| Veel informatie/variabelen wordt in SPSS verminderd tot minder variabelen, waardoor het makkelijker te verwerken is. SPSS doet dit door overmatige informatie eruit te filteren. |
| Metingen die niet direct gemeten kunnen worden. Er worden dan verschillende aspecten gemeten. |
| Het identificeren van groepen of clusters van variabelen. |
| Op één rechte lijn gelegen. |
| Dit is een correlatiematrix: een tabel van correlatie coëfficiënten tussen variabelen. De diagonaal van deze matrix bestaat uit enen, omdat alle variabelen perfect correleren met zichzelf. |
| Je kan het voorstellen als een as van een grafiek, waarlangs variabelen gezet kunnen worden. |
| Representatie van de relatie met de factoren. |
| De coördinatie van variabelen. |
| De bevindingen zijn alleen toepasbaar op de steekproef. |
| De bevindingen generaliseren naar de gehele populatie. |
| De totale variantie voor één variabele heeft twee componenten, waarvan één de common variance is. Dit houdt in dat die totale variantie van een variabele gedeeld kan worden met andere variabele. |
| Dit is de andere component van de totale variantie van een variabele. Dit is specifieke variantie voor die meting, wat ook betekent dat het betrouwbaar is. |
| Dit is specifieke variantie, maar niet betrouwbaar. |
| De proportie van common variance die in een variabele wordt gepresenteerd. Dus als een variabele geen specifieke variantie heeft, dan heeft de variabele een communality van 1. |
| Ontbinden van de originele data in lineaire variaties. |
| Associatie met een variabele geeft de belangrijkheid van een factor. Met zo’n waarde kan gekeken worden of een factor belangrijk genoeg is om te behouden. |
| Een grafiek van elke eigenwaarde (de y-as) tegen de factoren waarmee de eigenwaardes geassocieerd worden (de X-as). |
| Kaiser beweerde dat factoren geselecteerd moeten worden als de eigenwaarde groter is dat 1. |
| Het roteren van assen van de factoren, zodat variabelen maximaal geladen zijn op één factor. |
| Rotatie waarbij de factoren onafhankelijk worden gehouden. De factoren blijven ongerelateerd. |
| Bij deze vorm van rotatie mogen de factoren na de rotatie wel correleren. |
| Hierin staan de geroteerde factor ladingen. |
| Een meting moet consistent het gemeten construct reflecteren. |
| Een persoon zou dezelfde score moeten krijgen op een test als deze test op twee verschillende momenten gemaakt wordt. |
| Een vragenlijst is betrouwbaar als elk item dezelfde kant op scoort, dus als een persoon hoog scoort op het ene item, dan moeten alle items hoog scoren. De split-half methode onderzoekt dit door de data aselect in tweeën te delen. De twee helften zouden ongeveer hetzelfde moeten scoren. |
| Dit is de meest gebruikte meting van schaal betrouwbaarheid. Hiermee wordt de data op elke mogelijke manier in tweeën gesplitst en daarna wordt de correlatie coëfficiënt voor elke deling uitgerekend. Een waarde van .7 of .8 is acceptabel. Daaronder geeft onbetrouwbaarheid weer. Er moet wel voorzichtig met deze getallen omgegaan worden, omdat de Cronbach’s alfa groter wordt naarmate het aantal items toeneemt. Dit zegt dan dus niks over de betrouwbaarheid. |
| De mate waarin de schaal één onderliggend construct meet. |
| Als het ene item een hoge score geeft als de participant bijvoorbeeld statistiek niet leuk vindt en het andere item een lage score geeft, terwijl dat item ook gaat over het niet leuk vinden van statistiek. |