Elektronische vorm naast schriftelijke vorm van overeenkomsten en andere rechtshandelingen
De vraag die centraal staat is: In hoeverre is de elektronische vorm van een rechtshandeling aanvaardbaar in het geval de schriftelijke vorm is voorgeschreven? Deze vraag is van belang vanwege de werking van art. 3:39 BW, op grond waarvan een rechtshandeling nietig is als deze niet in de voorgeschreven vorm is verricht.
Voor een groot aantal overeenkomsten waarvoor de schriftelijke vorm is voorgeschreven, is inmiddels ook de elektronische vorm toegelaten. Voor vele andere rechtshandelingen is het echter nog steeds onduidelijk of zij in elektronische vorm mogen worden verricht. Het probleem hiervan ligt bij de wetgever die te terughoudend is om op grote schaal de elektronische vorm van rechtshandelingen dezelfde status geven als de schriftelijke vorm.
Art. 6:227a BW is per 1 juli 2010 aangepast op grond van de Richtlijn Elektronische handel. Met deze aanpassing zijn de mogelijkheden voor elektronisch contracteren aanzienlijk verruimd. Art. 1:88 lid 3 en art. 6:234 BW hebben een soortgelijke transformatie ondergaan.
Art. 6:227a BW stelt voor het aangaan van overeenkomsten de deur royaal open voor de elektronische vorm als alternatief voor de eventueel wettelijke verplichte schriftelijke vorm. Dit artikel ziet primair op obligatoire overeenkomsten, maar de wetgever heeft de toepassing op andere dan obligatoire overeenkomsten niet willen uitsluiten. Gesteld kan worden dat er met de huidige versie van het artikel veel ruimte is om ook buiten het terrein van de obligatoire overeenkomsten de elektronische vorm toe tep assen op rechtshandelingen waarvoor de schriftelijke vorm is voorgeschreven.
Ook voor niet-obligatoire overeenkomsten en ander rechtshandelingen waarvoor de schriftelijke vorm maar geen authentieke akte is voorgeschreven, is de vorm van een elektronische onderhandse akte eveneens toelaatbaar. Om de authenticiteit van deze akten te waarborgen, volstaat een gewone elektronische handtekening in de meeste gevallen.
1. Goederenrechtelijke overeenkomsten.
Naar gelang de aard van het object van de goederenrechtelijke overeenkomst moet deze worden vastgelegd in een authentieke of onderhandse akte. Bij een authentieke akte is de elektronische vorm in de regel niet toegestaan, aangezien art. 156a Rv slechts op onderhandse akten ziet.
2. Liberatoire overeenkomsten.
Doordat liberatoire overeenkomsten niet onder verbintenisscheppende overeenkomsten vallen lijkt de elektronische vorm als alternatief voor een eventueel verplichte schriftelijke vorm zonder meer aanvaardbaar.
3. Familierechtelijke overeenkomsten.
Het gaat hier om niet primair obligatoire overeenkomsten. De akte voor het huwelijk is geen constitutief vereiste, maar mag volgens de wetgever niet via elektronische vorm geschieden. Andere overeenkomsten op het familierechtelijke terrein evenals overeenkomsten op het terrein van het erfrecht kunnen via art. 6:227a lid 3 sub b BW jo art. 156a Rv wel met behulp van een elektronische akte tot stand komen.
De vraag blijft echter of het praktisch is om deze overeenkomsten elektronisch aan te gaan.
4. Procesrechtelijke overeenkomsten.
Voor procesrechtelijke overeenkomsten wordt de schriftelijke vorm steeds minder vaak vereist, waarbij de elektronische vorm als alternatief wordt aangevoerd.
Meerzijdige (niet-contractuele) rechtshandelingen waarvoor de schriftelijke vorm is voorgeschreven, komen niet veel voor. Indien een notariële akte is voorgeschreven, zal een notaris een elektronische vorm niet toelaten.
Boek 2 BW kent een aantal niet-contractuele rechtshandeling die meerzijdig (kunnen) zijn, waarvoor de elektronische vorm al als alternatief voor de schriftelijke vorm in het desbetreffende wetsartikel wordt genoemd.
In sommige gevallen van eenzijdige rechtshandelingen heeft de wetgever aangegeven dat in plaats van de schriftelijke vorm ook de elektronische vorm gebruikt mag worden. Maar in veruit de meeste gevallen is dit niet zo en lijkt het alsof het elektronische tijdperk nog geen vat heeft gehad op de wetgever. Art. 156a Rv biedt een uitkomst als men de rechtshandeling weet te gieten in de vorm van een akte.
De elektronische vorm van rechtshandelingen mag in beginsel gebruikt worden voor alle rechtshandelingen waarvoor de wet de schriftelijke vorm vereist. Authentieke akten vormen een uitzondering op deze regel. Ook art. 6:227a lid 2 BW bevat een uitzondering in het geval voor overeenkomsten de tussenkomst van een rechter, overheidsorgaan of een beroepsoefenaar die een publieke taak uitoefent (notaris/gerechtsdeurwaarder) is vereist.