Er kunnen verschillende manieren gebruikt worden om de geschiedenis van de psychologie in kaart te brengen. Bijvoorbeeld door het stellen van centrale en concrete vragen. De antwoorden op de vragen geven dan een boeiend beeld van de geschiedenis van de psychologie.
Ook kun je er voor keizen om grote namen uit de psychologie te behandelen. Vaak komen dan Freud, Wundth, Pavlov en Watson aan de orde. Zij hebben samen een standaardbeeld gezet met betrekking tot de belangrijkste psychologische theorieën. De laatste jaren komt hier ook de naam Vygotsky bij. Deze Russische onderzoeker leefde van 1896 tot 1934. Door onder andere politieke factoren worden zijn theorieën nu pas meer en meer gebruikt door andere onderzoekers en psychologen. In dit artikel zal een van zijn belangrijkste theorieën worden behandeld, namelijk zijn kijk op het "nature-nurture debat".
Er zijn twee tegenstellende standpunten te onderscheiden met betrekking tot het nature/nurture debat. Namelijk het rationalisme en nativisme tegenover het empirisme.
Aanhangers van het rationalisme en het nativisme stellen dat in principe alle mentale processen gegeven en dus genetisch bepaald zijn. Ouders kunnen alleen dit "groeiproces" (de ontplooing van alle mentale processen) zo goed mogelijk ondersteunen, maar hebben hier geen directe invloed op. Plato is een van de bekendere aanhangers van dit standpunt.
Aanhangers van het empirisme stellen dat alle mentale processen door omgevingsfactoren bepaald worden. Het kind is een "onbeschreven blad" dat totaal kan worden ingevuld door de omgeving. Een bekende psycholoog die deze theorie aanhing was de Amerikaan Watson.
Tegenwoordig is er veel onderzoek gedaan naar de rol van aanleg en omgeving, door bijvoorbeeld tweelingonderzoeken. Dit houdt in dat prestaties van één- en tweeëiige tweelingen met elkaar worden vergeleken. Een ééneiige tweeling zou volgens nativisten nagenoeg even goed moeten presteren bij een test. Dit blijkt in de praktijk niet altijd zo te zijn.
Echter scoren kinderen die in nagenoeg dezelfde omgeving (het zelfde gezin bijvoorbeeld, geheel dezelfde omgeving is in de praktijk logischerwijs niet mogelijk) zijn opgegroeid ook lang niet altijd hetzelfde bij deze onderzoeken. Ook de empiristische theorie lijkt dus niet te kloppen.
De waarheid lijkt dus ergens in het midden te liggen. Het nature-nurture debat gaat vooral over waar deze "waarheid" op die schaal ligt. Wat is de grootte van de bijdrage van erfelijke factoren en wat is de grootte van de bijdrage van omgevingsfactoren?
Vygotsky stelde allereerst dat het milieu waarin een kind opgroeit, geen absolute of onveranderlijke factor is. Tot dan toe werd dit door onderzoekers als Holzinger en Burt wel vaak zo gezien. Vygotksky stelde dat twee kinderen die precies dezelfde situatie meemaken deze nooit hetzelfde ervaren. Hij stelde dat kinderen dus mede hun eigen omgeving creeëren. Daarnaast verandert de sociale omgeving van een kind naarmate het groeit, een kruipende peuter heeft een ander "milieu" dan een kind dat kan lopen.
Ook stelde hij dat de "oervorm" (het kind) en de "ideale vorm" (de volwassene) naast elkaar staan bij de ontwikkeling van het kind; het eerste werkt mee aan de creatie van het tweede. Het is geen lineare ontwikkeling.
Vygotsky had kritiek op de traditionele testen, omdat deze enkel een momentopname van een klein onderdeel van de ontwikkeling, het IQ, meten. Hier kunnen veel processen achter schuilgaan die bij deze tests niet naar voren komen. De definitie van "intelligentie" is veelal ook niet duidelijk.
Ten slotte stelde Vygotsky ook dat deze tests een negatief effect hebben op de ontwikkeling van een kind. Als het kind bijvoorbeeld bij een IQ test een lage score haalt, stelt dit alleen vast wat het kind op dat moment niet kan. Er wordt niet gekeken naar wat het kind wél kan of wellicht gaat kunnen in de toekomst.
Daarnaast keek Vygotky naar hoe bepaalde aanleg- en omgevingsfactoren, elkaar beinvloeden. Daarvoor werd vaak alleen gekeken naar hoe groot de bijdrage van iedere factor apart is.
Hij maakte hierbij onderscheid tussen hogere en lagere psychologische processen. De lagere processen zijn in aanleg gegeven en zijn passief van aard. Bijvoorbeeld eenvoudige reflexen die het gevolg zijn van de evolutionaire ontwikkeling van de mens. De hogere processen zijn veel meer het product van de menselijke cultuur en verlopen met behulp van een taal. Vygotsky geeft als voorbeeld dat een kind dat kan schaken iets totaal anders waarneemt wanneer het kijkt naar een schaakspel dan een kind dat niet kan schaken. Het kind dat kan schaken kan met behulp van taal en andere geleerde culturele handvaten verbanden leggen tussen de verschillende stukken.
Ook dingen herinneren is makkelijker voor kinderen die een taal machtig zijn. Zij kunnen alles wat ze zien indelen. Bijvoorbeeld op kleur of vorm. Een kind dat geen kleuren kan benoemen heeft het moeilijker als het dingen moet indelen dan een kind dat dit wel kan.
Het kind is geen machteloos object dat wordt beinvloed door de omgeving, maar kan dus zelf invloed uitoefenen op alle omgevingsindrukken door alles wat het waarneemt zelf de structureren en verwerken. Taal is hierin een groot instrument.
Door middel van cultuur kan een kind volgens Vygotsky's theorie zich dus "instrumenten", met name taal, eigen maken en daarmee zijn lagere psychische processen transformeren tot hogere psychische processen. De lagere psychische processen spelen hiermee een rol in het menselijk functioneren, maar zijn ondergeschikt aan de hogere processen. Intelligent functioneren heeft alles te maken met de mate waarop een kind zich de culturele instrumenten eigen kan maken.
Hierop vallen wel twee kanttekeningen te maken. Allereerst zijn er zeker ook kritieken gegeven op de theorëen van Vygotsky. Een pasgeboren baby blijkt, geconcludeerd uit later onderzoek, bijvoorbeeld, in tegenstelling tot wat Vygotsky stelt, geen passief, reactief wezen te zijn. Ten tweede lijkt Vygotsky's theorie weinig te zeggen over het hoe individuele verschillen tot stand komen. Alleen de aanpassing van de omgeving (de culturele instrumenten) leidt er lang niet altijd toe dat de ontwikkeling alsnog optimaal gaat; kinderen lijken ook zeker aangeboren "defecten" te kunnen hebben.
Overigens moet Vygotsky's theorie ook in perspectief worden gezien; hij focuste zich erg op het stimuleren van de ontwikkeling van alle kinderen om zo met de ontwikkeling van de "nieuwe mens" de Sovjetmaatschappij naar een hoger niveau te brengen.