturele middelen en praktijken, dan dragen ze gelijktijdig bij aan de verandering van de culturele middelen, praktijken en instituties. Rogoff gebruikt afbeeldingen om dit idee verder te illustreren.
Competentie | Het vermogen van een individu om bepaalde taken uit te voeren. |
Concentrische cirkels | Uit de theorie van Bronfenbrenner, een schematische weergave van hoe cultuur en ontwikkeling elkaar beïnvloeden, waarbij verschillende contexten worden weergegeven als los van elkaar staande cirkels. |
Ecologische niches | De verschillende ecologische contexten waarin een individu zich begeeft |
Exosystemen | Derde laag van het ecologische model van Bronfenbrenner. Settings waar het individu niet direct deel van is, maar die wel invloed hebben op de ontwikkeling. Een voorbeeld is de werkplek van de ouders. |
Focus van analyse | Het niveau waarop de focus wordt gelegd bij onderzoek, zoals het individu of de sociaal-culturele instituties.in een onderzoek op de voorgrond staat. t invloed op het kin heeft ontwikkeling elkaar beast zodat het |
Interdependentie | Een onderlinge samenhang en afhankelijkheid. Cultuur en het individu beïnvloeden elkaar. |
Logische problemen | Bepaalde testen waarvoor logisch redeneren vereist is om tot de oplossing te komen. |
Macrosystemen | Vierde en buitenste schil van Bronfenbrenners ecologische model, die de ideologieën, waarden en overtuigingen van de cultuur. |
Maintenance systems | Derde schakel in het psychoculturele model van Whiting en Whiting, die systemen omvat op het niveau van het groepsonderhoud, zoals arbeidsverdeling, middelen van bestaan en systemen voor verdediging, wetten en sociale controle. |
Matroesjka | Een van oorsprong Russisch houten poppetje met daarin meerdere kleinere houten poppetjes. Bronfenbrenners ecologische model wordt hiermee vergeleken. |
Mesosystemen | Tweede laag van Bronfenbrenners ecologische model, die bestaat uit de connecties tussen de verschillende microsystemen. |
Microsystemen | Eerste laag van Bronfenbrenners ecologische model. Deze laag bestaat uit de omgeving waar het kind direct deel van uit maakt, zoals familie, vrienden en school. |
Projectieve-expressieve systemen | Schakel in Whiting en Whitings psychoculturele model, die sociale en culturele instituties omvat, zoals religie, kunst, maar ook criminaliteitscijfers. |
Psychocultureel model | Model van Whiting en Whiting waarin ontwikkeling van individuen wordt gezien in relatie met hun omgeving. Ontwikkeling is hierin het product van een keten aan sociale en culturele omstandigheden rond het kind. |
Stadiumtheorie | Ontwikkelingstheorieën zoals die van Piaget, waarin de ontwikkeling van een kind wordt gezien als het doorlopen van verschillende, achtereenvolgende stadia. |
Syllogisme | Een redenering die bestaat uit twee stellingen waaruit je een bepaalde conclusie kunt trekken. Syllogismen worden gebruikt om te meten hoe goed iemand logisch kan redeneren. |
Unidirectioneel | Een verband in één richting, A veroorzaakt B. |
Zone van naaste ontwikkeling | Term uit Vygotsky’s theorie, het verschil tussen wat een kind alleen kan en wat het kan met de hulp van anderen. |
Twee grote uitdagingen om de culturele erfenis te bepalen van mensen zijn de focus van dit hoofdstuk. De eerste is het voorbij gaan aan een paar lang overeind gebleven dichotomieën: culturele vs biologische erfenis en gelijkenissen tegenover verschillen.
Mensen als biologisch cultureel wezen
Het nature nurture debat zet biologische en cultureel aspect recht tegenover elkaar. Deze kunstmatige scheiding behandelt biologisch en cultuur als onafhankelijke entiteiten in plaats van mensen te zien als biologisch cultureel.
Het nature nurture debat schrijft verschillen aan cultuur toe en gelijkenissen aan het biologische aspect. Het is echter een foute aanname. Alle mensen hebben zowel grote biologische als culturele overeenkomsten als soort. We zijn tweebenig, gebruiken taal voor communicatie, hebben bescherming nodig als kinderen, organiseren in groepen en gebruiken gereedschappen.
De verfijnende zaken van de menselijke soort als het gebruik van taal, doorgeven van uitvindingen zijn ons cultureel erfgoed. Deel van ons biologische erfgoed is de grote flexibiliteit en de grote overeenkomsten in de culturele omgevingen die karakteriserend zijn voor de verschillende culturen.
Culturele aspecten kunnen zowel wereldwijd zijn als zeer divers tegelijkertijd. Borstvoeding is hier een goed voorbeeld van. Voordat er flesjes waren was borstvoeding universeel en van cruciaal levensbelang. Tegelijkertijd verschilt het sterk hoe lang de borstvoeding volgehouden wordt per cultuur.
Om ontwikkeling te begrijpen is het van belang te vinden op welke manieren menselijke ontwikkeling hetzelfde is over verschillende culturen en op welke manieren het verschilt. Het of-of denken moeten we achter ons laten en begrijpen dat biologische en culturele aspecten een wederzijdse invloed op elkaar hebben.
Vygotsky heeft een nuttig frame bedacht via waar we kunnen denken over de geïntegreerde dynamische natuur van individuele, culturele en soortelijke ontwikkeling. Hij heeft een vierdelig intergerelateerd systeem bedacht waar ingegaan wordt op het individuele en de omgeving in verschillende tijdseenheden:
Ontogenetische ontwikkeling gebeurt in de tijd gedurende iemand zijn leven.
Phylogenetische ontwikkeling is de langzame ontwikkeling van de geschiedenis van de soort en laat een erfenis achter in de vorm van genen en die over de eeuwen transformeren.
Cultureel historische ontwikkeling verandert over decennia en eeuwen, wat een erfenis achter laat voor individuen in de vorm van symbolische en materiële technologie.
Microgenetische ontwikkeling is het leren door individuen van moment tot moment in een bepaalde context gebaseerd op de culturele en genetische achtergrond.
Deze levels van analyse zijn onafscheidelijk. De inspanningen van de personen brengen culturele gebruiken voort die de organisatie van de ontwikkeling van individuen verder coördineren. Net zo werkt de biologische ontwikkeling van de mensen samen met de culturele instituties die de cultuur karakteriseren.
Menselijke ontwikkeling bouwt noodzakelijk voort op de historische kapitaal waarmee mensen worden geboren aks lid van hun soort en gemeenschap. Oftewel: nature en nurture vormen allebei de ontwikkeling.
Nieuwe generaties veranderen tegelijkertijd de culturele instituties als dat ze de bijdragen aan de biologische evolutie. Alleen al de geboorte van een kind heeft culturele gebruiken om de zwangerschap en bevalling hangen. Bijvoorbeeld medicatie en keizersnede.
Zulke culturele vindingen kunnen de biologische karakteristieken van de soort vormen. Zo kan een keizersnede bijdragen aan genetische veranderingen in een soort. Deze genetische veranderingen kunnen weer bijdragen aan verandering van culturele mogelijkheden. Dus biologische en culturele processen opereren ook hier tegelijkertijd.
Voorbereid leren door baby’s en jonge kinderen
Baby’s worden geboren met een aanleg om de manieren en gebruiken om hen heen te leren. Mensenkinderen worden geboren aanleg om taal te leren, iets wat wij van onze voorouders geërfd hebben. De fasen van het beheersen laten zich in een constante volgorde zien die verschilt per cultuur. De voorbereiding op het leren van een taal heeft te maken met een neiging te leren van culturele processen die wij ook van onze voorouders geërfd hebben (dit komt door contact tussen generaties en niet door genen).
Menselijk leren wordt mogelijk gemaakt door een lange kindertijd vergeleken met andere diersoorten. Andere dieren worden geboren met capaciteiten die mensenbaby’s niet kunnen. Deze lange babytijd kan verantwoordelijk zijn voor onze flexibiliteit als soort en de mogelijkheid taal en andere culturele vindingen te gebruiken. In deze langdurige menselijke ontwikkeling kunnen kinderen op een flexibele manier de gebruiken van welke gemeenschap dan ook leren. Mensen worden geboren met een zelf regulerende strategie om kennis te verwerven door onderhandeling en coöperatieve acties. Deze socialisatie is voor een mens even natuurlijk als ademhalen.
De snelle ontwikkeling van taal bij kinderen hangt af van hun vermogen taal onderscheid te maken en hun ervaringen met het onderscheid in de talen die zij horen. In het eerste jaar wordt de gevoeligheid voor onderscheid minder voor geluiden die ze zelden horen, omdat ze hun gehoor en spraak aanpassen op tonen die hen omringen. Over de hele wereld is het gebrabbel van kinderen hetzelfde tot ongeveer de leeftijd van zes maanden.
De wortels van de vooringestelde gevoeligheid van kinderen voor taalonderscheid is waarschijnlijk opgekomen door zowel biologische en socioculturele processen over de geschiedenis van de mensheid. Ongetwijfeld experimenteerden onze voorouders met mogelijkheden van communicatie tijdens normale pogingen tot overleven. Zij die daarin slaagden gaven zowel hun genen als hun gebruiken door aan de volgende generaties en droegen zo bij aan dit sleutelelement van biologisch culturele aspecten van onze soort.
Het leren van taal wordt ook ondersteund door biologische en culturele facetten in het menselijke leven die baby’s de mogelijkheid geven hun moedertaal te onderscheiden en te beginnen te communiceren met zij die het gebruiken.
De pogingen van kinderen te leren gaan gepaard met biologische en culturele aspecten van verzorger-kind relaties en culturele gebruiken stimuleren dat kinderen meedoen in de activiteiten van hun gemeenschap. Of ze nou wel of niet expliciet een docerende rol op zich willen nemen, verzorgers hebben de rol van model voor volwassen optreden en structureren de omgeving en activiteiten op manieren die lokale vormen van leren ondersteunen.
Gedurende de kindertijd participeren kinderen steeds meer in en beginnen ze met het managen van de culturele activiteiten die hen omringen. Ze leren de skills en gebruiken van hun gemeenschap door contact met anderen die bij kunnen dragen in het structureren van het te leren proces begeleiding geven en helpen de participatie te vormen.
Overal leren kinderen skills in de context van hun gebruiken en hulp van de genen om hen heen. Zo leren kleuters in India bijvoorbeeld een onderscheid te maken in het gebruik van de linker of rechter hand. Lokale versies van onpersoonlijke ondersteuning om te leren komen van een lange biologische en culturele geschiedenis. Elke generatie mensen komt ter wereld voorbereid te leren hoe mee te doen in de gebruiken en tradities van hun ouderen. Dit kan bijdragen aan de snelle ontwikkeling van kinderen als participanten in de gebruiken en het begrip van hun gemeenschap.
Waar komen gender verschillen vandaan?
Er is een actief debat gaande rond de vraag of gender verschillen biologisch onvermijdelijk zijn of dat ze cultureel te vormen zijn. Rogoff ziet dit als een combinatie tussen die twee factoren.
De biologische factor zegt dat mensen biologisch voorbereid zijn op gender verschillen, voornamelijk door verschil in voortplantingsrollen. Dit wordt vaak als tegenpool gezien van de genderrol training die komt door instructie en ervaring met een door gender gestructureerde wereld.
Biologische voorbereiding op gender verschillen
De biologische voorbereiding zegt dat mannen en vrouwen andere voortplantingsstrategieën hebben die doorgetrokken worden in vele andere aspecten van het menselijk leven. Dit zegt dat het gedrag van dieren voornamelijk gemotiveerd wordt door de noodzaak te overleven. Genderverschillen zouden dan voortkomen uit het punt dat vrouwen een grotere investment hebben in ieder kind om zo hun genen voort te brengen waar mannen veel minder tijd en moeite hiervoor kwijt zijn. Mannen kunnen wel helpen hun genen voort te brengen door de vrouwen te helpen bij de opvoeding van kinderen door voedsel en bescherming te verzekeren. Dergelijke assistentie is soms een voorwaarde om mannen toe te laten in het voortplantingsproces.
Een moeilijkheid in dit biologische argument is dat mannen nooit zeker kunnen weten dat het kind daadwerkelijk van hun is en dus niet weten of ze helpen met de voortzetting van hun eigen genen of die van een ander.
Tegelijkertijd oefenen vrouwen controle uit over de mogelijkheid voor mannen om hun genen te reproduceren. Om deze toegang te verkrijgen is het voor mannen nodig om deel te nemen aan activiteiten die vrouwen overtuigen dat zij een betere partij zijn dan andere mannen. Volgens het biologische argument is dit er voor verantwoordelijk dat onder mannen een grotere rivaliteit en een grotere variatie en ongelijkheid aan vaardigheden heerst dan onder vrouwen.
Gender rol training
Gender verschillen lijken ook gevormd te worden door de verschillende taken die aan jongens en meisjes worden opgelegd. Beatrice Whiting benadrukt dat kinderen leren anderen te behandelen in lijn met de groep persoonlijkheden waar zij regelmatig mee in contact staan, en dan met name met die van het gender en de leeftijd van hun companions. In ‘The Six Cultures’ van Whiting & Whiting observeerden zij dat kinderen die hun tijd doorbrachten met jongere kinderen zich meer opvoedend gingen gedragen.
Uit daaropvolgende culturele onderzoeken kwam naar voren dat deze opvoedende rol erg vaak naar meisjes werd toegeschoven, terwijl jongen hun vader moesten helpen.
Kinderen zoeken naar regelmatigheden in gedrag gebaseerd op ‘salient’ categorieën in hun gemeenschap. Gender is zo’n niet te varieren salient categorie. Kinderen zijn conservatiever in gender verschillen dan volwassenen. Ze zoeken naar regels en wanneer ze er een gevonden hebben passen ze deze strenger toe dan hun ouders.
Gender informatie omringt kinderen voortdurend, dit geeft ze de mogelijkheid te leren over genderrollen in hun gemeenschap door hun ouders, broers zussen en vriendjes, maar ook leraren en types op televisie (veel kinderboeken en programma’s geven stereotype beelden van wat mannen en vrouwen wel en niet horen te doen).
De subtiele informatie over gender die kinderen bereikt kan makkelijker worden aangenomen omdat het als vanzelfsprekend wordt gezien. Lee en Ruth Monroe doen een voorstel waarin ze zeggen dat dergelijke patronen worden aangenomen zonder een bewuste waakzaamheid en zonder dat uitgelicht wordt wat de voorkeur heeft of plezieriger is. Zij voorspelden dat gender rollen redelijk vaststaan en slechts langzaam zullen veranderen.
Dus het genderrol trainingsargument beweert dat gender verwachtingen niet alleen gevormd wordt door doelgerichte training maar ook door verschillende behandeling van jongens en meisjes.
Participatie in dynamische culturele gemeenschappen
Wanneer de verbindingen tussen personen en gemeenschappen vastgesteld worden, is er onder veel mensen een neiging in eenzijdige categorieën te denken (vaak etniciteit of ras). Dit resulteert in het ‘hokjesprobleem’. Welk hokje vink jij aan wanneer je jouw etniciteit moet weergeven?
In de volgende sectie wordt het probleem behandeld waar cultuur voornamelijk wordt gezien als een categorie van individuele identiteit. Rogoff doet de suggestie dat over culturele processen gedacht kan worden als dynamisch verbonden culturele gemeenschappen waarin individuen participeren en aan bijdragen door de generaties heen.
Cultuur als categorisch eigendom voor individuen tegenover het proces van participatie in dynamisch verbonden culturele gemeenschappen
Over de culturele participatie van personen wordt vaak gesproken in termen als: wie ben jij en wat ben je?
Deze categorische benadering is vaak gebaseerd op het idee dat individuele levens gevangen kunnen worden in ‘sociale adressen’ als ras, etniciteit en socio-economische klasse. Ze zijn wel belangrijk om te zien hoe mensen zichzelf en anderen categoriseren maar ze kunnen niet gelijkgesteld worden aan cultuur.
Rogoff is er meer voor zich te concentreren op de mate van participatie in gemeenschappen, om zo te kijken naar de dynamische generatieve natuur van zowel individuele levens als van culturele gebruiken.
Culturele gebruiken als moedertaal, religie, regering, manieren van leren attituden e.d. staan centraal in zowel individueel als gemeenschappelijk functioneren wanneer mensen aan culturele gebruiken meedoen en ze vormen.
De verplaatsing van cultuur als sociaal adres naar toetsing van participatie in de gemeenschap zou problemen oplossen waar we momenteel mee tegen aanlopen. Identiteitscategoriën concentreren zich vaak op nationaliteit van voorouders en zien belangrijke variaties binnen landen vaak over het hoofd. Maar hoe beter iemand kijkt, hoe meer verschillen opvallen.
Problemen met variabiliteit, overlap en subgroepen in variabele benaderingen van cultuur
Het splitsen van groepen kan bijna oneindig doorgaan tot wanneer men uitkomt bij een individu. Vele academici maken zich zorgen over het punt waar toeschrijvingen aan culturele verschillen moeilijkheden creëert voor sociale wetenschappers wanneer zij generalisaties over menselijk functioneren willen trekken. Psychologen willen extra hokjes. Deze zorgen komen allebei vanuit het hokjesprobleem.
Dit probleem verdwijnt volgens Rogoff echter wanneer we cultuur zouden gaan zien als een beschrijving van de participatie van individuen in een culturele gemeenschap. Deze beschrijving kan gaan over nationaliteit, religie, generaties, nationale verschillen etc. Het punt is hier alleen dat het niet gezien gaat worden als losstaande categorieën.
Volgens Rogoff zou het concept van cultuur vernietigd worden wanneer de sociale wetenschap zich zou richten op vergelijkingen van cultuur met een intersectie van dergelijke categorieën.
Culturele gemeenschappen
Het denken aan culturele gemeenschappen is essentieel in dit voorstel om te schakelen van een nadruk op culturele identiteit als eigenschap van individuen. Het helpt de focus te leggen op de participatie van personen in culturele processen die de normale gang van zaken vertegenwoordigen in bepaalde gemeenschappen.
Voor de huidige doeleinden kunnen gemeenschappen gedefinieerd worden als groepen mensen met enige continue en gelijkenissen in organisatie waarden, begrip, geschiedenis en gebruiken. Dewey zei ooit dat er meer is dan alleen een verbale band tussen common, community en communication. “People live in a community in virtue of the things which they have in common; and communication is the way in which they come to posses things in common.”
Een gemeenschap heft als eigenschap dat mensen samen dingen proberen te bereiken, met een stabiliteit in inzet en aandacht voor de zaken die hun verbinden. Het zijn van een gemeenschap vereist gestructureerde communicatie die een verwachting met zich meedraagt enige tijd stand te houden. Een gemeenschap ontwikkeld gebruiken en tradities die transcendent zijn aan de losse individuen die er in leven.
De relaties tussen mensen in een gemeenschap zijn gevarieerd en multi-dimensionaal. Verschillende participanten hebben verschillende rollen en verantwoordelijkheden en hun relatie kan comfortabel, conflictueus of tegenstrijdig zijn. Hun relaties behelzen persoonlijke connecties en procedures om onvermijdelijke conflicten mee op te lossen met manieren waarop de relatie blijft bestaan.
Een gemeenschap draagt generaties in zich die zich er in bewegen met hun eigen manieren van handelen overeenkomstig naar hun generatie. Om te blijven functioneren moet een gemeenschap zich dan ook aanpassen naar de tijd waarin zij bestaat.
De manier waarop Rogoff gemeenschap gebruikt is niet gelimiteerd tot groepen mensen die voor generaties in hetzelfde dorpje of streek wonen. Het kan ook inhouden dat mensen over afstand die met elkaar een netwerk vormen en gedeelde aannames over hoe dingen moeten gebeuren en dezelfde gereedschappen gebruiken binnen gelijkstaande instituties. Ook in zulke afstandelijke gemeenschappen zijn de relaties veelzijdig.
Te verwachten variaties binnenin en overlappende deelname tussen gemeenschappen
De vragen over variatie binnen een groep en over overlappende deelnames is geen struikelblok wanneer gekeken wordt naar participatie in culturele gemeenschappen.
Variaties tussen participanten van een gemeenschap zijn te verwachten, ze hoeven niet dezelfde doelen ideeën achtergronden en gebruiken te hebben. Ze zijn eerder deel van een soort gecoördineerde organisatie. Vaak spelen zij in complementaire rollen die in elkaar passen en elkaar aanvullen. Het zijn de common ways die participanten delen die door Rogoff als cultuur gezien worden.
Vaak doen mensen ook mee in meerdere gemeenschappen tegelijk en de culturele manieren van handelen van deze verschillende gemeenschappen kunnen conflicterend zijn of overlap vertonen. Mensen leven bijvoorbeeld in een land waar bepaalde normen gebruiken en waarden leven, maar tegelijkertijd leven zij in een meer lokale gemeenschap die zowel overlap als conflict vertoond met die van het land. De saillantie van de overlap in deze culturen is waarschijnlijk gevarieerd voor degenen die er in leven.
Vaak staan gemeenschappen met elkaar in nauw contact of zijn met elkaar verbonden. Vaak op manieren die er toe dienen elkaar te verfijnen.
Rogoff richt zich bewust op de participatie in plaats van lidmaatschap omdat een lidmaatschap een soort van overeenkomst vereist dat mensen binnen bepaalde grenzen vallen zoals de eerder genoemde hokjes. Maar vaak doen mensen wel mee in gemeenschappen zonder dat ze er echt toe behoren.
Volgens Rogoff is het zo dat wanneer we het meer dynamische concept van participatie gebruiken in plaats van dat van lidmaatschap, we ons makkelijker kunnen concentreren op de culturele processen die gepaard gaan met zowel individuele ontwikkeling als met gemeenschapshistorie.
Generalisering over mensen en processen
De categorische benadering gaat uit van enige homogeniteit binnen elke categorie mensen en generaliseert dus al automatisch. Deze benadering is in conflict met het punt van de representativiteit van onderzoek over een bredere populatie waarvoor zij als sample moeten dienen.
Het voorstel ons te concentreren op participatie richt zich op het punt dat generaliteit een kwestie is die geobserveerd moet worden om zo te kijken in hoeverre welke observatie ook over andere gemeenschappen gegeneraliseerd kan worden.
Veel rapporten die gepubliceerd worden schenken maar weinig aandacht aan informatie over de culturele achtergronden van hun participanten of ze refereren naar brede etnische achtergronden zonder na te denken over de culturele gebruiken ervan. Hetgeen dat volgens Rogoff bekeken moet worden is hoe de brede observaties generaliseren door te kijken naar patronen van variatie in plaats van simpelweg van generaliteit uit te gaan binnen categorieën of te zeggen dat categorieën eindeloos van elkaar verschillen.
Ook zouden we ons moeten concentreren op vragen over generaliteit van culturele processen, niet zomaar uitgaan van generaliteit of representativiteit van groepen mensen. Met het voorstel te zoeken naar regulariteiten in culturele processen, propageert Rogoff een dynamische benadering om cultuur te onderzoeken.
We hebben al wel ideeën over universele gebieden en vele voorbeelden van culturele verschillen. Er is echter een grotere focus nodig op de regulariteiten van de patronen in variatie en gelijkenissen in culturele gebruiken tussen culturele gemeenschappen.
Voor veel mensen die deel zijn van de dominante cultuur waarin zij leven is het moeilijk om de culturele aspecten van hun dagelijkse leven überhaupt als cultureel te zien, laat staan ze zo te onderscheiden.
De zaak van de middenklasse; Europees Amerikaanse culturele gemeenschappen
De culturele gebruiken, tradities, waarden en begrip van middenklasse-Europeaans Amerikaanse gemeenschappen zijn minder zichtbaar voor mensen die hun culturele erfenis hier aan te danken hebben omdat mensen van een dominante cultuur hun gebruiken vaak als de norm zien. Het is zelfs normaal voor onderzoekers om Europees Amerikaanse gebruiken en ontwikkeling als normaal of natuurlijk te zien.
Habituele relaties tussen mensen worden verwachtingen geïnstitutionaliseerde regels en benaderingen die mensen gaan zien als niet nodig voor hun functioneren. Zulke instituties zijn als gevolg culturele kenmerken waar de innovaties van vorige generaties gebruikt worden alsof het een routine is.
Om de culturele basis van menselijke ontwikkeling in alle culturen te begrijpen is het belangrijk eerst een aantal andere zaken te analyseren. Mensen die variatie in cultuur hebben meegemaakt zijn waarschijnlijker bewust te worden van hun eigen culturele manieren.
Als tijdelijke oplossing draagt Rogoff aan dat we slechts losjes moeten refereren naar de gebruiken, tradities en gemeenschappen van de Europees Amerikaanse middenklasse. Hiermee bedoelt zij de culturele manieren van handelen die in de laatste decennia een prominente positie heeft ingenomen in de mainstream van Noord Amerika.
Interessant is echter ook dat velen zich de laatste jaren tot de middenklasse rekenen. Misschien heeft dit te maken met de extensieve deelname aan formele scholing en de geassocieerde rollen die de groepen het meest karakteriseren; meer dan etniciteit of nationaliteit hoewel deze vaak samen gaan.
Het is echter wel zo dat het middenklasse hoog geschoolde culturele systeem zich niet alleen beperkt tot mensen van West Europese afkomst. In grote steden over de hele wereld vinden we hooggeschoolde mensen van alle afkomsten die steeds meer de Europees Amerikaanse klasse representeren met hun gebruiken en waarden.
Deze verschillen zijn zelden onderzocht. Maar de variaties onthullen de culturele gebruiken die toegeschreven zijn aan de regio’s religies en andere onderscheidingen van de mainstream.
De variaties onder middenklasse Europees Amerikaanse buurten/wijken van verschillende regionen uit het land zijn duidelijk genoeg op de merken om in twijfel te trekken of ze tot dezelfde gemeenschap behoren. Ondanks dat zijn er ook zeker belangrijke onderliggende gelijkenissen in waarden en gebruiken tussen de buurten/wijken die het rechtvaardigen de gemeenschappen als onderdeel van een grotere gemeenschap te zien.
Op bladzijde 88/89 staat wat geschreven van Bronfenbrenner over hoe immigranten zouden moeten wennen en zich aan moeten passen aan Amerikaanse waarden.
Voorstellingen over gemeenschappen tussen de generaties door
Wanneer de vraag gesteld wordt met welke gemeenschappen mensen zich identificeren vinden mensen het vaak nodig om een groot gedeelte toe te kennen aan de achtergrond van hun familie.
Deze historische en dynamische natuur van gemeenschapsparticipatie is moeilijk een plaats te geven wanneer groepslidmaatschap is beperkt tot een aantal statische categorieën. Volgens Rogoff is het dan nodig om te kijken naar de gemeenschapsparticipatie over meerdere generaties. In die zin zijn sommige gemeenschappen bewaard gebleven waarop verder is gebouwd en op hetzelfde moment transformeert elke nieuwe generatie naar wat zij meemaken.
Golven zijn een voorbeeld waar de connectie tussen personen mee geïllustreerd kan worden. Een individuele watermolecuul beweegt tegelijk met andere moleculen, maar de beweging die hij maakt is deels zijn eigen beweging.
Net als mode, veranderen de tradities voor culturele gemeenschappen door bijvoorbeeld economische wereldcrises, oorlogen en andere zaken die de huidige generaties beïnvloeden. Dit werkt ongeveer hetzelfde als de participatie van een individu in meerdere gemeenschappen. De verschillende tradities kunnen met elkaar in lijn zijn of juist met elkaar conflicteren.
Biological preparation argument | Het argument dat mannelijke en vrouwelijke voortplanting verschillende strategieën voor de reproductie hebben, die ook invloed hebben op andere aspecten van het leven, zoals sekserollen. |
Box probleem | Het probleem dat ontstaat wanneer er één vaststaande categorie gebruikt wordt, vaak een etniciteit of ras, om een individu te categoriseren: in welke categorie valt een persoon dan? |
Chronocentrisme | Het idee dat de eigen generatie, het eigen tijdperk het belangrijkste tijdperk uit de geschiedenis is. |
Cultureel-historische ontwikkeling | Volgens Vygotsky, een van de timeframes waarin menselijke ontwikkeling plaatsvindt. De erfenis voor het individu in de vorm van symbolische en materiële technologie, normen en waarden. |
Dichotomie | Een indeling in twee klassen, zoals nature tegenover nurture. |
Etniciteit | Een sociaal-culturele identiteit, die een bepaalde groep mensen of een aantal bevolkingsgroepen verbindt. |
Fylogenetische ontwikkeling | Uit Vygotsky’s theorie, een van de timeframes waarin menselijke ontwikkeling plaatsvindt. De langzaam veranderende soortgeschiedenis dat een erfenis achterlaat voor het individu in de vorm van genen, die veranderen over eeuwen en millennia. |
Geïnstitutionaliseerde regels | Regels die formeel vastgelegd zijn. |
Microgenetische ontwikkeling | Uit de theorie van Vygotsky, een van de timeframes waarin menselijke ontwikkeling plaatsvindt. Het leren van moment tot moment van mensen in een bepaalde context. |
Nationaliteit | Het horen bij een bepaalde staat of een bepaald land. |
Nature-nurture debat | De discussie over wat de oorsprong is van ontwikkeling, met aan de ene kant het idee dat alles is aangeleerd en aan de andere kant het idee dat alles is aangeboren. |
Ontogenetische ontwikkeling | Een van de timeframes waarin menselijke ontwikkeling plaatsvindt, de ontwikkeling die plaatsvindt in het timeframe van een mensenleven, bijvoorbeeld over de jaren van de kindertijd. |
Predispositie | Natuurlijke aanleg. |
Sekse rol training | Het idee dat kinderen de sekserollen van hun gemeenschap ontwikkelen door de rolmodellen in hun dagelijks leven en het aanmoedigen van seksespecifiek gedrag. |
Wiegendood (Sudden Infant Death Syndrome) | Het onverwachts overlijden van een baby, zonder dat daar een oorzaak van kan worden vastgesteld. |
Over de hele wereld zijn er verschillen in de manieren van opvoeden. Maar bij al deze manieren spelen wel de familie, de buurt waar de kinderen in opgroeien en de gemeenschap een rol. Maar de rol die ze spelen verschilt per cultuur. In het boek wordt een voorbeeld gegeven waarin de gemeenschap de verantwoordelijkheid heeft voor het opvoeden van een kind. Als het kind iets uitspookt dat niet mag en iemand van de gemeenschap ziet dit en doet hier niets aan, dan is hij medeplichtig.
Zoals gezegd in het vorige hoofdstuk worden culturele praktijken rondom het opvoeden van een kind geërfd van eerdere generaties maar worden ook herzien door de nieuwe generatie met nieuwe omstandigheden en nieuwe ideeën.
De samenstelling van het gezin en de overheid
Veranderingen en continuïteiten in de familiale omstandigheden tijdens de afgelopen generaties kunnen worden onderzocht door te kijken naar het politieke beleid over de groei van de populatie. Grote families zijn afhankelijk van tijd en plaats de afgelopen jaren aangemoedigd en ontmoedigd. Vooral in China en Mexico is de samenstelling van het gezin enorm veranderd. De veranderingen in de samenstellingen van gezinnen (grote of kleine gezinnen) heeft veel invloed op het dagelijks leven, het opvoeden van de kinderen en de omstandigheden waarin de ouders verkeren.
Culturele strategieën voor de overleving en de verzorging van een kind
De overlevingskans van een kind staat centraal in de praktijken van het opvoeden van kinderen. Ook al valt het nauwelijks op bij families die het beter hebben of in een betere omgeving wonen. Op plekken waar een hoge kindersterfte heerst zijn de prioriteiten van de ouders heel anders. In bepaalde gemeenschappen is het nodig als ouder om een groter aantal kinderen te krijgen om er zeker van te zijn dat je genoeg hulp hebt in het huishouden of later onderhouden kan worden door je kinderen.
Robert LeVine (1980) ontwikkelde een driedelige hiërarchie van doelen die ouders stellen bij het opvoeden van de kinderen in verschillende gemeenschappen. Hij zegt dat de leden van de gemeenschappen zich aanpassen om zo situaties te voorkomen waarin mensen prioriteiten moeten stellen om hun kinderen niet te verliezen.
In gemeenschappen met een hoge kindersterfte moeten ouders de lichamelijke overleving en de gezondheid vooropstellen.
Als tweede noemt LeVine het leren van de kinderen om zichzelf economisch te onderhouden tijdens hun volwassenheid.
Als aan de eerste twee prioriteiten is voldaan, dan kunnen de ouders meer energie steken in de mogelijkheden van de culturele waarden van het kind. Bijvoorbeeld: prestige, religie, intellectuele prestaties, persoonlijke tevredenheid en zelfrealisatie.
Angstig-afwerend hechtingspatroon | Hechtingspatroon dat wordt gekenmerkt door grote stress bij een kind wanneer de verzorger afwezig is. Wanneer de verzorger terug komt, is het kind niet makkelijk te troosten. Het kind zoekt tegelijkertijd contact en weert nabijheid van de verzorger af. |
Angstig-vermijdend hechtingspatroon | Hechtingspatroon dat wordt gekenmerkt door weinig stress bij een kind wanneer het van zijn verzorger gescheiden wordt. Bij de terugkeer vermijden ze de verzorger, ze richten zich bij gevaar op de omgeving in plaats van steun te zoeken bij de verzorger. |
De Vreemde Situatie (The Strange Situation) | Onderzoeksprocedure naar hechting tussen verzorger en kind, waarbij de verzorger de ruimte verlaat en later herenigd wordt met het kind, om de stressreactie van het kind te onderzoeken. |
Eenkindpolitiek | Een in China geldend beleid waarbij een stel slechts één kind mag krijgen. Het krijgen van meer kinderen is strafbaar. |
Extended family | Andere familieleden naast het kerngezin, zoals grootouders, ooms, tantes, neven en nichten. |
Hechting | De duurzame gevoelsmatige band tussen een kind en zijn verzorger. |
Infanticide | Kindermoord, het doden van een baby bij of vlak na de bevalling. |
Kerngezin | Een gezin bestaande uit een man, een vrouw en minderjarige kinderen. |
Mazelen | Een zeer besmettelijke kinderziekte die veroorzaakt wordt door een virus en een dodelijke afloop kan hebben. |
Schakelbord model (switchboard model) | Communicatiestijl die veel gebruikt wordt in het Westerse onderwijs, waarbij de leraar een spreekbeurt krijgt tussen de beurten van de kinderen. Kinderen richten zich alleen op de docent en bouwen zelden op de ideeën van de andere kinderen. |
Seriële monogamie | Het meerdere malen achtereenvolgens hebben van één seksuele partner. Mensen hebben dus wel meerdere partners, maar slechts één tegelijk. |
Veilig hechtingspatroon | Hechtingspatroon dat wordt gekenmerkt door vriendelijkheid van het kind voor de scheiding met de verzorger, lichte behoedzaamheid tijdens de scheiding en snel weer op zijn gemak zijn na de hereniging met de verzorger. Het kind laat na de hereniging geen woede zien. Dit wordt gezien als het ideale hechtingpatroon. |
Volkspediatrie | Kindergeneeskunde door leken, door niet-medici. |
Zuigelingensterftecijfer | De zuigelingensterfte per 1000 levendgeborenen. |
Een van de centrale vragen in de psychologie heeft altijd gedraaid om de natuur en de timing van de overgangen van de ene ontwikkelingsfase naar de andere. Etnografisch gezien hebben onderzoekers dan ook veel fasen onderscheiden van de ontwikkeling bij de mensen die zij bestudeerden.
Normaal gesproken worden ontwikkelingsovergangen door onderzoekers weergegeven als een eigenschap van individuen, zoals de fasen van cognitieve ontwikkeling door Piaget. Deze overgangen kunnen in de kindertijd echter ook als cultureel worden beschouwd, gemeenschappelijke gebeurtenissen die voorkomen wanneer iemand zijn rol in de gemeenschap verandert. Vaak worden ontwikkelingsfasen beschreven in termen waarin de persoon relaties en gemeenschapsrollen ontwikkeld.
In 1996 heeft Chrisholm een Najavo-gemeenschap onderzocht en heeft op een schema van Begishi voortgebouwd over de ontwikkeling zie zij volgen gedurende hun leven:
Iemand wordt bewust (2-4 jaar, met de eerste tekenen van zelfdiscipline)
Iemand wordt zelfbewust (4-6 jaar, met bewustzijn over eigen gedachten en
en wil)
Iemand begint te denken (6-9 jaar, met gepaste benaderingen en respectvolle bijdrages.
Iemands gedachten beginnen te bestaan (10- 15 jaar, verantwoordelijkheden worden volbracht zonder dat hulp of supervisie van anderen nodig is, en men begint zijn plaats binnen de gemeenschap te herkennen.)
Iemand begint voor zichzelf te denken (15-18 jaar, volledig in staat zijn eigen zaken op te lossen.)
Iemand begint aan alles te denken (17-22 jaar, beheerst alle verantwoordelijkheden van het volwassene leven)
Iemand begint voor zichzelf vooruit te denken. (22-30 jaar, het succes van iemands leven is te zien in zijn kinderen, en men kan verantwoordelijkheid beginnen te nemen voor het welzijn van anderen.)
Iemand begint vooruit te denken voor alle dingen (30 +)
In veel gemeenschappen worden ontwikkelingsovergangen gekenmerkt en gevierd door ceremonies . Sommige ceremonies worden gehouden om gewaardeerde gebeurtenissen en prestaties te vieren zoals de eerste lach, de eerste communie of het slagen. Andere zijn gebaseerd op leeftijdsgebonden passages.
In dit hoofdstuk wordt het contrast besproken tussen levensfasen die in chronologische lijn voorkomen, gebaseerd op leeftijd en die van gebeurtenissen en prestaties die gewaardeerd worden door de gemeenschap. Vervolgens worden culturele waarden gerelateerd aan de ‘mate van’ vooruitgang. Waarna overgangen tussen kindertijd en volwassenheid worden besproken en wordt bekeken hoe gemeenschappen veranderingen in de ontwikkelingsstatus, met speciale gebeurtenissen waarderen en kenmerken, deze gebeurtenissen verschillen vaak per geslacht.
Leeftijd als culturele meetlat voor ontwikkeling
In sommige gemeenschappen is het gebruikelijk geworden om de leeftijd als karakteristiek te zien voor individuen en als organisatieprincipe te gebruiken voor menselijk leven. De kern van deze manier van meten en zijn connectie met school worden duidelijk in de ideeën van kinderen wanneer zij het hebben over hun verwachtingen van waar andere kinderen zijn betreft schoolklassen. Zij reflecteren dit dan op waar zij zelf waren op die leeftijd en generaliseren dit naar alle kinderen. In contrast met de ordening van levens op basis van leeftijd staan andere gemeenschappen waar leeftijd niet bijgehouden wordt.
In een Maya gemeenschap bijvoorbeeld, gaven moeders van zowel hun eigen leeftijd als die van hun kind slechts een schatting.
Leeftijd is niet belangrijk. Hier worden mensen ook niet geïdentificeerd aan de hand van hun progressie over tijd, maar aan de hand van hun sociale relaties en hun plaats in de gemeenschap.
In plaats van ontwikkeling te meten aan de hand van tijd sinds geboorte, wordt in dergelijke gemeenschappen vaak een relatieve indicatie van oudheid als meetlat gebruikt. Mensen weten vaak wel wie ouder is dan wie, wat uit kan maken voor het aantal verantwoordelijkheden en privileges. Zo hebben zij bijvoorbeeld verschillende woorden om oudere of jongere broertjes en zusjes aan te duiden. Leeftijd wordt zo taalkundig in de woorden besloten.
Leeftijd kan echter redelijk precies achterhaald worden door te kijken wie ouder is dan wie of door te vragen naar memorabele gebeurtenissen die ze meegemaakt hebben zoals aardbevingen. Wel zijn mensen over de hele wereld zich bewust van fysieke veranderingen die zich gedurende een mensenleven voordoen, zoals de eerste ongesteldheid of het wisselen van tanden. Onderzoekers kunnen dit gebruiken als substituut voor leeftijd en de gemeenschappen kunnen deze veranderingen gebruiken als mijlpalen in de ontwikkeling.
Leeftijd wordt echter sowieso pas kort als meetinstrument gebruikt, ook in de westerse wereld. Pas in de twintigste eeuw werd er in Amerika gerefereerd naar leeftijd en verjaardagen gevierd. Nadat in 1910 verjaardagskaartjes verschenen en deze snel een complete industrie werd. Deze recente verdeeldheid naar leeftijd past echter wel perfect in manieren waarom de huidige industriële samenlevingen prioriteiten en gebruiken creëren. Met name binnen het efficiënte management van scholen en andere instituties.
Ontwikkelingsovergangen die veranderingen teweegbrengen in relatie tot de gemeenschap
In sommige gemeenschappen is het gebruikelijk om in plaats van met leeftijd of fysieke veranderingen, ontwikkeling weer te geven aan de hand van sociale gebeurtenissen. Zo luidt bij sommige gemeenschappen naamgeving de persoonsvorming in. Hier wordt geloofd dat kinderen de reïncarnatie zijn van overledenen die een representant sturen via een koppel. Dit kind wordt niet tot de wereld der levenden gerekend tot het een naam krijgt, wat meestal gebeurt wanneer de navelstreng afvalt. Voor de naamgeving wordt een kind dan ook meer tot de geesteswereld gerekend en rouwen de mensen niet wanneer het kind sterft, omdat zij het beschouwen als nooit geleefd.
Over de hele wereld wordt onderscheid gemaakt in ontwikkelingsfasen in termen waar het kind een nieuwe vorm van participatie in de gemeenschap of binnen het gezin bereikt. Zoals de eerste lach of de eerste woordjes in veel westerse gemeenschappen. Latere ontwikkelingen worden veel ineen kindgecentreerde sleutelinstitutie weergegeven; school. Van peuterspeelzaal naar kleuterklas en basisschool tot middelbaar onderwijs en vervolgopleidingen. Andere overgangen worden dan weer vooral weergegeven met leeftijdscategorieën waarbij men bepaalde dingen mag doen zoals drinken, stemmen en autorijden.
Andere manieren waarop fasen in ontwikkeling worden onderscheiden hebben ook vaak te maken met relaties tot andere mensen in de gemeenschap. Margaret Mead heeft een referentie opgezet naar fier grote leeftijdscategorieën die met ontwikkeling te maken hebben.
Schootkinderen verkeren het grootste deel van de tijd op iemand zijn schoot of in hun fysieke aanwezigheid.
Kniekinderen blijven in de buurt van de knieën van hun verzorgers of bewegen zich in de ruimte die goed in de gaten gehouden wordt door hun verzorgers.
Tuin kinderen bewegen zich in een vrijere ruimte maar blijven dicht bij huis.
Gemeenschapskinderen gaan buiten het huis werken en participeren in andere gemeenschappelijke instituties als school of de markt.
Deze fasen van ontwikkeling identificeren de veranderende relaties van kinderen met anderen in hun gemeenschap.
Rates of passing developmental milestones
Veel variatie is aanwezig in hoe snel kinderen bepaalde mijlpalen bereiken in hun ontwikkeling. Voorbeelden hiervan zijn zoals gezegd de eerste lach, lopen, praten etc.
Deze variatie is gedeeltelijk gebaseerd op hetgeen wat gewaardeerd wordt in de culturele gemeenschap waar de kinderen in opgroeien. Een voorbeeld is de tegenstelling tussen Europees Amerikaanse gezinnen waar de vroege ontwikkeling van assertiviteit en spraak bemoedigd wordt tegenover Italiaanse gemeenschappen waar ontwikkeling vooral gericht is op dankbaarheid en sociale situaties.
Verschillen in waardering en verwachtingen tussen gemeenschappen zijn terug te vinden in de moeite die de ouders doen om hun kinderen te helpen om bepaalde vaardigheden te leren. Deze verschillen per cultuur zorgen er voor dat andere ontwikkelingsdoelen nagestreefd worden. Zo wordt in de ene gemeenschap bijvoorbeeld traplopen geleerd, maar in andere gemeenschappen is dit niet van belang omdat er geen trappen zijn. Eenzelfde soort tegenstelling is dat in sommige gemeenschappen kinderen aangemoedigd worden zo snel mogelijk te leren kruipen en lopen, terwijl in andere gemeenschappen dit ontmoedigd wordt tot na het tweede jaar. In de tussentijd kijken de kinderen telkens naar hoe de ouderen het doen. Deze onthoudingen hebben echter tot gevolg dat wanneer het wel aangeleerd wordt het leerproces sneller volbracht is.
Age timing of Learning
De vraag hoe snel kinderen mijlpalen in hun ontwikkeling kunnen behalen werd de Amerikaanse vraag genoemd. In de ontwikkelingstheorie van Piaget is het de volgorde van fasen die van belang zijn, niet de leeftijd waarop deze fasen voorkomen.
Zorgen over op tijd zijn, achterlopen of voorlopen zijn pas opgekomen sinds de de ontwikkeling van gestandaardiseerde metingen, na het begin van de industrialisatie. Voordat werktijden het dagelijks ritme coördineerden waren er dan ook nog nauwelijks, op tijd lopende, horloges en klokken. Later toen school verplicht werd, kwam er ook een gestandaardiseerde leeftijd waarop kinderen moesten beginnen met naar school gaan. Schoolleiders gaven hierbij de voorkeur aan het indelen op leeftijd ten opzichte van indeling op voortgang.
Mental testing
Mentale leeftijd is een product van de ontwikkelingspsychologie uit voornamelijk Frankrijk en Amerika. Binet en een aantal andere wetenschappers waren de eersten die intelligentietests ontwikkelden als praktisch instrument voor scholen, om te bepalen welke kinderen speciale educatie nodig hadden. De poging intelligentie te kwantificeren is een typisch kenmerk van het tijdsperk waar we leeftijd systematisch gebruiken om mensen te categoriseren en in te delen naar verschillende scholen. Niet veel later kwam het begrip IQ (Intelligentie Quotiënt) om mentale leeftijd te vergelijken met chronologische leeftijd. Ironisch genoeg begon Piaget zijn carrière in het lab van Binet om intelligentie te onderzoeken.
Ontwikkeling als racebaan
De Amerikaanse vraag is gebaseerd op een metafoor over een racebaan om ontwikkeling aan te geven, deze metafoor neemt aan dat kinderen die mijlpalen in de ontwikkeling eerder passeren succesvoller zijn in het latere leven. Ze beginnen op hetzelfde punt bij geboorte maar na jaren racen zijn het aantal gereden rondes sterk uiteenlopend.
Veel ouders en leraren in westelijke werelden zien ontwikkeling als een uni-lineair traject waarbij ze aannemen dat de timing van het behalen van mijlpalen de sleutel is tot succes of falen. Dit stelt een rechtlijnig pad voor naar de meer complexe dimensies en richtingen van menselijke ontwikkeling.
In westerse gemeenschappen leggen ouders vaak de nadruk op de ontwikkeling van hun kind in vergelijking met andere kinderen. Iets wat in andere gemeenschappen niet veel voorkomt. Het gevolg hiervan is dat in de westerse gemeenschappen sommige families een hoge druk op kinderen leggen wat betreft academische prestaties en hebben ze hoge verwachtingen wat betreft de ontwikkeling van hun kind, ondanks gebrek aan bewijs dat het vroeg bereiken van ontwikkelingsmijlpalen inherent is aan grote vooruitgang.
In andere gemeenschappen is het juist weer zo dat ouders geen enkele druk leggen op de ontwikkeling van hun kinderen. De ouders vinden het prima wanneer de kinderen leren wat ze moeten leren wanneer zij er zelf klaar voor zijn, zonder enige druk van bovenaf uitgeoefend te krijgen. Hier wordt niet verwacht dat ieder kind hetzelfde ontwikkelingspad volgt als zijn ouders, maar hier krijgt ieder kind zijn eigen unieke sociale status toegewezen.
According infant’s unique social status
Sommige gemeenschappen hebben unieke sociale statussen voor kinderen waarin hun acties en verantwoordelijkheden simpelweg anders gezien worden dan die van oudere kinderen en volwassenen. Dit impliceert dat ze niet simpelweg als onvolwassenen worden gezien, en ook geen noodzaak hebben zo snel mogelijk te leren hoe zij zich volgens de sociale gedragsregels der volwassenen te leven. Ze zitten in een periode van moratorium (Latijn: morari :uitstellen ) waarin niet verwacht wordt dat ze dezelfde regels volgen en ook geen druk wordt opgelegd dit snel te doen.
Dergelijke gemeenschappen verwachten niet van baby’s en kleuters dat zij begrijpen hoe ze samen moeten werken met de groep, er wordt gedacht dat ze niet in staat zijn intentioneel anderen pijn te doen of verkeerd te behandelen. Tot zij dit vermogen ontwikkeld hebben wordt hen een bevoorrechtte situatie in de familie gegeven.
Contrasterende behandeling van kleuters en oudere broers/zussen
In westerse gemeenschappen is het vaak het streven dat kinderen van welke leeftijd dan ook dezelfde sociale regels volgen, dit is iets waar de ouders vaak op toezien.
In een Maya gemeenschap is dit bijvoorbeeld weer heel anders, hier hebben kinderen een bevoorrechtte status waar zij niet altijd dezelfde regels hoeven te volgen als de oudere kinderen. Het contrast ligt hier verder ook in het punt dat de maya-moeders niet vaak tussenbeide hoeven te komen wanneer beide kinderen met hetzelfde speelgoed willen spelen. Beurten werden niet besproken en slechts soms zei de moeder tegen het oudere kind het jongere kind te laten spelen omdat het het simpelweg niet begrijpt.
Dus het verschil in aanname ligt er in dat westerlingen geloven dat peuters en kleuters wel degelijk expres dingen kapot kunnen maken en immoreel gedrag kunnen vertonen waar Maya- gemeenschappen juist weer denken dat kinderen van deze leeftijd dat niet expres kunnen doen.
Continuïteit en discontinuïteit in de vroege kindertijd
De Maya benadering dat jonge kinderen niet dezelfde regels als iedereen hoeven te volgen is gebaseerd op het idee dat hen net als ieder ander persoon respect gegeven moet worden. Wanneer het kind 2-3 jaar is wordt er verwacht dat het enigszins doorheeft wat wel en niet kan en gaat het van status baby naar de status waar ze rekening geacht worden te houden met anderen en hun wensen.
Deze overgang heeft een bepaalde discontinuïteit in zijn regels bij de behandeling van kinderen richting hun volwassenheid welke contrasteert met de regels uit de westerse samenlevingen.
Lebra vond in Japanse gemeenschappen hoe moeders hun kinderen natuurlijk op laten groeien en hun kinderlijke gedrag accepteren. Dit is een visie die mogelijk gerelateerd is aan de visie van de Maya’s bij opvoeding. Door de wederzijdse empathie van moeder en kind leert het kind zijn gedrag in lijn te brengen met de culturele normen.
In Europees Amerikaanse gemeenschappen is het gebruikelijk/wordt het verwacht dat het plotseling optredende tegendraadse gedrag dat voorkomt bij the terrible two’s (peuterpubertijd) het einde van de onmondigheid van het kind inluidt. Deze overgang zou een indicator zijn van het begin van autonomie en eigenheid.
In andere gemeenschappen echter is een dergelijke periode rond het tweede levensjaar helemaal niet gebruikelijk. Zo kunnen zij bijvoorbeeld juist contact zoeken met en observerend zijn naar degenen die hen altijd een speciale status hebben gegeven en deze status nu ineens reserveert voor een ander kind. Het kind neemt in dergelijke gemeenschappen juist de rol van verzorger op zich en wordt van moederskindje een kind van de gemeenschap en helpt hier ook in.
Verantwoordelijke rollen in de kindertijd.
In veel gemeenschappen is het zo dat wanneer kinderen hun peuter/kleutertijd passeren zij mee gaan helpen in het werk van de familie.
Onset of responsibility at age 5 to 7?
In veel delen over de hele wereld is de leeftijd tussen vijf en zeven een belangrijke overgangsperiode voor de verantwoordelijkheden en status van kinderen in hun gemeenschap. De westerse bureaucratische gemeenschap heeft dit als punt genomen waarop de behandeling van kinderen een omslagpunt kent. Hier worden zij geacht goed van fout te kunnen onderscheiden en te beginnen aan serieuze educatie in instituties buitenhuis. Ontwikkelingsonderzoek geeft hier een veelvoorkomende discontinuïteit aan in vaardigheden en kennis rond deze periode.
In veel gemeenschappen wordt deze periode als overgang aangemerkt . Bijvoorbeeld wanneer kinderen tanden beginnen te wisselen, worden kinderen in Ngoni verwacht verantwoordelijkheid te tonen. Ook etnografisch onderzoek onder vijftig gemeenschappen geeft aan dat deze periode een wijdverspreide verandering aanmerkt in de verantwoordelijkheden en verwachtingen van kinderen. Dit komt omdat het idee bestaat dat kinderen tussen de 5-7 jaar een gevoel van rationaliteit hebben of over een gezond verstand beschikken.
Het lijkt uit de etnografische literatuur zo te zijn dat kinderen tussen vijf en zeven vatbaar worden voor verantwoordelijkheid en educatie. Echter: op de leeftijd tussen 8 en 10 verwachten ouders begrip en hulp van kinderen, met competentie en verantwoordelijkheid.
Ondanks dat de verwachtingen voor kinderen tussen vijf en zeven een algemene basis hebben is het belangrijk niet te veel specificiteit te geven aan verwachtingen voor bepaalde activiteiten die aan leeftijd gebonden worden. Het kan natuurlijk ook zo zijn dat de gevonden overeenkomsten te maken hebben met de verwachtingen van de westerse onderzoekers; de meeste leeftijden moesten geschat worden omdat de mensen hun leeftijd niet wisten.
Het is dus ook belangrijk niet te veel gewicht te geven aan specifieke leeftijdsverwachtingen omdat de leeftijd waarop kinderen beginnen met bepaalde activiteiten sterk gebonden is aan de steun en beperkingen die zij krijgen vanuit hun gemeenschap zoals beschreven in hoofdstuk 1.
Volwassen worden en ervaring
Soms zeggen experts in ontwikkeling dat andere gemeenschappen onverantwoordelijk zijn in hun opvoeding bij kinderen, wanneer zij met ‘gevaarlijke voorwerpen’ mogen werken, simpelweg omdat zij aannemen dat kinderen daar niet toe in staat zijn. Aan de andere kant verwachten westerse gemeenschappen ook dingen van kinderen die door andere gemeenschappen als onverantwoordelijk worden gezien zoals slapen zonder dat er een volwassene bij is.
Veel activiteiten die bepaalde gemeenschappen kunnen zien als een natuurlijk gegeven dat hoort bij de overgangsfasen in ontwikkeling zijn slechts natuurlijk door de aannames, omstandigheden en de organisatie die in de betreffende cultuur gelden. In plaats van aan te nemen dat leeftijdsovergangen inherent zijn aan de biologische ontwikkelingen die kinderen doormaken, onafhankelijk van de omstandigheden, is het goed te kijken naar hoe kinderen verantwoordelijk worden,hoe zij voor zichzelf moeten zorgen, en dit doen volgens de regels die gelden in de gemeenschap. De grote veranderingen die voorkomen bij de biologische ontwikkeling gaan gepaard met grote veranderingen in gemeenschapsbrede veranderingen in verwachtingen en mogelijkheden voor de kinderen mee te doen in de activiteiten die van waarde zijn voor de gemeenschap?
Onderzoekers interpreteren leeftijd over het algemeen als meetlat voor maturatie plus ervaringen in de wereld. (Wohwil) Verschillen in ontwikkeling worden vaak gezien als verschillen in rijping over een bepaalde tijd van ontwikkeling. Doordat de alomvertegenwoordigde rol van school vaak over het hoofd wordt gezien is er slechts weinig fundament voor de beantwoording van de vraag hoe maturatie en ervaring samenwerken in ontwikkeling.
Adolescentie als speciale fase
Sommige observanten hebben aangekaart dat bepaalde fasen van ontwikkeling als natuurlijk worden gezien, zoals adolescentie, culturele vindingen zijn die uniek zijn voor bepaalde culturele condities. Ondanks deze stelling is enige overgangstijd tussen kindertijd en volwassenheid normaal. Een vertraging tussen het begin van pubertijd en volwassenheid lijkt universeel voor jongens in non-industriële gemeenschappen.
Een grotere vertraging tussen pubertijd en volwassenheid komt vaker voor in gemeenschappen waar huwelijk vaak het opzetten van een eigen gezin apart van het ouderlijk gezin inhoudt dan bij gemeenschappen waar het koppel bij een van de ouderparen in gaat wonen.
Vaak is het zo dat de jaren die rond de overgang van kind naar volwassene gekenmerkt worden door meer verantwoordelijkheden en onafhankelijkheid dan voor kinderen, maar minder dan bij volwassenen. De in sommige gemeenschappen als normaal geziene adolescentie, gepaard met conflict, gaat voorbij aan het bestaan van een overgangsperiode, waar niet per se conflict of crisis in voor hoeft te komen.
De eerste formele uitdrukking van concepten over adolescentie zijn afkomstig van Stanley Hall, die het weergeeft als een serieuze crisis. Mead daarentegen vroeg zich af of adolescentie een noodzakelijk op zich zelf staande fase was waar crisis noodzakelijk bij is. Het idee van Hall prevaleerde echter onder het volk en de academische psychologie.
De opkomst van het concept adolescentie heeft zich voorgedaan aan het einde van de negentiende eeuw en heeft bijgedragen aan de transformatie van de US van agricultuur naar industrialisatie. Relaties binnen families, waar kinderen en volwassenen normen, waarden en werk deelden veranderden drastisch toen families van het platteland naar de stad verhuisden. Aan het einde van de 19e eeuw maakten opvoedingsexperts zich zorgen over de gevaren en invloeden van het stadsleven op jonge mensen. Het kwam hen voor als een corrupte kracht met zijn veranderende economische situaties, commercie en vermaak.
In dezelfde periode kwamen zorgen op over contacten met leeftijdsgenoten. Wellicht dat dit gewoon het getuigenis was van het ontstaan van jeugdculturen met zijn eigen taal, stijlen, sociale behandeling en prioriteiten van de adolescentie als een aparte en problematische levensfase.
Ironisch is wel dat de volwassene wereld het vermaak voor jeugd vormt door spellen en muziek e.d. te maken, naar het idee van wat zij denken dat de jeugd aantrekkelijk vindt. Dit geeft restricties weer voor de vrijheid van personen in de adolescentie.
Consistent met deze zorgen over de restricties van de rollen voor adolescenten die gepaard gaan met de industrialisatie, laat Shirley Brice Heath zien dat het in de context van jeugd leren plannen en het een gemeenschappelijk belang is dat jeugd leert plannen, denken en spreken in begaafde complexe manieren. In sommige gemeenschappen is het zo dat gedramatiseerde rituelen de ontwikkelingsovergangen helpen te vergemakkelijken.
Initiation to Manhood and Womanhood
In veel gemeenschappen ondergaan jongens en meisjes een inwijding naar volwassenheid. Adolescente inwijdingsrituelen gaan vaak gepaard met besnijdenis voor jongens en meisjes, en benadrukken altijd sekseonderscheid.
Inwijdingen kunnen fysieke testen bevatten om van kind naar volwassene over te gaan. Een positieve reactie op deze test wordt gezien als een groei in volwassenheid. Ondanks dat, lijkt het zo te zijn dat mensen altijd ingewijd worden ongeacht hun reactie op de tests.
Gemeenschappen die inwijdingsrituelen uitvoeren lijken op systematische manieren te verschillen met gemeenschappen waar dit niet gebruikelijk is.
Inwijding en besnijdenisrituelen komen vaker voor in culturen waar het gebruikelijk is dat vrouwen met de kinderen wonen en de vader ergens anders verblijft. Dit komt vaker voor in polygame gemeenschappen. Inwijdingsrituelen zijn gebruikelijker voor meisjes dan voor jongens. Inwijdingen bij jongens richten zich vaker op situaties van verantwoordelijkheid, waar zij zich bij meisjes vaker richten op symbolen van vruchtbaarheid. Dit verschil kan voortkomen uit de zorg dat vrouwen kinderen dragen, dat kinderen niet zullen sterven en de moeders niet sterven bij de bevalling. Inwijdingsrituelen laten zich vaak kenmerken door het doel, dat verandering in status weergeeft in de gemeenschap. Dit wordt later uitgebreid besproken in dit hoofdstuk.
Huwelijk en ouderschap als marker voor volwassenheid
In veel gemeenschappen is het gebruikelijk huwelijk en ouderschap volwassenheid te laten kenmerken, ondanks dat worden jonge stellen vaak nog wel onder supervisie en steun van ouderen gesteld. Ondanks dat sommige gemeenschappen een leeftijdslimiet zetten waarop mensen mogen trouwen, is de overgang naar volwassenheid gebaseerd op huwelijk een ontwikkelingsovergang gebaseerd op rollenverandering in plaats van op leeftijd.
In de westerse wereld is het niet gebruikelijk om ouderschap als essentieel criterium voor volwassenheid te gebruiken, maar wat opvalt, is dat zij die kinderen hebben gekregen hun ouderschap als meest belangrijkste keerpunt voor de volwassenheid aangeven. Over de vraag of mensen in hun tussenfase van late tienerjaren en twintigerjaren vinden dat zij volwassen zijn, verschillen de antwoorden evenredig.
Zelfs in Amerika, met zijn nadruk op individualiteit, verbinden de rollen van individuen zich met gezin en gemeenschap wanneer iemand gaat trouwen. Dat dit vaak een overeenkomst tussen gemeenschappen en/of families is, en niet alleen tussen individuen, wordt duidelijk aan de hoeveelheid familie die aanwezig is bij de ceremonie.
In minder dan 20% van de pre-industriële staten hebben getrouwden hun eigen partner kunnen kiezen. Ook in Amerika was dit zo voor de industriële revolutie. Toen was het huwelijk vooral een praktische overeenkomst tussen twee families. Ouders kozen een man voor hun dochter puur als formaliteit. Er werd gezocht naar een man die werk had, gelijke waarden koesterde en goede persoonlijke kwaliteiten bezat. Liefde en persoonlijke aantrekkingskracht kwamen op een tweede plaats.
Verschillen in concepties over de rol van liefde bij partnerselectie zijn groot. In een recente studie op een Engelse universiteit geeft 80% van de westerse studenten en 40% van de Pakistaanse, Indische en Taiwanese studenten aan niet met iemand te zullen trouwen zonder verliefd te zijn.
Liefde en sterke emotionele banden als basis voor een huwelijk lijken gepaard te gaan met persoonlijke bevrediging en gaat in tegen het principe van bescherming en verbetering van familiebanden. Levine zei over liefde en emotionele banden bij een huwelijk dat het soms als een bedreiging gezien kan worden voor de structuur van de (uitgebreide) familie.
Mid-life in relatie tot maturatie van de volgende generatie
In sommige middenklassegemeenschappen wordt de mid-life als aparte levensfase gezien, vaak na het opvoeden/baren van kinderen en voor het pensioen. Dit is een voortvloeisel uit de nadruk op leeftijd als meetlat voor de levensfasen (Chudacoff).
Tegenwoordig is het zo dat de mid-life fase door middenklassers vaak gekenmerkt wordt met grenzen van chronologische leeftijden. Ook wordt het wel eens gekenmerkt door fysiologische veranderingen zoals de menopauze. Vaak is het echter ook dat het gepaard gaat met veranderende relaties in de directe omgeving, zoals kinderen die het huis verlaten of overplaatsingen op het werk.
Schweder geeft echter aan dat het in veel andere gemeenschappen niet gebruikelijk is de mid-life fase als een aparte levensfase te zien . Maar ondanks dat is het wel zo dat volwassenen vaak grote veranderingen ondergaan in verantwoordelijkheidsposities en relaties. (bijvoorbeeld wanneer hun kinderen trouwen).
Het ouderschap verbindt individuen met latere generaties en in sommige gemeenschappen wordt het gezien als een onsterfelijkheid. Omdat de genen van de ouders doorgegeven worden, hierdoor is bij het biologisch sterven, de volledige dood van de ouder uitgesloten door de voortzetting van zijn genen.
Van kindertijd tot volwassenheid, de rollen die mensen hebben en welke van hun verwacht worden reflecteren de doelen, technologieën en gebruiken van de gemeenschap waar zij opgroeien.
Genderrollen
In veel gemeenschappen worden genderrollen tot op heden nauw verbonden aan het vader- en moederschap, met bijbehorende mogelijkheden en beperkingen. In sommige culturen trouwen alle vrouwen en bestaan er geen rollen voor vrouwen die niets met kinderen te maken hebben. Ook is het pas sinds kort dat er iets als anticonceptie bestaat. Uiteraard is het ook zo dat naarmate mensen hun culturele gebruiken veranderen, de genderrollen hierin mee veranderen.
Vanuit een sociocultureel perspectief is het niet gek dat kinderen de genderrollen snel oppakken wanneer we bedenken dat zij leven in gemeenschappen die door genderrollen getekend worden. Deze vorming kunnen we zien als een proces van voorbereiding op de verwachtingen die men van ze krijgt wanneer ze volwassen worden. Deze volwassen rollen zijn vaak weer gebaseerd op gender specialisaties van het baren en opvoeden van de volgende generaties. De behandeling van dochters en zonen in de dagelijkse interactie door ouders laat de communicatie van verwachtte rollen, relaties en vaardigheden zien.
De kern van het opvoeden en huishoudelijk werk in genderrol specialisaties
Wereldwijd wordt het opvoeden van kinderen vooral door vrouwen en meisjes gedaan. Tot de uitvinding van de zuigfles was het voeden van kinderen ook slechts een vrouwelijke aangelegenheid. Maar ook andere aspecten doen vaker een beroep op vrouwen.
In veel gemeenschappen neigen vrouwen er naar dichter bij huis te blijven dan mannen, deels vanwege hun zorg verantwoordelijkheden.
Genderrollen van meisjes en jongens staan parallel aan die van de mannen en vrouwen in hun gemeenschap, wanneer zij de patronen van de ouderen beginnen na te volgen. Ondanks dat zijn zowel jonge jongens als meisjes vaker betrokken bij vrouwelijke activiteiten, doordat zij gewoonweg vaker in het gezelschap van vrouwen dan van mannen zijn.
Na de vroege kindertijd zijn jongens over het algemeen wel vaker verder weg van huis dan meisjes.
In heel veel gemeenschappen, waaronder de westerse gemeenschap is het huishouden vaak aan vrouwen toegeschreven. Ondanks dit is het ideaal van huisvrouwen die zich uitsluitend op het huishouden richten wereldwijd ongewoon. (Betty Crocker Ideaal.) Deze verantwoordelijkheid gaat vaak gepaard met andere verantwoordelijkheden en verplichtingen.
Socio-historische veranderingen over millennia in vaderlijke en moederlijke rollen
Zoals we weten heeft de nomadische leefstijl het grootste deel van het menselijke bestaan gekenmerkt, tot zo’n 10.000 jaar geleden mensen zich in groepen begonnen te verzamelen en zij dieren gingen houden.
Adriaenne Zihlmann betoogde dat het genderonderscheid in de arbeidsverdeling zich pas heeft gevormd toen jagen belangrijk werd voor het overleven.
Veranderingen in de rollen van mannen en vrouwen in de VS zijn gebonden aan veranderingen in familiaire organisatie en economische structuren. Net als in Afrika hebben in Amerika de veranderingen in genderrollen zich vergezeld met controverses en afkeuring.
Sociohistorische veranderingen in recente eeuwen in de moederlijke en vaderlijke rollen in de VS
Gedurende de negentiende eeuw hebben de rollen van vrouwen zich in de VS veranderd van meewerkend op de boerderij naar het ideaal van de middenklasse, waar zij zorgen voor het huishouden en de kinderen.
In de laat negentiende eeuw ontstond er een organisatie van vrouwen die zich de mothers movement noemde. Zij waren geïnteresseerd in de wetenschap achter het opvoeden van kinderen en langzaam kwamen de opvoedingsexperts op het toneel. Hun benadering kwam voort uit de focus van de aandacht van vele vrouwen, wat een dramatische verandering was op de dagen waarop kinderen opvoeden en het huishouden simpelweg bij de dagelijkse gang van zaken hoorde.
Ronald Hernandez heeft de veranderingen in de rollen van ouders nauwkeurig vastgelegd:
Vaders gingen van boerderij naar loonwerk. Ongeveer een eeuw geleden is er een snelle omschakeling geweest van familieboeren naar vaders als broodwinner buitenhuis en moeders als huishoudster. De meerderheid (70%) van de kinderen uit de VS leefden in 1830 toch in een familie waar zowel vader als moeder werkte op de boerderij. Een eeuw later was dit nog minder dan 30%.
De grootte van families namen af. Door de overgang van boerderijen naar loonwerk moesten de families in voedsel voorzien worden met geld in plaats van zelfvoorziening, wat de kosten voor ieder kind merkbaarder maakte. Daarbij werd de bijdrage van de kinderen aan de familiaire economie gereduceerd door de introductie van het verbod op kinderarbeid en verplichtte scholing.
Scholing breidde zich razendsnel uit. De verplichtte scholing werd gevoed door bewegingen die kinderarbeid nog verder inperkten: vakbonden wilden de banen beschermen voor volwassenen, en welzijnswerkers vochten voor wetten waarin kinderen beschermd werden tegen gevaarlijke werkomgevingen. Dit alles had tot gevolg dat kinderen minder tijd besteedden met hun ouders.
Moeders begonnen aan loonwerk. Dit gebeurde in het midden van de 20e eeuw. Net als bij de plotselinge opleving van vaders in het loonwerk had dit ook tot gevolg dat kinderen meer participeerden in formele leeromgevingen. Volgens Hernandez waren man en vrouw in pre-industriële samenlevingen tussenafhankelijk, maar bij loonwerk konden ouders het huis verlaten en hun inkomen meenemen.
Deze demografische veranderingen in de Verenigde Staten in de afgelopen eeuwen zijn duidelijk verbonden aan de seksegebonden beroepen in de VS, machtsverdelingen en sociale relaties.
Beroepsrollen en machtsverdeling van mannen en vrouwen.
Er zijn zowel overeenkomsten als verschillen tussen gemeenschappen als het gaat op typische beroepen voor mannen en vrouwen. Mannen specialiseren zich gemiddeld vaker in beroepen waar kracht voor nodig is, vrouwen vaker waar uithoudingsvermogen nodig is. Mannelijk werk is over de gehele wereld vaker gekenmerkt door grotere fysieke kracht en is vaak verder van huis. Iets wat voortkomt uit de jaag en verzamelculturen. In sommige gemeenschappen is het echter flexibeler, dan bij anderen waar het ene geslacht makkelijk de taken van de ander overneemt. Bij de !Kung jagers en verzamelaars bijvoorbeeld nemen volwassenen van beide geslachten vaak elkaars werk over.
Ook in andere gemeenschappen in Afrika is de verdeling soms gelijkwaardig en flexibel, wat het acceptabel maakt dat mannen voor de kinderen zorgen. Dit contrasteert met gemeenschappen waar de genderscheiding strikter en niet flexibel is.
Verschillen in sociaal gewaardeerde plaatsen voor de rollen van mensen in huis en de gemeenschap stammen uit de verschillen in krachten/talenten die mannen en vrouwen bezitten. De sociaal gewaardeerde posities die momenteel van kracht zijn komen voort uit de scheiding van werk die is ontstaan in de industrialisatie.
De macht die mannen vaak hebben in gemeenschappen, is iets wat niet te onderschatten valt. Over het geheel bestijgen zij vaak politieke tronen en worden beslissingen over territoriale kwesties en oorlogsvoering vaker gedaan door mannen.
Dit betekent niet dat het in alle gemeenschappen zo gaat. In Sommige gemeenschappen, zoals bij de Najavo, hebben vrouwen gelijke macht of meer macht dan mannen. Bij de Najavo's worden vrouwen bijvoorbeeld gezien als de fundering voor de gemeenschap en als bewakers voor een sterke familie. De familie is hier de plaats waar de meeste en belangrijkste beslissingen worden genomen en vrouwen hebben hier minimaal evenveel invloed op als de mannen.
In landbouw samenlevingen is het werk van vrouwen vaak wel zwaar maar niet van hoge status. In industriële gemeenschappen is het werk van vrouwen vaak ‘ondergeschikt, wanneer zij aan het huis gekluisterd zijn en worden uitgesloten van loonwerk. De toewijzingen en relatieve macht die volwassen mannen en vrouwen hebben geven de verwachtte sociale relaties aan die worden aangemoedigd en geoefend in de kindertijd.
Gender en sociale relaties.
In veel gemeenschappen is het zo dat jongens en meisjes zich opsplitsen in gendergesegregeerde groepen in de middelbare kindertijd, zeker wanneer zij met peer groepen optrekken van dezelfde leeftijd. Ze bewegen in hun eigen cirkels en doen aan activiteiten die bij het geslacht lijken te passen.
Adolescenten in de geïndustrialiseerde gemeenschappen hebben meer vaak meer opvallende peergroepen voor jongens dan voor meisjes. Jongens worden vaker uitgesloten van volwassene activiteiten en hebben minder contact met volwassene mannen, dan meisjes met volwassene vrouwen. Dit zou een verklaring kunnen zijn dat meisjes in veel gemeenschappen gehoorzamer zijn dan jongens. Gender aspecten in assertiviteit variëren veel tussen gemeenschappen. Verbale strijd lijkt in sommige gemeenschappen vaker bij jongens voor te komen. De jeugd daagt elkaar uit om te testen wie beter kan beledigen of met betere argumenten kan komen.
Sommige onderzoekers geven aan dat onder Europees Amerikaanse gemeenschappen vaak een zelfvertrouwencrisis voorkomt bij meisjes in de adolescentie. Ze worden onzeker over hun uiterlijk en of ze wel aardig gevonden worden. Dit contrasteert met Afrikaans Amerikaanse meisjes die in dit stadium vaak assertiever en meer zelfvoorzienend worden.
Verschillen tussen jongens en meisjes in sociale relaties hebben een duidelijke relatie met de verwachtingen van jongens en meisjes in de gemeenschap waar ze opgroeien. Culturele observaties laten zien dat fysieke agressie vaker voorkomt bij jongens en dat meisjes vaker gezien worden met verzorgend en verantwoordelijk gedrag. Maar hiertegenover staat dat meisjes vaker relationele agressie laten zien, zoals roddelen, manipulatie en venijnig gebruik van ostracisme.
Betty Crocker ideaal | Huisvrouwen die zich alleen wijden aan het huishouden en de zorg voor de kinderen. |
De Amerikaanse vraag | De vraag hoe snel kinderen bepaalde mijlpalen van ontwikkeling bereiken. |
Fases van cognitieve ontwikkeling | De kern van de theorie van Piaget. Hij onderscheidt vier fases die kinderen achtereenvolgens doorlopen, waarbij elke fase kwalitatief verschilt van de andere en wordt gekenmerkt door hogere cognitieve functies. De fases zijn: sensomotorisch, pre-operationeel, concreet operationeel en formeel operationeel. |
Foerageren | Het verzamelen van voedsel, “foraging groups” zijn jagers-verzamelaars. |
Gemeenschapskinderen (community children) | Vierde van de vier belangrijke levensklassen uit de theorie van Mead, waarbij de kinderen verder weg gaan van huis en in andere gemeenschapsinstituties participeren. |
Intelligentiequotiënt | Een manier om de mentale capaciteiten te meten, waarbij de mentale leeftijd wordt gedeeld door de kalenderleeftijd en vermenigvuldigd wordt met 100. |
Inwijdingsriten | Een ritueel bestaande uit een reeks ceremoniële handelingen die een jongen of meisje inwijden als volwassene. Deze rituelen gaan vaak gepaard met besnijdenis. |
Knie kinderen (knee children) | Tweede van de vier belangrijke levensklassen volgens Mead. Deze kinderen blijven dichtbij de knieën van hun verzorger, in een gebied dat op de voet gevolgd wordt door de verzorger. |
Middelbare leeftijd | De periode in het leven na de vruchtbare tijd, die soms beschreven wordt in termen van leeftijd, biologische veranderingen meebrengt (menopauze) en waarbij er specifieke gebeurtenissen zijn in veranderende relaties, zoals het uit huis gaan van de kinderen. |
Moratorium | Uitstel. In sommige gemeenschappen worden jonge kinderen een unieke sociale status toebedeeld, wat een periode van uitstel van het houden aan regels betekent. |
Ontwikkelingspsychologie | Stroming van de psychologie die zich bezig houdt met vraagstukken rondom de psychologische veranderingen bij het ouder worden. |
Peuterpuberteit (terrible twos) | In de Westerse cultuur, het einde van de zuigelingentijd die gepaard gaat met het verschijnen van tegengesteld gedrag. Deze overgang wordt geïnterpreteerd als een manier om het begin van autonomie en afgescheidenheid aan te geven. |
Relatieve senioriteit | Een manier om ontwikkeling te meten in kleine gemeenschappen, waarbij er gekeken wordt naar wie ouder en jonger is dan de anderen. |
Schootkinderen (lap children) | Eerste van de vier belangrijke levensklassen uit de theorie van Mead. Schootkinderen brengen het grootste deel van hun tijd door op iemands schoot of in iemands fysieke nabijheid. |
Tuinkinderen (yard children) | Derde van de vier belangrijke levensklassen uit Meads theorie. Tuinkinderen dolen vrij rond, maar blijven dicht bij huis. |
Vertrouwenscrisis (crisis of confidence) | Een crisis die voorkomt bij pre-adolescente Westerse meisjes, waarbij de meisjes minder zeker en meer eerbiedig en onderdanig worden, en waarbij ze bezorgder worden over hun uiterlijk en over aardig gevonden worden. Dit is een reflectie van het verwachte rolpatroon voor vrouwen. |