Köbler (Case C-224/01) - Arrest

Köbler (HvJ 30-09-2003, Zaak C-224/01)

Casus

Köbler meent, als gewoon hoogleraar in Oostenrijk, recht te hebben op een bijzondere anciënniteittoelage, welke wordt toegekend na vier jaar de anciënniteittoelage te hebben ontvangen en 15 jaar de functie van hoogleraar te hebben vervuld aan Oostenrijkse universiteiten of hogescholen.

Köbler meent dat de regel van 15 jaar dienstverband bij een Oostenrijkse universiteit een ongerechtvaardigde discriminatie oplevert. Köbler meent aanspraak te maken op de bijzondere anciënniteittoelage, aangezien hij de vereiste 15 jaar dienstverband wel heeft verricht indien de jaren diensttijd aan universiteiten van andere lidstaten werden meegeteld.

Het Verwaltungsgerichtshof stelt een prejudiciële vraag. In de tussentijd wees het Hof een ander arrest met een beslissing die positief uitviel voor Köbler. Echter het Verwaltungsgerichtshof verwierp, in strijd met deze uitkomst, het beroep van Köbler. Het Verwaltungsgerichtshof noemde als grond dat de toelage een premie voor trouwe dienst vormt die een afwijking van de bepalingen inzake het vrije verkeer van werknemers objectief rechtvaardigde.

Köbler stelt bij datzelfde Verwaltungsgerichtshof een schadevorderingsactie in tegen de Republiek Oostenrijk voor de gestelde geleden schade die hij leed door het niet ontvangen van de toelage. Hij meent dat het arrest van het Verwaltungsgerichtshof in strijd is met rechtstreeks toepasselijke bepalingen van het gemeenschapsrecht.

De Republiek Oostenrijk stelt dat dit laatste niet het geval is. Bovendien kan naar de mening van de Republiek Oostenrijk uit de beslissing van een in laatste aanleg sprekende rechterlijke instantie, zoals het Verwaltungsgerichtshof, geen verplichting tot schadevergoeding voor de staat voortvloeien.

Een prejudiciële vraag die het Verwaltungsgerichtshof aan het Hof stelt met betrekking tot deze schadevorderingsactie, is dan ook:

  1. Is het beginsel dat een lidstaat verplicht is de schade te vergoeden die particulieren lijden als gevolg van een schending van het gemeenschapsrecht die aan hem kan worden toegerekend, eveneens van toepassing indien de betrokken schending bestaat in een beslissing van een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie? En, zo ja;

  2. Dient de rechtsorde van elke lidstaat de rechter aan te wijzen die bevoegd is om geschillen betreffende deze vergoeding te beslechten?

Hof

  1. Op de hoogste nationale rechter rust een bijzondere verplichting om het gemeenschapsrecht correct toe te passen en hierover eventueel prejudiciële vragen te stellen.

De rechterlijke macht is gehouden om bij de vervulling van haar taken de regels te eerbiedigen die door het gemeenschapsrecht zijn opgelegd.

Aansprakelijkheid van een lidstaat kan ook voortvloeien uit een schending van het gemeenschapsrecht door een beslissing van een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie van die lidstaat.

Drie voorwaarden voor staatsaansprakelijkheid:

  1. De geschonden rechtsregel strekt ertoe particulieren rechten toe te kennen;

  2. Er is sprake van een voldoende gekwalificeerde schending;

  3. Er moet een rechtstreeks causaal verband zijn tussen de schending en de geleden schade.

Deze voorwaarden gelden ook voor de staatsaansprakelijkheid van de beslissing van een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie, die in strijd is met een regel van gemeenschapsrecht.

Met betrekking tot de tweede voorwaarde geldt hierbij:

dat bij de beoordeling of een schending voldoende gekwalificeerd is, rekening moet worden gehouden met de specifieke aard van de rechterlijke functie en met de gerechtvaardigde eisen van rechtszekerheid. Daarom moet onderzocht worden of er sprake is van een kennelijke schending.

Of aan die voorwaarde is voldaan, hangt af van alle elementen die de situatie kenmerken, zoals:

  • de mate van duidelijkheid en nauwkeurigheid van de geschonden regel;

  • de vraag of de schending opzettelijk is begaan;

  • de al dan niet verschoonbaarheid van de rechtsdwaling;

  • het eventueel door een gemeenschapsinstelling ingenomen standpunt;

  • de schending door de betrokken rechter van de verplichting om op grond van artikel 234(3) EG, een prejudiciële vraag te stellen.

  1. Ja, bij gebreke van een gemeenschapsregeling is het een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat om de bevoegde rechter aan te wijzen. 

 

Image

Access: 
Public

Image

Click & Go to more related summaries or chapters

Samenvattingen: de beste jurisprudentie en arresten voor Europees recht en recht van de Europese Unie samengevat

Join WorldSupporter!
This content is related to:
Arresten en jurisprudentie: uittreksels en studiehulp - Thema
Check more of topic:

Image

 

 

Contributions: posts

Help other WorldSupporters with additions, improvements and tips

Image

Spotlight: topics

Check the related and most recent topics and summaries:
Activities abroad, study fields and working areas:

Image

Check how to use summaries on WorldSupporter.org
Submenu: Summaries & Activities
Follow the author: Law Supporter
Work for WorldSupporter

Image

JoHo can really use your help!  Check out the various student jobs here that match your studies, improve your competencies, strengthen your CV and contribute to a more tolerant world

Working for JoHo as a student in Leyden

Parttime werken voor JoHo

Statistics
Search a summary, study help or student organization