Opdracht 1
De rechtsstaat wordt zowel in de media, als in de rechtszaal en ’s lands Vergaderzaal regelmatig aangehaald. Maar soms lijkt het er op alsof niemand precies weet wat met ‘de rechtsstaat’ precies wordt bedoeld.
Vraag 1a
Wat wordt in handboeken staatsrecht normaal gesproken onder de ‘rechtsstaat’ verstaan?
Vraag 1b
Welke betekenissen worden volgens de bekende jurist Ernst Hirsch Ballin in het maatschappelijk en het politiek debat onderscheiden?
Vraag 1c
Zijn er volgens u nog andere manieren waarop de rechtsstaat in het maatschappelijk debat zou kunnen worden gebruikt?
Vraag 1d
Zijn democratie en rechtsstaat volgens u los verkrijgbaar? Moet, met andere woorden, een rechtsstaat altijd democratisch zijn? Illustreer uw antwoord aan de hand van (al dan niet zelfbedachte) voorbeelden.
Vraag 1e
Welke functie(s) heeft het concept van de rechtsstaat? Illustreer uw antwoord aan de hand van (al dan niet zelfbedachte) voorbeelden.
Opdracht 2
Aan de vooravond van de verkiezingen van 2012 figureerde op YouTube het volgende filmpje. Het gaat om een interview over de vraag of Nederland wel rechtmatig ‘is’ (of ‘bestaat’). Belangwekkende informatie dus, voor een ieder die zich op het grondgebied van het Koninkrijk bevindt. Bekijk het filmpje en probeer de volgende vragen van een zinnig antwoord te voorzien. Op 0:44-0:54 van het filmpje, wordt gewag gemaakt van het feit dat de eerste regering van na de Tweede Wereldoorlog door het staatshoofd is benoemd.
Vraag 2a
Welke functie vervult de democratie in dit fragment? En hoe beoordeelt u dit?
Vraag 2b
Hoe verhoudt zich de manier waarop in Nederland de vertrouwensregel tussen regering en parlement is ontstaan, tot deze redenering?
Volgens de spreker kan de rechtmatigheid van de Nederlande Staat uitsluitend bij het Belgische Grondwettelijk Hof aan de orde worden gesteld. In wezen wordt hier geïmpliceerd dat Nederland, bij gebrek aan een constitutioneel hof, geen volwaardige rechtsstaat is.
Vraag 2c
In hoeverre klopt dat volgens u? Betrek in uw antwoord, de overwegingen van de Staatscommissie parlementair stelsel omtrent constitutionele toetsing.
Opdracht 3
In 1848 werd de Nederlandse Grondwet (die dateert van 1814 of 1815, daarover bestaat discussie) ingrijpend gewijzigd. De structuren die toen zijn aangebracht, vormen nog steeds de fundamenten van ons staatsbestel.
Vraag 3a
Raadpleeg http://www.denederlandsegrondwet.nl/ en wijs drie bepalingen in de grondwet van 1848 aan die deze structuren bevatten en vandaag nog steeds (grotendeels) overeind staan.
Vraag 3b
In 1917 is het Nederlandse constitutionele bestel opnieuw fundamenteel gewijzigd. De belangrijkste wijziging staat echter niet in de Grondwet. Om welke wijziging zou het hier gaan?
Vraag 3c
In hoeverre is de wijziging volgens u te beschouwen als rechtsstatelijke of democratische innovatie?
Vraag 3d
Is het volgens u tijd voor een nieuwe grondwetswijziging? Betrek in uw antwoord, het rapport van de Staatscommissie parlementair stelsel.
Opdracht 4
Momenteel ligt in de Tweede Kamer voor, het concept-wetsvoorstel ter goedkeuring van het zogenaamde CETA-verdrag. Het gaat om een handelsverdrag tussen Canada en de lidstaten van de Europese Unie. Onderdeel van het verdrag is een arbitrageregeling (ISDS: Investor-State Dispute Settlement) die het voor investeerders mogelijk maakt om staten aansprakelijk te stellen voor gederfde winst wanneer deze staten door wetswijziging bijvoorbeeld hun beleid aanpassen. Eerder werd bij een soortgelijk tribunaal de Spaanse staat veroordeeld tot het betalen van 112 miljoen Euro wegens het aanpassen van energiewetgeving. Over dit verdrag, en specifiek ISDS, is tegenwoordig veel te doen. Een aantal partijen en maatschappelijke organisaties meent dat Nederland dat verdrag niet moet goedkeuren.
Kamerlid Kirsten van Halle (PvdA) vraagt zich af wat zij van dit wetsvoorstel moet vinden. Ze heeft niet zo’n goed beeld wat internationale arbitrage precies is en bovendien twijfelt ze aan de grondwettigheid van dat ISDS-systeem. Ze overweegt vragen aan de regering die dat maar beter moet uitzoeken. Maar natuurlijk wil ze geen domme vragen stellen.
Als medewerker van het Kamerlid duikt u in deze materie. Zoek op internet wat informatie over de voorgestelde regeling van ISDS in het CETA-verdrag. Voor betrouwbare informatie kunt u bijvoorbeeld terecht op de website van de Eerste Kamer. Geef vervolgens beknopt advies (ca. halve pagina A4) welke bepalingen van de Grondwet, en welke beginselen van de democratische rechtsstaat, hier mogelijk in het geding zouden kunnen zijn.
Opdracht 1
Vraag 1a
De grondwet, de scheiding der machten, de rechten van de burgers, het legaliteitsbeginsel, rechtsbescherming en de beslissende rol van de volksvertegenwoordiging.
Vraag 1b
De overheid die het recht handhaaft, rechters die onafhankelijk zijn en de rechtsstaat als garant van de grondrechten.
Vraag 1c
Mogelijk integriteit, institutie en openbaarheid van bestuur.
Vraag 1d
Het zijn geen vereisten van elkaar, maar de rechtsstaat is wel nodig voor het hebben van een democratie. Met name grondrechten zijn van belang voor het democratisch proces.
Vraag 1e
Onder andere het scheppen van rechtszekerheid.
Opdracht 2
Geen kant en klare antwoorden, deze vragen zijn naar eigen invulling. Daarbij komt dat het geen tentamenstof is.
Opdracht 3
Vraag 3a
Recht van amendement: Art. 107 Gw Art. 84 Gw
Ministeriële verantwoordelijkheid: Art. 53 Gw Art. 42 lid 2 Gw
Procedure grondwetswijziging: Art. 197 Gw Art. 137 Gw
Vraag 3b
In 1917 werd het algemeen kiesrecht voor manen boven de 23 ingevoerd. De vrouwen kregen enkel een passief kiesrecht.
Vraag 3c
Ministeriële verantwoordelijkheid sluit aan bij de democratie, omdat er macht van de koning naar de burgers gaat.
Vraag 3d
Eigen mening.
Opdracht 4
Eigen advies vormen, volg de instructies in de vraag. Ook hier komt het aan op eigen mening en interpretatie.