Pitlo Goederenrecht - Reehuis - 14de druk
- 1200 keer gelezen
Overdracht wordt geregeld in Boek 3 afdeling 3.4.2. Voor zover de wet niet anders bepaalt is deze regeling van toepassing op alle goederen, dus ook vermogensrechten. Tenzij de aard van het goed zich verzet tegen overdracht. De artikel 3:83 en 3:84 BW vormen de kernbepalingen. Volgens artikel 3:84 lid 1 BW is vereist voor overdracht van een goed:
1. een levering.
2. Krachtens geldige titel.
3. verricht door hem die bevoegd is over het goed te beschikken.
Zolang er niet aan deze eisen is voldaan, komt er geen overdracht tot stand.
Overdracht en levering zijn geen synoniemen van elkaar. Overdracht is het rechtsgevolg van de levering (die krachtens geldige titel door een beschikkingsbevoegde wordt verricht). Overdracht is dus de rechtsovergang als gevolg van de daartoe benodigde levering. Hieruit volgt ook dat niet elke levering leidt tot overdracht, omdat voor overdracht naast levering ook sprake moet zijn van een beschikkingsbevoegde en een geldige titel.
De rechtsfiguur overdracht, zoals deze in titel 3.4 staat, is gericht en beperkt tot goederen. Niet-goederen zijn niet vatbaar voor overdracht. Met goederen worden zaken en vermogensrechten bedoeld. Good will valt daar niet onder.
Tenzij de wet of de aard van het recht zich tegen overdracht verzet zijn eigendom, beperkte rechten en vorderingsrechten overdraagbaar. De wetgever vindt namelijk dat deze goederen in de handel dienen te blijven.
Zoals we hebben gezien kan het aard van het recht zich tegen een overdracht verzetten. Een voorbeeld van een recht waarbij de aard zich verzet tegen overdraagbaarheid zijn beperkte rechten die ook afhankelijke rechten zijn. Die rechten zijn immers afhankelijk van het recht waaraan zij zijn verbonden. Hierbij gaat het om rechten van pand, hypotheek, erfdienstbaarheid en opstal die bij de vestiging afhankelijk zijn gemaakt van een ander recht. Een ander voorbeeld zijn rechten met een persoonlijk karakter. Die rechten zijn immers zodanig aan de persoon van de gerechtigde verbonden dat zij naar hun aard onoverdraagbaar zijn. Hierbij gaat het om beperkte rechten van gebruik en bewoning (art. 3:226 lid 4).
We hebben ook gezien dat de wet zich kan verzetten tegen de overdraagbaarheid van een goed.Een voorbeeld van een recht waarbij de wet zich verzet tegen overdraagbaarheid is het registergoed dat is gesplitst (art. 5:117 lid 5) of de vordering tot betaling van immateriële schade (art. 6:106 lid 2). Een ander voorbeeld is het beperkte recht van gebruik en bewoning (art. 3:226 lid 4). Ook een wettelijk voorkeursrecht kan ertoe leiden dat een goed op grond van de wet niet zonder beperkingen kan worden overgedragen. Een voorkeursrecht houdt in dat de rechthebbende van een goed dat goed niet mag vervreemden onder het voorbijgaan van de voorkeursgerechtigde. Op grond van de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg) hebben gemeenten ten aanzien van bepaalde onroerende zaken een voorkeursrecht.
De overdraagbaarheid van eigendom of beperkte rechten kan men niet in een overeenkomst beperken. Dergelijke onoverdraagbaarheidsbedingen zijn ook niet mogelijk als het gaat om een verkapte beperking. Het is dus niet mogelijk om in een overeenkomst een ontbindende voorwaarde op te nemen inhoudende dat de eigendom terugvalt, zodra de wederpartij het goed vervreemdt. Los van deze goederenrechtelijke werking heeft het onoverdraagbaarheidsbeding wel verbintenisrechtelijke werking. Daaruit volgt dat de wederpartij wanprestatie pleegt als hij in strijd met het onoverdraagbaarheidsbeding het goed toch vervreemdt. Soms is op grond van een lex specialis het wel mogelijk in te grijpen in de vrije overdraagbaarheid van een goed. Zoals bij een testament.
Het eigendom is een sterk recht maar is naar zijn aard ook overdraagbaar. Artikel 3:83 lid 1 BW zorgt er voor dat de vrije overdraagbaarheid van eigendom wordt gewaarborgd. Deze bepaling is dwingendrechtelijk van aard. Partijen kunnen daarom niet afspreken de vrije overdraagbaarheid van eigendom met goederenrechtelijke werking uit te sluiten noch in te perken. Puur vanwege het feit dat eigendom naar zijn aard altijd overdraagbaar is. Artikel 3:83 lid 1 BW heeft een ruime draagwijdte. De bepaling verhindert ook dat de goederenrechtelijke werking van bedingen die indirect, tijdelijk of anderszins de overdraagbaarheid van de eigendom beogen te beperken, ongeacht hoe men zo'n afspraak ook maar wil noemen of typeren.
Los van deze goederenrechtelijke werking heeft het onoverdraagbaarheidsbeding wel verbintenisrechtelijke werking. Daaruit volgt dat de wederpartij wanprestatie pleegt als hij in strijd met het onoverdraagbaarheidsbeding het goed toch vervreemdt. Maar dat kunnen partijen dus zelf onderling afspreken.
De overdraagbaarheid van eigendom of beperkte rechten kan men niet in een overeenkomst beperken. Dergelijke onoverdraagbaarheidsbedingen zijn ook niet mogelijk als het gaat om een verkapte beperking. Het is dus niet mogelijk om in een overeenkomst een ontbindende voorwaarde op te nemen inhoudende dat de eigendom terugvalt, zodra de wederpartij het goed vervreemdt. Los van deze goederenrechtelijke werking heeft het onoverdraagbaarheidsbeding wel verbintenisrechtelijke werking. Daaruit volgt dat de wederpartij wanprestatie pleegt als hij in strijd met het onoverdraagbaarheidsbeding het goed toch vervreemdt.
Anders is de situatie bij vorderingsrechten. De overdraagbaarheid van vorderingsrechten kan men wel in een overeenkomst beperken (art. 3:83 lid 2). Daaruit volgt dat een onoverdraagbaarheidsbeding ten aanzien van vorderingsrechten zowel goederenrechtelijke als verbintenisrechtelijke gevolgen heeft. Als de wederpartij in strijd met het onoverdraagbaarheidsbeding het goed vervreemdt, dan komt er geen overdracht tot stand.
Hoewel artikel 3:83 lid 1 BW de overdraagbaarheid van eigendom, beperkte rechten en vorderingsrechten voorop stelt, geldt dit niet voor de overige rechten. Krachtens lid 3 zijn (overige) rechten slechts overdraagbaar wanneer de wet dit bepaalt. Een voorbeeld hiervan is een intellectueel eigendomsrecht die op grond van de Auteurswet overdraagbaar is.
Voor de rechtsovergang van een goed is rechtvaardiging nodig. Voor overdracht is er daarom een titel nodig, een geldige titel welteverstaan. Het sluiten van een koopovereenkomst alleen bewerkstelligt in ons systeem echter nog geen overdracht. Daarvoor is nog wel levering gewenst door de vervreemder. Omdat er nu een extra handeling wordt vereist heeft de vervreemder de mogelijkheid om de totstandkoming van de overdracht uit te stellen totdat de wederpartij aan zijn eventueel daartegenover staande prestatie -betaling van de koopsom- heeft voldaan.
Het woord 'titel' in de zin van een overdracht betekent eigenlijk een rechtsgrond van overdracht. Meer precies verwoord: 'de rechtsverhouding die aan de overdracht ten grondslag ligt en haar rechtvaardigt'. Er moet dus altijd tussen de vervreemder en verkrijger een bestaande rechtens relevante verhouding zijn die de rechtsovergang van de een op de ander billijkt. Vaak vloeit zo'n titel voort uit een overeenkomst. Er zijn verschillende manieren om een titel te krijgen. Zolang de inhoud van de rechtsverhouding de overdracht maar rechtvaardigt.
Artikel 3:84 lid 1 BW vereist niet alleen een titel voor de overdracht. De titel moet ook geldig zijn. Als een titel niet geldig is, komt er geen rechtsovergang tot stand. Dit wordt ook wel het causale overdrachtsstelsel genoemd. De levering moet immers altijd een oorzaak (causa) hebben in een geldige titel. Voorbeelden van andere titels van overdracht zijn, ruil, schenking, verbruikleen of het maatschapscontract met inbreng. Bij een ongeldige titel kan de vervreemder het goed gewoon weer opeisen van de verkrijger.
Als er sprake is van een ongeldige titel, dan komt er geen overdracht tot stand. Als de verkrijger het goed inmiddels heeft doorverkocht aan een derde, dan kan de oorspronkelijke vervreemder het goed opeisen van de derde, omdat de verkrijger (die aan de derde heeft geleverd) achteraf gezien beschikkingsonbevoegd was.
Hoewel koop één van de belangrijkste bronnen is van overdrachtstitels, is er nog wel altijd een levering nodig voor de daadwerkelijke overdracht. Het is niet juist dat de levering geen overdracht tot gevolg heeft als de koper de koopprijs niet betaalt. Deze omstandigheden hebben geen invloed op elkaar.
Een vereiste is ondermeer dat het goed bij de titel met voldoende bepaaldheid is omschreven. Dit is een wat vage bepaling. Van voldoende bepaaldheid bij de levering is sprake indien naar objectieve maatstaven -eventueel achteraf- vast te stellen valt op welk goed de levering ziet.
In lid 3 van artikel 3:83 BW worden twee categorieën van titels in de ban gedaan. Dit wordt ook wel het fiduciaverbod genoemd. Dit erwijl er geen sprake is van een algemeen verbod om fiduciaire verhoudingen in het leven te roepen. Het gaat hier slechts om de titels zekerheidsstelling en de titel die niet tot daadwerkelijke overdracht strekt. In het volgende nummer vind je een uitleg hierover.
In de wet is geregeld dat de volgende twee titels ongeldig zijn (art. 3:84 lid 3):
In de eerste plaats is de titel 'zekerheidstelling' wettelijk ongeldig. In dit geval wordt een goed overgedragen met als doel het bieden van zekerheid. De wet kent een gesloten stelsel van voorrangs- en zekerheidsrechten. In dit stelsel geldt het beginsel van paritas creditorum. Op grond daarvan hebben schuldeisers een gelijk recht. Schuldeisers gaan alleen voor boven andere schuldeisers als dat in de wet is vastgesteld. In dat opzicht is het niet mogelijk dat partijen zelf varianten op dat stelsel overeenkomen. De wet biedt wel de mogelijkheid van het stille pandrecht (art. 3:237). In het arrest Keereweer q.q./Sogelease oordeelde de Hoge Raad dat hierbij gelet moet worden op de bedoeling van partijen. Als de overdracht bedoeld is om zekerheid te bieden, dan is de titel (en dus de overdracht) ongeldig.
In de tweede plaats is de titel 'niet tot werkelijke overdracht' wettelijk ongeldig. In dit geval wordt een goed overgedragen zonder dat het de bedoeling is dat het goed in het vermogen van de verkrijger komt. De wet kent een gesloten stelsel van beperkte rechten. In dat opzicht is het niet mogelijk dat partijen zelf varianten op rechten overeenkomen.
Als er sprake is van een ongeldige titel, dan komt er geen overdracht tot stand. Als de verkrijger het goed inmiddels heeft doorverkocht aan een derde, dan kan de oorspronkelijke vervreemder het goed opeisen van de derde, omdat de verkrijger (die aan de derde heeft geleverd) achteraf gezien beschikkingsonbevoegd was.
Doordat de overdracht niet mag plaatsvinden met als titel 'zekerheidstelling' of 'niet tot werkelijke overdracht', moeten partijen kiezen voor één van de volgende mogelijkheden:
De eerste mogelijkheid is een 'volledige' overdracht waarbij de eigendom volledig overgaat.
De tweede mogelijkheid is de vestiging van een in de wet aangegeven beperkt recht, met inachtneming van de daarbij behorende wettelijke voorschriften.
De derde mogelijkheid is de overdracht met voorbehoud van een beperkt recht, met inachtneming van de daarbij behorende wettelijke voorschriften.
De vierde mogelijkheid is de overdracht van het goed 'onder voorwaarde' (zie nr. 121 e.v. van het boek).
De vijfde mogelijkheid is een volledig obligatoire (verbintenisrechtelijke) verhouding.
Partijen kunnen voorwaarden verbinden aan hun verbintenissen, dat wil zeggen de werking van verbintenissen afhankelijk stellen van een in de toekomst gelegen onzekere gebeurtenis. In dat geval komt de overdracht tot stand, maar is de rechtsverkrijging voorwaardelijk. De voorwaarde kan ontbindend of opschortend zijn.
Bij een overdracht onder ontbindende voorwaarde wordt de vervreemder van rechtswege weer rechthebbende door het in vervulling gaan van de ontbindende voorwaarde. Daarvoor is dus geen aparte handeling vereist. Zolang de voorwaarde niet is vervuld, kan de verkrijger als rechthebbende op het goed beschikken. Op grond van de nemo plus-regel (zie nr. 140 van het boek) kan de verkrijger het goed echter slechts onder dezelfde ontbindende voorwaarde overdragen. Dit kan verstrekkende gevolgen hebben in de goederenrechtelijke werking. Een eenmaal aan verkrijging verbonden voorwaarde werkt immers door in de latere verkrijgingen, zodat bij meermalen verhandelde goederen niemand er zeker van kan zijn dat aan zijn verkregen goed geen ontbindende voorwaarde kleeft.
Bij een opschortende voorwaarde is de vervreemder rechthebbende tot de voorwaarde intreedt. Vanaf dat moment is de verkrijger van rechtswege rechthebbende. Net als bij de overdracht onder ontbindende voorwaarde is een aparte (leverings)handeling niet meer nodig. Daardoor is het niet relevant dat de vervreemder na de levering, maar voor het vervullen van de opschortende voorwaarde, eventueel beschikkingsonbevoegd wordt.
Bij een levering onder opschortende voorwaarde komt de overdracht als rechtshandeling tot stand, maar de aan de titel verbonden voorwaarde schort haar werking -het bewerkstelligen van rechtsovergang- op tot het tijdstip waarop de voorwaarde intreedt. In dit stelsel is de rechtsovergang uitsluitend nog afhankelijk van de vervulling onder voorwaarde. De vervulling heeft dus goederenrechtelijke werking. De begrenzing wordt (net als bij de ontbindende voorwaarde) gevormd doordat de voorwaarde niet in conflict mag komen met het goederenrechtelijke systeem dan wel op andere wijze in strijd met de openbare orde of de wet (3:40 BW).
Partijen kunnen in plaats van een voorwaarde aan een verbintenis ook een tijdsbepaling verbinden. Ook hier is sprake van een in de toekomst gelegen gebeurtenis. De vervulling ervan is alleen niet onzeker maar zeker. De overdracht onder tijdsbepaling is alleen niet mogelijk. Artikel 3:58 BW verhinderd dit. Lid 1 merkt een verbintenis strekkende tot overdracht onder ontbindende tijdsbepaling aan als een verbintenis tot vestiging van een vruchtgebruik voor de gestelde tijd. Er komt dus geen overdracht tot stand. Er is sprake van een wettelijek conversie.
Lid 2 merkt een verbintenis strekkende tot overdracht onder opschortende tijdsbepaling aan als een verbintenis tot onmiddelijke overdracht met gelijktijdige vestiging van een vruchtgebruik van de vervreemder op het betrokken goed voor de gestelde tijd. De levering heeft dus direct al gevolg omdat er een vruchtgebruik tot stand komt.
Timesharing is een begrip dat vooral bij grote recreatieprojecten opduikt. Bij zo'n project kan men timeshare-eenheden aanschaffen die een periodiek en exclusief gebruiksrecht toekennen op een appartement of huis. Periodiek eigendom is onmogelijk zoals we in het vorige nummer hebben gezien.
130. Wat is een levering?
Een geldige titel is nog niet genoeg voor rechtsovergang. Daarvoor is immers nodig dat de vervreemder door levering uitvoering geeft aan de titel. De levering is het verrichten van de door de wet voor de totstandkoming van overdracht van eht goed voorgeschreven handelingen van de vervreemder. Er is een gesloten systeem voor deze leveringswijzen. Partijen mogen dus niet zelf verzinnen hoe een levering plaatsvindt.
In de wet zijn de volgende wijzen van levering geregeld:
Onroerende zaken en registergoederen worden geleverd door een tussen partijen opgemaakte notariële akte die wordt ingeschreven in de openbare registers (art. 3:89 lid 1 en 4).
Roerende zaken, niet-registergoederen worden geleverd door bezitsverschaffing (art. 3:90).
Rechten aan toonder of order worden geleverd door levering van het papier waarin de vordering is belichaamd. Voor levering van een ordervordering is ook een endossement vereist (art. 3:93).
Andere uit te oefenen rechten (zoals vorderingen op naam) worden geleverd middels een akte en mededeling daarvan aan de schuldenaar van de vordering (art. 3:94).
Goederen waarvoor de wet geen wijze van levering voorschrijft worden geleverd middels een akte (art. 3:95).
Aandelen in goederen worden geleverd op overeenkomstige wijze als is bepaald met betrekking tot de levering van de betreffende goederen (art. 3:96).
Toekomstige goederen kunnen bij voorbaat worden geleverd (art. 3:97).
Beperkte rechten op goederen worden op dezelfde wijze geleverd als is bepaald voor de levering van het goed waarop het rust (art. 3:98).
In de literatuur zijn veel schrijvers van mening dat er naast een levering ook een goerenrechtelijke overeenkomst noodzakelijk is voor een overdracht. De wet stelt dit niet in zoveel woorden als vereiste voor de totstandkoming van een overdracht. Het is meer iets dat uit de literatuur komt. In het kort komt het er op neer dat een goederenrechtelijke overeenkomst een tweezijdige overeenkomst is die bij de levering van goederen tot stand komt. Het idee hierachter is de nakoming van een verbintenis ook een rechtshandeling vormt. Zodoende kan de vervreemder nooit een eenzijdige levering tot stand brengen. En kan men niet overdragen als er geen wilsovereenstemming is. Maar ook wanneer men aanneemt dat een goederenrechtelijke overeenkomst een zelfstandige vereiste vormt voor elke levering en daarmee voor elke overdracht, gaat het slechts om een schaduwbestaan. Dit omdat als men uitgaat van een nietige of vernietigbare goederenrechtelijke overeenkomst, er vaak voor de geldigheid van de overeenkomst gekeken moet worden naar de overdrachtstitel. Dit is wat lastig te begrijpen maar probeer hiervan te onthouden dat je altijd een geldige titel en levering door een beschikkingsbevoegde nodig hebt. Voor de rest is de goederenrechtelijke overeenkomst vooral iets uit de literatuur.
Beschikken betekent het vervreemden (in de zin van overdragen) of bezwaren van een goed (in de zin van het vestigen van een op het goed drukkend beperkt recht).
In beginsel is de rechthebbende bij uitsluiting beschikkingsbevoegd. Als de vervreemder niet beschikkingsbevoegd is dan komt er ook geen overdracht tot stand. Het tijdstip van levering is altijd doorslaggevend voor het bepalen van of er wel of niet sprake is/was van beschikkingsbevoegdheid.
De rechthebbende kan de beschikkingsbevoegdheid niet afsplitsen (van zijn recht als rechthebbende), overdragen aan een ander of beperken.
Beschikkingsbevoegdheid kan niet contractueel worden ontnomen of beperkt.
In sommige gevallen is de rechthebbende niet beschikkingsbevoegd. Een belangrijk voorbeeld daarvan is artikel 23 Faillissementswet (Fw.). Krachtens deze bepaling verliest de schuldenaar door de faillietverklaring van rechtswege de beschikking over zijn tot het faillisement behorende vermogen.
De beschikkingsmacht van de rechthebbende omvat het recht op het goed zoals zich dat in zijn vermogen bevindt, met alle hoedanigheden en gebreken daarvan.
Het uitgangspunt is dat met betrekking tot een goed slechts de rechthebbende op dat goed beschikkingsbevoegd is. Maar soms kan een niet-rechthebbende ook bevoegd worden gemaakt om een ander weer tot rechthebbende van het goed te maken of het goed te bezwaren. Voorbeelden daarvan zijn onmiddelijke vertegenwoordiging, lastgeving in eigen naam en krachtens de wet (zie bijv. 3:248 BW).
Als er bij een overdracht is geleverd door een beschikkingsonbevoegde, dan komt de overdracht niet tot stand (omdat niet is voldaan aan de vereisten van art. 3:84 lid 1). Zie ook de volgende nummers voor de uitzonderingen.
In de wet zijn enkele bepalingen vastgesteld waardoor de overdracht, ondanks beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder, toch geldig is en de verkrijger alsnog rechthebbende wordt (art. 3:86 en 3:88). Daarbij is het uitgangspunt dat de verkrijger te goeder trouw moet zijn.
Een beschikkingsbevoegde kan met behulp van artikel 3:58 lid 1 BW alsnog beschikkingsbevoegd worden gemaakt doordat de rechtshandeling bekrachtigd wordt. Dat moet uiteraard gebeuren door de rechthebbende.
Als er bij voorbaat is geleverd dan leidt dat nog niet tot een overdracht. Hoe zit dat in het geval van levering door een beschikkingsonbevoegde? Omdat de vervreemder bij voorbaat (nog) geen rechthebbende is wordt er ook geen overdracht tot stand gebracht (immers vereiste van artikel 3:84 lid 1 BW). Verkrijgt de vervreemder bij voorbaat alsnog het goed en is daarmee aan het vereiste van beschikkingsbevoegdheid voldaan, dan komt als gevolg van de eerdere levering bij voorbaat overdracht tot stand.
Een derde die een goed door een beschikkingsonbevoegde geleverd heeft gekregen en daardoor geen rechthebbende is geworden, kan het alsnog verwerven door verkrijging door verjaring. Vereist is dat hij het bezit van het goed heeft gekregen. Er zijn twee vormen van verjaring die later in deze samenvatting behandeld worden.
Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>
There are several ways to navigate the large amount of summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter.
Do you want to share your summaries with JoHo WorldSupporter and its visitors?
Main summaries home pages:
Main study fields:
Business organization and economics, Communication & Marketing, Education & Pedagogic Sciences, International Relations and Politics, IT and Technology, Law & Administration, Medicine & Health Care, Nature & Environmental Sciences, Psychology and behavioral sciences, Science and academic Research, Society & Culture, Tourisme & Sports
Main study fields NL:
JoHo can really use your help! Check out the various student jobs here that match your studies, improve your competencies, strengthen your CV and contribute to a more tolerant world
1101 |
Add new contribution