Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

Image

Rechtsfilosofie I - UL - Oefententamen 2012 (2)

Vragen

Vraag 1

Wat zou Plato van het referendum vinden?

Vraag 2

Wat zegt Thomas over het zevende gebod, ‘Gij zult niet stelen’? Wat is de plaats van dit gebod in het systeem van de wet?

Vraag 3

Hobbes wordt wel genoemd als inspirator van Publius. Bespreek dit idee op grond van de nrs 51 en 78 van de Federalist Papers

Vraag 4

Bespreek de tirannie van de meerderheid en de waarborgen daartegen bij Tocqueville.

Antwoordindicatie

Vraag 1

Het referendum is een vorm van directe democratie. Het is een vorm van volksraadpleging over bepaalde collectieve besluiten, met een bindend karakter. In elk geval moet de student het referendum identificeren als een zeer democratisch middel. Dat doet de vraag rijzen wat Plato precies zegt over de democratie als zodanig, en vooral: waarom hij dat zegt; hoe de filosofische redenering achter zijn (kritische!) houding ten opzichte van de democratie eruit ziet. Dat moet de student brengen op de bespreking van de deugd als zodanig, de rechtvaardigheid/rechtschapenheid (dikaiosunè), en hoe deze zich (op grond van Plato’s ziel-staatanalogie) zowel op het niveau van de ziel als dat van de constitutie weerspiegelt. Tenslotte dient de fundering van dit alles verhelderd te worden, namelijk in de notie van de idee van de waarheid en het goede als iets transcendents, dat alleen door moeizame studie en inspanning eigen gemaakt kan worden, en dan ook slechts door diegenen die er de begaafdheid voor bezitten. Wat weer een argument is voor zijn aristocratisch staatsideaal. De vindplaats van Plato’s kritiek op de democratie is Boek VIII, vanaf nr. 555 B tot en met 562A (Het Bestel, pp. 329 t/m 339). Daarvan moet de student toch iets laten zien, namelijk dat vrijheid en gelijkheid het hoogste goed zijn, met als gevolg een volstrekte egalitaire benadering van alle verlangens en begeertes. Gevolg: verdwijning van iedere hiërarchie en discipline, vaders worden bang voor hun zonen en leraren voor de leerlingen, waardoor de samenleving een stuurloos geheel wordt.

Het gevaar van afglijden naar een tirannie is levensgroot, omdat in die chaos de roep om een sterke man groot wordt. Het filosofische hoe en waarom hierachter dient uitgelegd te worden. Centraal daarbij staat de deugd: de rechtvaardigheid/rechtschapenheid. Dit houdt in: balans in de verschillende onderdelen van zowel de menselijke ziel (waarin telkens de bij deze onderdelen behorende deugd betracht wordt) als van de samenleving (waarin ieder het zijne doet). Het lagere deel van de ziel waarin de driften van buik en onderbuik zetelen dient de gematigdheid oftewel de zelfbeheersing te betrachten. Diegenen die hooguit in deze deugd kunnen uitblinken, dienen in de samenleving de functie van werkers te vervullen. Het middendeel van de ziel waarin de edeler passies van het gemoed huizen, zoals de wilskracht en de vasthoudendheid, dient de deugd van de moed te betrachten. Zij die hierin kunnen uitblinken, mogen toegelaten worden tot de klasse der hulpwachters, de verdedigers. Tenslotte het hoogste deel van de ziel, waarin de hoogste faculteiten van het verstand en het inzicht hun zetel hebben, dient zich te richten op de deugd der verstandigheid/wijsheid. De kleine laag van de bevolking die hiertoe in staat is, dient zorgvuldig geselecteerd en opgeleid te worden, teneinde aan hen de leiding van de staat toe te vertrouwen. Aangezien zij verstandigheid betrachten, is het aan hen de staat te leiden, zoals ook de ziel door de verstandigheid geleid dient te worden.

Dit alles rechtvaardigt Plato wijsgerig, door te stellen (mede met behulp van gelijkenissen zoals die van de Grot) dat waarheid en goedheid/rechtvaardigheid zelf iets

is dat slechts voor de getalenteerden en bovendien enkel na veel inspanning bereikbaar is, namelijk de transcendente idee. Kortom, een staatsvorm waarin niet de besten / het beste deel van de ziel regeert, is gedoemd te mislukken, zoals Plato ook laat zien in de vervalsgeschiedenis van de vele andere staatsvormen dan de aristocratische, namelijk de timocratische, oligarchische, democratische en tirannieke constitutie.

NB: Het essay dient een uiteenzetting te bevatten over de staatsvorm, de ziel, de deugd en de idee. Het gaat om de betekenis achter het verhaal van Plato.

Vraag 2

Je mag niet stelen; op onrechtmatige wijze wegnemen. Allereerst moet zijn aangegeven

dat dit één van de Tien Geboden is; afkomstig uit het Oude Testament. De verhouding tot enkele andere Mozaïsche geboden moet worden uitgelegd. Het heilige getal 7 wijst op een zekere volmaaktheid die alleen in relatie tot de andere geboden duidelijk wordt. Stelen wordt dan ook opgevat, in ruime zin; niet alleen goederen mag men niet stelen, maar ook de eer die je aan een ander (je ouders) verschuldigd bent (4), het leven van een ander (5) en de echtgenoot van een ander mag je niet ‘stelen’ (6). Stelen staat voor Thomas gelijk aan moord. Je moet om die reden ook niet jaloers zijn op het bezit van een ander (9). Je mag jezelf ook niet toe-eigenen wat van God is: zijn eer, zijn naam en zijn dag (1, 2, 3). Men mag Hem dat alles niet onthouden. Het geluk van jezelf en de naaste - het goed of welzijn in het algemeen - beklijft niet wanneer men zich overgeeft aan deze ondeugd. Gelukkig worden we slechts wanneer we niet stelen. Gestolen goed gedijt niet.

Ook de verhouding van dit specifieke gebod tot het Dubbelgebod van de Liefde, dat in het Nieuwe Testament te vinden is; de liefde tot God en de naaste zal mij er natuurlijk ook van weerhouden iets of iemand van de ander te stelen. Het systeem van de wet dient vervolgens helder uiteengezet te worden. Allereerst door aan te geven wat een wet is. Een ware, goede wet is: een rationeel voorschrift (is uitgevaardigd door de ratio); ten bate van het algemeen geluk en welzijn; opgesteld door een erkende, legitieme wetgever die het gemeenschappelijk belang voor ogen staat; geopenbaard of bekendgemaakt aan het publiek. De vijf wetten die Thomas onderscheidt moeten worden genoemd en uitgelegd. Ten slotte dient voor iedere wet te worden aangegeven hoe die zich tot het zevende gebod verhoudt. Vanwege de wet van de menselijke neiging tot de zonde is er de menselijke wet (wetboek en jurisprudentie) die ons afhoudt van de ondeugd (hebzucht of gierigheid) en aanzet tot de deugd (rechtvaardigheid). De menselijke wet dient de beginselen van de natuurwet te respecteren. Slechte wetgeving is diefstal; slechte koninkrijken zijn roversbendes. De natuurwet is dat wat de mens van nature, door de schepping van God heeft meekregen van Zijn Eeuwige (universele en onveranderlijke) Wet; door zijn verstand te gebruiken en naar zijn geweten te luisteren ‘weet’ een mens van zelf en buiten het geloof om wat goed en kwaad in beginsel zijn. Omdat de natuurlijke kennis van de eeuwige wet onvolkomen is, heeft God Zich bovendien geopenbaard in de Bijbel, en heeft Hij de mens de Goddelijke Wet gegeven. Het Oude testament met de Tien Geboden stelt vooral het goede handelen centraal; het Nieuwe Testament met het Dubbelgebod van de Liefde ziet ook toe op de geest of de gezindheid van de zondaar. De Wet van de Liefde is een samenvatting van de Tien Geboden en die spreekt zich ook uit over de diefstal. Diefstal kiest en neemt voor zichzelf, ten koste van de liefde die je de ander schuldig bent. Dit is dus niet in overeenstemming met de liefde voor God en zijn schepping die door het Dubbelgebod geboden zijn.

Vraag 3

Afgezien van waardering voor de essay-vorm is behandeling van onderstreepte kwestie vooronderstelling van een voldoende cijfer.

  • Inleiding biedt tenminste schets van Hobbes’ staatsleer op hoofdlijnen, voor zover hier ter zake: “van transcendent naar immanent”, de mens zelf als bron en doel van alle staatsgezag, +/- gelijkheid van mensen als mensen (descriptief en normatief), mens door begeerten geregeerd, + rede => natuurwetten, moeten worden afgedwongen, natuurtoestand => contract => +/- absoluut staatsgezag, …

  • Korte inleiding tot Publius’ werk in het algemeen, incl. historische achtergrond

(deel van werken om het volk te bewegen de constitutie aan te nemen), republicanisme, democratie,… met enige toespitsing op de nrs. 51 & 78 (machtenscheiding, checks & balances etc. en de bijzondere rol van de rechterlijke macht)

Uitwerking kan verschillende wendingen nemen. Overeenkomsten:

Mens zelf is bron en doel van alle staatsgezag, incl. deszelven regels en beginselen.

Idee van contract keert bij Publius op verschillende manieren terug: volk bepaalt zelf de staatsvorm, die democratisch is ingericht. Publius’ Hobbesiaanse idee dat als mensen engelen zouden zijn, een overheid niet nodig zou zijn.

(ook bij Publius beredeneerde noodzaak van sterke centrale staat.)

Anders bij Publius:

Democratie

Scheiding der machten

Checks & balances

Constitutionele toetsing (anders Hobbes: staatsmacht is één, ondeelbaar en volstrekt soeverein, afgezien van recht op opstand als veiligheid niet langer wordt geboden).

(Burgerrechten die tegen iedereen dus ook tegen overheid werken, in ieder geval meer nadruk op burgerlijke vrijheden)

(Ander, in ieder geval rationalistischer en rooskleuriger mensbeeld)

Bovendien biedt Publius een andere oplossing voor het vraagstuk van mogelijke tirannie dan Hobbes: (democratie,) trias, onderlinge controle etc. (Hobbes: ‘inconvenience, maar alles is beter dan ‘natural condition of man’.)

Conclusie kan luiden dat Hobbes Publius geïnspireerd heeft, met name op gronden als:

mens is niet van nature goed => noodzaak en inrichting v/d staat, het tirannieprobleem, etc.

Of: Hobbes en Publius staan ver van elkaar af, op grond van nogal wat verschillen in opvatting: verschillende ideeën van staat en staatssoevereiniteit, …, nogal wat rooskleuriger mensbeeld met alle staatkundige gevolgen van dien. – Vanuit de nrs. 51 en 78 ligt een conclusie in termen van verschillen in opvatting meer voor de hand.

Terzijde: ‘het idee’ is een ander begrip dan ‘de idee’, dit voor mensen die vielen over ‘…die idee …’ in de verwoording van de vraag.

En: Publius is de schuilnaam van de auteurs v/d Federalist Papers, zoals ook blijkt uit de steeds terugkerende ondertekening, ook onder de nrs. 51 & 78.

Vraag 4

Om te beginnen moet worden uitgelegd wat de tirannie van de meerderheid nu precies is. Het gaat om de onderdrukking van de minderheid door de meerderheid in een democratie. Voorbeelden zijn het lot van de zwarten en de indianen in de VS. Deze vorm van tirannie is een ontaarding van de democratie. Zij komt tot stand als de meerderheid geen rekening houdt met de rechten van de minderheid.
Dit kan gemakkelijk gebeuren, omdat de democratie uitgaat van de meerderheidsregel: ‘de meeste stemmen tellen’. (Omdat consensus niet haalbaar is: er is altijd wel iemand tegen). Daarnaast kan de mening van de meerderheid, ook wel de publieke opinie genoemd, dermate dominant zijn, dat de minderheid er maar beter het zwijgen toe kan doen, op straffe van ridiculisering of verstoting.

Als aldus uiteen is gezet wat de tirannie van de meerderheid inhoudt, moet de student vervolgens aangeven wat volgens Tocqueville daartegen de waarborgen zijn.

Dat zijn er in het totaal drie: decentralisatie, religie, en de juristenstand.

Het volstaat niet deze te noemen. Men moet ook uitleggen op welke wijze deze drie de tirannie van de meerderheid belemmeren. Bij de bespreking van elk van de drie factoren moet dus expliciet een verband worden gelegd met de tirannie van de meerderheid.

Decentralisatie belemmert de tirannie van de meerderheid, doordat het minderheden, althans als ze regionaal of lokaal een meerderheid vormen, in de gelegenheid stellen tot zelfbestuur en dus tot een leven onder hun eigen regels. Voorbeelden zijn de Amish, de orthodox-protestanten in Urk, en de koerden in Irak. Religie, althans de christelijke religie waar Tocqueville het over heeft, heeft als kernnormen de Tien Geboden en het Gebod van de Naastenliefde. Die eisen van de gelovige dat hij ieder mens humaan en liefdevol behandeld. Dus ook de minderheid. Zo gezien tempert de religie de vrijheid van de meerderheid om alles maar te beslissen. De juristenstand tempert eveneens de vrijheid van de meerderheid om alles maar te beslissen. En wel omdat de meerderheid tegen de juristen opkijken: zij hebben gezag in de maatschappij. (Ze vormen een laatste restje aristocratie in de democratie.) En ze gebruiken dat gezag (o.a.) om verkregen rechten te beschermen, ook tegen een meerderheid die deze wil aantasten.

Image  Image  Image  Image

Access: 
Public

Image

Follow the author: Law Supporter
More contributions of WorldSupporter author: Law Supporter:
Work for WorldSupporter

Image

JoHo can really use your help!  Check out the various student jobs here that match your studies, improve your competencies, strengthen your CV and contribute to a more tolerant world

Working for JoHo as a student in Leyden

Parttime werken voor JoHo

Comments, Compliments & Kudos:

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.

Image

Check how to use summaries on WorldSupporter.org

Online access to all summaries, study notes en practice exams

How and why would you use WorldSupporter.org for your summaries and study assistance?

  • For free use of many of the summaries and study aids provided or collected by your fellow students.
  • For free use of many of the lecture and study group notes, exam questions and practice questions.
  • For use of all exclusive summaries and study assistance for those who are member with JoHo WorldSupporter with online access
  • For compiling your own materials and contributions with relevant study help
  • For sharing and finding relevant and interesting summaries, documents, notes, blogs, tips, videos, discussions, activities, recipes, side jobs and more.

Using and finding summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter

There are several ways to navigate the large amount of summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter.

  1. Use the menu above every page to go to one of the main starting pages
    • Starting pages: for some fields of study and some university curricula editors have created (start) magazines where customised selections of summaries are put together to smoothen navigation. When you have found a magazine of your likings, add that page to your favorites so you can easily go to that starting point directly from your profile during future visits. Below you will find some start magazines per field of study
  2. Use the topics and taxonomy terms
    • The topics and taxonomy of the study and working fields gives you insight in the amount of summaries that are tagged by authors on specific subjects. This type of navigation can help find summaries that you could have missed when just using the search tools. Tags are organised per field of study and per study institution. Note: not all content is tagged thoroughly, so when this approach doesn't give the results you were looking for, please check the search tool as back up
  3. Check or follow your (study) organizations:
    • by checking or using your study organizations you are likely to discover all relevant study materials.
    • this option is only available trough partner organizations
  4. Check or follow authors or other WorldSupporters
    • by following individual users, authors  you are likely to discover more relevant study materials.
  5. Use the Search tools
    • 'Quick & Easy'- not very elegant but the fastest way to find a specific summary of a book or study assistance with a specific course or subject.
    • The search tool is also available at the bottom of most pages

Do you want to share your summaries with JoHo WorldSupporter and its visitors?

Quicklinks to fields of study for summaries and study assistance

Field of study

Check the related and most recent topics and summaries:
Activity abroad, study field of working area:
Institutions, jobs and organizations:
Statistics
1752