Vragen
Vraag 1
Is sensatie hetzelfde als perceptie?
Vraag 2
Als u aanneemt dat we onze aandacht op een bepaald moment in de tijd maar op één plek kunnen richten, wat heeft dit voor gevolgen over de gebondenheid ('binding') van alle objecten in onze visuele wereld? Maak in uw antwoord gebruik van het binding probleem.
Vraag 3
Hoe kun je door gedrag te meten uitspraken doen over mentale processen?
Vraag 4
Waaruit blijkt dat gezichtsherkenning mogelijk een bijzondere variant van vormherkenning is?
Vraag 5
Hebben patiënten met neglect een perceptueel probleem of een aandachtsprobleem? Wat is dan het verschil tussen neglect en een blindheid? Gebruik in uw antwoord de termen 'bewust', 'visuele features' en 'zien'.
Vraag 6
Noem drie mechanismen die helpen bij het proces van overbrengen van informatie naar het lange termijn geheugen (encoding). Geef van elk een voorbeeld.
Vraag 7
Leg het principe van de dubbele dissociatie uit en geef aan welke informatie het oplevert.
Vraag 8
Op welke manier is het leren van een connectionistisch netwerk vergelijkbaar met de manier waarop onze hersenen leren?
Vraag 9
U wilt uw zusje van 5 leren hoe zij Haar kamer opruimt nadat zij al hoor knuffels erin door elkaar heeft gegooid. Wat zou de beste manier van operant conditioneren zijn om dit aan te pakken?
Vraag 11
Zijn herinneringen gekoppeld aan een emotionele gebeurtenis betrouwbaarder dan herinneringen gekoppeld aan een alledaagse gebeurtenis? Verklaar uw antwoord.
Vraag 12
Wat kunt u kort voor en tijdens een tentamen doen om de capaciteit van uw werkgeheugen optimaal te benutten? Leg uit hoe het werkt.
Vraag 13
a) Om probleemoplossen te onderzoeken wordt de think aloud methode gebruikt. Leg of deze methode geschikt is om typische inzicht problemen te onderzoeken.
b) Leg uit of de think aloud methode geschikt is om usability onderzoek te doen
Vraag 14
Als mensen volledig rationeel zouden handelen zouden ze dan aan een loterij meedoen? Leg uit waarom wel of niet.
Antwoordindicatie
Vraag 1
Sensatie is het proces van het detecteren van omgevingsstimuli of stimuli uit het lichaam. Perceptie is het proces van het interpreteren van sensorische informatie. Sensatie is niet hetzelfde als perceptie. Dezelfde informatie, ontvangen uit de omgeving (sensatie), kan door ieder persoon anders waargenomen worden (perceptie).
Vraag 2
Het bindingprobleem is de vraag hoe in onze hersenen allerlei afzonderlijke détails van objecten die wij waarnemen, worden gebundeld tot een geheel. Dat creeërt dus deperceptie van een samenhangend object. We kunnen aandacht op een bepaald moment inde tijd maar op één plek kunnen richten, het gevolg voor de alle objecten van de visuele wereld is dat men maar een object per moment kan waarnemen. De aandacht is namelijk nodig om alle details van een object samen te voegen tot het object. Dit kan maar per stuk.
Vraag 3
Door gedrag te meten aan de hand van goed gefundeerde, experimenteel toetsbare theorieën kun je cognitieve functies onderzoeken. Mentale processen kunnen niet direct gemeten worden, ze kunnen wel afgeleid worden uit gedrag. Dus door gedrag te meten kunnen er uitspraken over mentale processen gedaan worden. Dit is het toepassen van een wetenschappelijke methode om de mentale processen te kunnen onderzoeken. Hierbij is het van belang hoe het gedrag gemeten wordt, maar ook de experimentele manipulatie. Een voorbeeld van een meting van mentale processen is de substractie-methode van Donders.
Vraag 4
Er is een speciaal brein mechanisme voor dit doel. Men kan gezichten herkennen ook al is het gezicht door de tijd of door andere factoren (dik worden) veranderd.
Vraag 5
Patiënten met neglect hebben een aandachtsprobleem. Het verschil tussen neglect en blindheid is: Neglecten hebben geen problemen met hun ogen of met visuelehersengebieden, wat blinden wel hebben . Neglecten kunnen de verwaarloosde (linker)kant wel zien, maar ze kunnen hun aandacht er niet op vestigen. Hierdoor negeren ze als het die kant, waardoor het lijkt dat ze het niet kunnen zien. Een bewijs dat wel kunnen zien is dat zeeen plaatje met een O die gevormd is uit kleine O’s (visuele features) juist kunnen identificeren. Ze kunnen dus het hele beeld zien. Echter, als ze gevraagd wordt alle visuelefeatures door te strepen, strepen ze alleen de rechterkant weg. Ze negeren dus de linkerkant, omdat ze zich niet bewust zijn van die kant.
Vraag 6
De phonologische cirkel, een voorbeeld hiervan is herhaling. De episodische buffer, een voorbeeld hiervan mentale verbeelding. En als laatste visueelspatiële sketch pad, een voorbeeld hiervan is sensorische input.
Vraag 7
Een persoon zonder hippocampus kon geen nieuwe lange termijn herinneringen vormen, zijn korte termijn geheugen was wel intact. Een persoon met schade aan de pariëtale kwam had juist problemen met zijn korte termijn geheugen, en niet met het lange termijn geheugen. Deze tegenovergestelde problemen vormen samen het principe van de dubbele dissociatie. Dit is bewijs voor het idee dat het KTG en het LTG veroorzaakt worden door verschillende mechanismen, die gescheiden kunnen functioneren.
Vraag 8
De hersenen gebruiken categorieën. Over die centrale categorie is bij activiteit in een keer een heleboel informatie beschikbaar. Bijvoorbeeld, bij het zien van een kat komt de categorie ‘kat’ beschikbaar in het netwerk. Meteen is er een heel connectionistisch netwerk beschikbaar die bijvoorbeeld de informatie geeft: ‘houd van melk’, ‘miauwt’.
Vraag 9
Bij operant conditioneren worden er associaties gevormd tussen gedrag en hun consequenties. De beste manier van operant conditioneren voor dit geval is belonen: Elke keer dat het zusje troep opruimt moet zij worden beloond. Zij legt dan een positieve associatie met opruimen door de positieve consequentie, de beloning. Het is dan waarschijnlijk dat het opruimgedrag in de toekomst vaker zal optreden.
Vraag 11
Er is tegenstrijdig bewijs voor dat. Men zou emotionele woorden bijvoorbeeld beter herinneren dan neutrale woorden, en bovendien werd emotie gelinkt aan betere geheugen consolidatie. Daarentegen is er ook bewijs dat onder bepaalde omstandigheden, emotie geheugen kanverslechteren. Zo kunnen belangrijke objecten de aandacht trekken waardoor de aandacht van andere objecten wegtrekt, zodat die minder goed herinnerd worden. Het is dus niet eenduidig te zeggen of emotionele herinneringen betrouwbaarder zijn dan herinneringen aan alledaagse gebeurtenissen.
Vraag 12
Kort voor het tentamen moet je de stof proberen te associëren met iets leuks, zoals je vakantie. Als je tijdens het tentamen dan aan die vakantie denkt wordt de stof ook weer opgehaald door de associatie. Dan kun je meer van de geleerde stof voor de geest halen.
Vraag 13
a) Nee, bij inzicht is vaak in een moment de oplossing opeens daar. Er is niet sprake van een aantalstappen die gemaakt worden om tot de oplossing te komen. Die stappen zijn juist geschikt bij dethink aloud methode. Als de oplossing er opeens is, en er geen stappen te beschrijven zijn, is de think aloud methode minder geschikt.
b) Ja het is geschikt voor usability onderzoek. Zo kan kennis van een expert gemakkelijker overgebracht worden. De expert verteld wat hij/zij precies doet, en dit wordt vastgelegd, anderen kunnen het zo makkelijker ook toepassen.
Vraag 14
Nee, de kans is zo klein dat het geld dat je ervoor uitgeven niet opweegt tegen de kans dat ze winnen. Het is eigenlijk valse hoop wat hun er steeds toe brengt weer een lot te kopen.
Bron
Deze oefenvragen zijn gebaseerd op werkgroepopdrachten uit collegejaar 2015/2016.
Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>
JoHo can really use your help! Check out the various student jobs here that match your studies, improve your competencies, strengthen your CV and contribute to a more tolerant world
Add new contribution