In dit hoofdstuk wordt de vraag beantwoord of de verschillen in intellectuele eigenschappen verband houden met persoonlijkheidseigenschappen.
Het is een concept waar in de praktijk verschillende betekenissen aan worden gegeven. Menselijke intelligentie wordt normaal gesproken het meest gerelateerd aan het cognitief functioneren. Het hangt dan dus samen met de mate en snelheid waarmee we informatie kunnen verwerken. Opvallend is dat, indien mensen worden beoordeeld op hun intelligentie, ze vrij gevoelig kunnen zijn. Worden ze beoordeeld op andere cognitieve functies, zoals taalvaardigheden, zijn ze minder snel beledigd of ervaren ze minder snel schaamte. Dat geldt ook voor persoonlijkheidskenmerken: je schaamt je niet snel als je introvert wordt genoemd.
Beide zijn belangrijke kenmerken om individuele verschillen tussen mensen te beschrijven. Er is weinig onderzoek verricht naar het verband tussen de twee. In beide definities wordt verwezen naar de wijze waarop individuen zich aanpassen aan hun omgeving. Sommigen zijn dan ook van oordeel dat intelligentie een onderdeel van de persoonlijkheid is. Anderen benadrukken juist de verschillen, waarin intelligentie helemaal niet wordt gelinkt aan persoonlijkheid, maar als iets dat kwalitatief verschillend is. De belangrijkste verschillen die genoemd worden concentreren zich rondom drie thema’s.
Ten eerste wordt onderscheid gemaakt tussen iets cognitiefs (intelligentie) en iets niet-cognitiefs (persoonlijkheid).
Ten tweede is een onderscheid tussen de wijze waarop persoonlijkheid en intelligentie onderzocht of gemeten wordt (prestatietests versus vragenlijsten voor persoonlijkheid).
Ten slotte wordt vaak genoemd dat intelligentie verwijst naar een maximale prestatie. Persoonlijkheid verwijst juist meer naar kenmerkend of typisch gedrag. Langzamerhand krijgt de relatie tussen de twee meer aandacht en is men meer en meer van mening dat de verschillen zoals hierboven genoemd niet zo prominent zijn.
Een verband tussen intelligentie en gedrag kan zijn dat intelligente mensen zich vaak gezonder gedragen en meer arbeidssucces hebben. Ook kunnen vaardigheden- of capaciteitentest informatie geven over iemands persoonlijkheid. Een goed voorbeeld daarvan zijn de assessment centers in de werving- en selectiepraktijken, waarbij door een combinatie van tests, oefeningen en rollenspellen zowel persoonlijkheidskenmerken als intelligentie gemeten worden. Volgen De Young kan intelligentie het beste beschouwd worden als een persoonlijkheidstrek.
Over het algemeen zijn de verbanden tussen persoonlijkheid en intelligentie klein. Er is enkel een significante samenhang gevonden tussen ‘intelligentie’ en 'openstaan voor ervaringen’. Ook hangt ‘openstaan voor ervaringen’ samen met ‘motivatie om te leren’. Dit wordt namelijk mede beïnvloed door feitenkennis die je opdoet door, bijvoorbeeld, goed op te letten op school. De Young doet een voorstel om intelligentie te zien als een onderdeel van persoonlijkheid en dan specifiek als gecombineerde dimensie: Openstaan voor Ervaringen/Intellect. Veel studies zijn hier echter nog niet naar gedaan.
Persoonlijkheid en intelligentie werden dus lange tijd beschouwd als twee aparte domeinen binnen de psychologie. De laatste jaren wordt duidelijker dat de verschillen dus niet zo groot zijn. Dat lijkt logisch, omdat intelligentie en persoonlijkheid betrekking hebben op het persoonlijk functioneren. Sinds enkele jaren wordt er meer onderzoek gedaan naar het verband tussen intelligentie en het Five-Factor Model van persoonlijkheid. Binnen het Five-Factor model ligt het voor de hand om intelligentie te beschouwen als een onderdeel van de brede dimensie Openstaan voor Ervaringen in combinatie met Intellect, aldus De Young.
Er bestaan veel definities. Er zijn daarin twee belangrijke stromingen. Enerzijds wordt het gezien als een generieke capaciteit en anderzijds als een verzameling van specifieke vaardigheden. Een combinatie van beide is eveneens mogelijk: om de complexiteit van het dagelijks leven te begrijpen en je daaraan aan te passen moeten de specifieke vaardigheden worden geïntegreerd. Dit hangt dan weer af van de generieke capaciteit. De generieke capaciteit en specifieke mentale vaardigheden moeten geïntegreerd worden, zodat we ons gedrag aan kunnen passen aan de eisen van de omgeving, of de omgeving kunnen veranderen als aanpassen niet mogelijk is. Op die wijze is intelligentie meetbaar. Soms zegt men echter dat intelligentie dat is wat de test meet (Boring). Door dit besef werd de discussie over goede intelligentietests aangewakkerd.
Intelligentietests zijn vooral ontwikkeld vanuit de maatschappelijke behoefte om mensen te selecteren op hun intellectuele vaardigheden. In 1905 werd bijvoorbeeld een intelligentieschaal ontwikkeld door Alfred Binet en Theodore Simon om kinderen te identificeren die niet voldoende konden profiteren van onderwijs. Herserschee standaardiseerde deze schaal in 1919 om kinderen met een verstandelijke beperking te verwijzen naar speciaal onderwijs. In 1916 leidde de Binet-Simon schaal tot de Stanford revision of the Binet-Simon Intelligence scale. Het werd ook gebruikt in de Eerste en Tweede Wereldoorlog voor selectie van rekruten. Dit werd gedaan met behulp van de Army Alpha en Beta test. In 1939 werden de twee gecombineerd onder de naam Wechsler-Bellevue Intelligence Scale (WB-I). William Stern ontwikkelde de intelligentiequotiënt in 1912, ook wel IQ genoemd. Kinderen van verschillende chronologische leeftijd konden hiermee worden vergeleken. Door de met de test gemeten mentale leeftijd te delen door de chronologische leeftijd en deze met honderd te vermenigvuldigen, ontstaat het IQ. Wechsler ging niet meer uit van de mentale leeftijd, maar van de deviatie-IQ, welke wordt berekend op basis van de gemeten score van een individu en de verwachte score op basis van anderen van dezelfde leeftijd (deviatie IQ = (gemeten score/verwachte score op bepaalde leeftijd) x 100). De score van vergelijkbare individuen moet dan dus wel bekend zijn (genormeerd worden). Het normeren van psychologische tests moet gebeuren door een representatieve steekproef uit een welomschreven populatie (op basis van leeftijd of land). De proefpersonen mogen daarbij geen neurologische of psychiatrische aandoeningen hebben. Als je daaruit een normaal verdeling krijgt (de klokvorm), dan kan je individuele scores hier mee vergelijken.
Het gemiddelde IQ in de populatie is 100 en de standaarddeviatie is 15. Door de samenhang van de scores op twee of meer intelligentietests met elkaar te correleren kun je onderzoeken of deze hetzelfde meten (intelligentie) of dat de ene test ook specifieke vaardigheden meet die de andere test niet meer meet. Correlaties zijn vaak behoorlijk hoog bij intelligentietests. Van belang is dat het gemeten IQ afhankelijk is van de test en van persoon tot persoon kan variëren.
Sinds de introductie van het IQ is er discussie over de toepasbaarheid ervan. In de neuropsychologische diagnostiek wordt meer waarde gehecht aan de interpretatie van specifieke cognitieve functies en vaardigheden dan het totale IQ. Doorgaans is men echter tevreden over de waarde van intelligentietests en de predicatieve validiteit ervan. Al zijn voorspellende waarde en de betrouwbaarheid van intelligentietest redelijk goed, het blijft moeilijk om het exacte IQ van een persoon te bepalen. Het gemeten IQ is niet de intelligentie, maar een schatting op basis van een selectie van specifieke functies die natuurlijk nooit volledig zijn. Ook kunnen er fouten worden gemaakt, de kandidaat kan moe zijn, de test kan wat verouderd zijn. Dit alles maakt IQ scores minder betrouwbaar.
Flynn-effect
Door de Nieuw-Zeelandse politicoloog James R. Flynn werd voor het eerst beschreven dat er na de industriële revolutie een langzame, jaarlijkse toename was van scores op intelligentietests. Dit werd overal gemeten. Dit effect is nu bekend als het Flynn-effect. Het impliceert enkel dat de scores hoger worden, het betekent niet dat we met zijn allen daadwerkelijk steeds intelligenter zouden worden. Het Flynn-effect wordt als hardnekkig en stabiel beschouwd, hoewel recent onderzoek aangeeft dat het effect af lijkt te nemen.
Ook juridisch gezien is het relevant. Resultaten worden immers meegewogen in oordelen van de rechtbank met betrekking tot toerekeningsvatbaarheid. Als je test niet klopt en je wordt plotseling wel of niet als verstandelijk beperkt aangemerkt, kan dit grote gevolgen hebben voor de besluitvorming.
Hoe verloopt testafname en interpretatie in de klinische praktijk?
De afname van de test en het scoren van de resultaten kunnen onder supervisie van een gekwalificeerd psycholoog of pedagoog, door een psychologisch assistente of psychodiagnostisch medewerkster worden gedaan. Die dient wel perfect op de hoogte te zijn van de testinstructies voor een gestandaardiseerde afname van de test en moet flexibel kunnen inspelen op het gedrag van de cliënt om optimale omstandigheden te faciliteren. Behalve gekwalificeerde onderzoekers moeten ook de tests van voldoende kwaliteit zijn om betrouwbare en valide uitspraken te doen over het intelligentieniveau van een cliënt. COTAN beoordeelt de vragenlijsten.
6.7.1 Hoe worden de Wechsler-schalen gebruikt voor het meten van intelligentie?
De Wechsler schalen zijn de meest gebruikte intelligentietests. Zowel in de toepassing van de gezondheidszorg in de klinische en neuropsychologie als binnen het onderwijs en de selectiepsychologie. De eerdergenoemde WB-I werd in 1946 herzien en vormden de basis voor de Wechsler Adult Intelligence Scale. Pas in 1970 werd hij bewerkt voor Nederlands - Vlaams taalgebied. In 1981 verscheen de herziene versie in de VS, de WAIS-R. Daarna kwam de WAIS-III, ook voor Nederlands-Vlaams taalgebied. Dat het zo lang heeft geduurd om een versie te herzien in het Nederlands houdt in dat er jaren lang met oude normen werd gewerkt (in het kader van het Flynn-effect zeer interessant). Verder bestaan er nog de Wechsler Intelligence Scale for Children (WISC) en sinds 1967 ook een Wechsler-schaal voor voorschoolse leeftijden: de Wechsler Preschool end Primary Scale of Intelligence (WPPSI).
WAIS-IV-NL
De WAIS-IV-Nl bestaat uit vijftien subtests: tien kernsubtests en vijf aanvullende subtests. Ze zijn georganiseerd in vier indexen: verbaal begrip (VBI - het reflecteert het verwerpen van gekristalliseerde kennis en die te begrijpen), perceptueel redeneren (PRI), werkgeheugen (WhI - kan bepaalde verbale informatie worden gehouden en mentaal worden gemanipuleerd?) en verwerkingssnelheid (vsI - meet de snelheid waarmee mentale verwerkingen worden uitgevoerd op visuele stimuli). Aan de hand van de scores op de tien kernsubtests is een betrouwbaar IQ te bepalen. Het totaal IQ is een samenstelling van vier cognitieve domeinen die indexen worden genoemd. Op basis van de subtests kan een indexscore worden berekend. Er bestaan ook 5 aanvullende subtests. Die kunnen optioneel of in de plaats van de kernsubtests worden afgenomen.
De Wechsler Nonverbal Scale of Ability (WNV-NL)
De normale test heeft een sterk verbaal karakter. Mensen met taalproblemen worden hier dus bij benadeeld. Daarom werd deze test gemaakt. Voor deze test is immers geen beheersing van taal vereist. De rest kan afgenomen worden voor mensen tussen de 4 en 22 jaar en bestaat uit 6 subtests.
6.7.2 Wat zijn Ravens Progressive Matrices (RPM)
Dit is ook een non-verbale test waarmee het cognitieve vermogen om deductief, abstract te redeneren onderzocht kan worden. Er zijn drie vormen:
De SPM
De Coloured PM (CPM)
De Advanced PM (APM).
COTAN heeft de SPM met onvoldoende beoordeeld, mede door het Flynn-Effect. De CPM is voldoende tot goed. APM is niet beoordeeld. Met de test wilde Raven (2000) het algemeen cognitief vermogen in kaart brengen. De RPM wordt omschreven als niet-verbale intelligentietest. Bij alle versies worden visuele patronen gepresenteerd, waarvan een deel ontbreekt. Deze moeten worden aangevuld.
6.7.3 Wat is de Snijders-Oomen Niet-verbale intelligentietest (SON)
Ook dit is een non-verbale intelligentietest. Er zijn twee varianten: de SON-R 2.5-7 en de SON-R 6-40. De SON-R 6-40 heeft vier onderdelen die een beroep doen op de luide en niet de gekristalliseerde intelligentie. Het abstract redeneervermogen en het ruimtelijk inzicht worden getest. De subtestscores geven een totaal IQ. De test is goed voor mensen wiens taal niet de moedertaal is, taalontwikkelingsstoornissen en afasie hebben. COTAN beoordeelde deze test met een goed.
6.7.4 Wat is de Groninger Intelligentie Test (GIT)
Deze test is een individueel af te nemen test bedoelt voor mensen tussen de 16 - 85 jaar. Voorwaarde is dat men de Nederlandse taal goed beheerst. De test bevat de volgende subtests: woordenlijst, legkaarten, vaaropdrachten, sorteren, figuur ontdekken, cijferen, draaikaarten, matrijzen en woord opnoemen. Het kan worden ingezet bij het routinematig bepalen van het intelligentieniveau en naar de vraag of er sprake is van verstandelijke beperkingen of achteruitgang van het intelligentieniveau.
6.7.5 Wat is de Nederlandse Leestest voor Volwassenen (NLV)
Deze test is bedoeld om in een korte tijd een schatting te kunnen maken van de premorbide intellectueel capaciteiten van mensen met een hersendisfunctie. Premorbide houdt in ‘voor de ziekte’. Dus het intelligentieniveau voor (bijvoorbeeld) een hersenbeschadiging. Bij de test worden vijftig woorden hardop voorgelezen en wordt door de testleider de juiste uitspraak van de proefpersoon beoordeeld. Kennis van woorden is een aspect van gekristalliseerde intelligentie en is relatief goed bestand tegen cognitieve achteruitgang als gevolg van cerebrale aandoeningen. Het is daarmee een hold-test. COTAN heeft ten aanzien van de criteriumvaliditeit een onvoldoende gegeven.
6.8.1 Wat is de relevantie van leeftijd?
Er is altijd al een relatie gelegd met leeftijd bij intelligentie tests. Het is des te meer relevant omdat veroudering gezondheidsrisico’s meebrengt, waaronder het verlies van cognitieve vaardigheden, zoals de intellectuele capaciteiten. Wegens de veroudering van de maatschappij is de ontwikkeling van intelligentie in relatie tot leeftijd steeds relevanter geworden.
Onderzoek laat zien dat intelligentie met de jaren afneemt, maar dat verschillende facetten pieken op verschillende leeftijden. Vloeiende intelligentie neemt bijvoorbeeld af na 23 jaar terwijl gekristalliseerde intelligentie (al dan niet zeer langzaam) afneemt vanaf 36. Je hebt daarnaast een piek wat betreft feitenkennis en algemene ontwikkeling rond je 60ste of 70ste levensjaar.
6.8.2 Wat is de relevantie van het geslacht?
Twee typen groepen zijn uitgebreid onderzocht. Verschillen tussen mannen & vrouwen en verschillen tussen blanken & niet-blanken. Er is aangetoond dat er geen verschil bestaat tussen de intelligentie van mannen en vrouwen. Hoewel onterecht, schatten mannen hun wiskundige IQ hoger en vrouwen schatten hun sociale en emotionele intelligentie hoger. Gemiddeld genomen scoren mannen net iets beter op sommige punten en vrouwen weer op andere punten. Als je vervolgens alles gemiddeld neemt, is er geen verschil.
6.8.3 De relevantie van ras op intelligentie
Er zijn geen directe aanwijzingen dat eventuele verschillen in intelligentie worden veroorzaakt door genetische verschillen tussen het gekleurde en het blanke ras. De aanhangers van de gedachte dat gekleurde rassen minder intelligent zijn, zou te maken hebben met het hebben van kleinere hersenen. Deze verschillen zijn echter kleiner dan de verschillen tussen mannen en vrouwen (ongeacht ras). Groepsverschillen in IQ tussen verschillende sociaal gedefinieerde rassen moeten worden begrepen vanuit verschillen in omgevingsfactoren, zoals voeding en onderwijs.
6.8.4 De relevantie van het zijn van een psychiatrische patiënt
Er is een verband tussen intelligentie en psychische stoornissen. Een verstandelijke beperking gaat samen met verhoogde kwetsbaarheid voor het krijgen van psychische stoornissen. Ook zit er een overlap in de gevolgen ervan. Psychische stoornissen kunnen de intelligentie ook aantasten. Intelligentie kan ook de uitingsvorm, het beloop en de prognose van een psychische stoornis beïnvloeden.
Bij kinderen met een verstandelijke beperking komen psychische stoornissen drie tot vier keer vaker voor dan bij leeftijdsgenoten. Dat geldt ook voor volwassenen. Verder is voor het ontstaan van sommige psychische stoornissen, zoals autisme of een persoonlijkheidsstoornis, bekend dat een lagere intelligentie een risicofactor is. Omgekeerd kunnen psychische stoornissen de intelligentie van patiënten aantasten, bijvoorbeeld door de Ziekte van Alzheimer. Ook bij Schizofrenie is het relevant. Scores op intelligentietests kunnen ook worden beïnvloed door stoornissen omdat bijvoorbeeld heftige verlegenheid negatieve gevolgen kan hebben. Ook bij de uitingsvorm en de prognose van psychische stoornissen speelt intelligentie een belangrijk rol. Afhankelijk van intelligentie zal de persoon met een anti-sociale persoonlijkheidsstoornis zich anders gedragen.
6.8.5 De relevantie van het zijn van een neurologische patiënt
Vele mentale functies kunnen beperkingen laten zien na een hersenbeschadiging of hersendisfunctie. Wat er gebeurt is afhankelijk van waar de hersenbeschadiging plaatsvindt. Omdat intelligentie geen specifieke functie is, maar een verzameling van cognitieve vaardigheden, kan deze ook niet op een specifieke plaats worden gelokaliseerd. Intelligentietests zijn dus ook niet specifiek gevoelig voor hersenbeschadiging, waardoor er geen profiel te maken is voor iemand met een hersenbeschadiging. Let op: het halen van een of meerdere slechte testscores op een neuropsychologische testbatterij betekent niet automatisch dat er sprake is van hersenletsel.