Vraag 1 (15 punten)
Keulen en Knigge stellen dat het hoger beroep als een voortbouwend appel is vormgegeven en dat daarmee een ‘middenweg’ wordt bewandeld. Wat wordt bedoeld met de typering ‘voortbouwend appel’ en met de stelling dat met de vormgeving van het hoger beroep als een voortbouwend appel een middenweg wordt bewandeld?
Vraag 2 (25 punten)
Na afloop van een voetbalwedstrijd op een zondagmiddag in Rotterdam loopt het uit op rellen. Paul, doorgewinterd hooligan, botviert zijn agressie op een bushokje door met een stalen staaf tegen het glas te slaan. Terwijl hij bezig is, begint de politie met het schoonvegen van de straat. Paul slaat op de vlucht en springt daarbij in een bouwcontainer. Als agenten roepen dat hij er uit moet komen, beseft Paul dat het spel over is en roept naar de agenten dat hij zich over geeft. Hij probeert daarop uit de container te klimmen om zich te laten aanhouden. Dit lukt hem echter niet direct, de container is te hoog en Paul heeft bovendien te veel gedronken. Op dat moment laat een van de agenten een politiehond los, die daarop in de container springt en Paul enkele keren in zijn arm en been bijt, waarna toegesnelde agenten de hond wegtrekken en Paul aanhouden. Aan dit voorval houdt Paul enkele bijtwonden en blijvende littekens over.
Op het bureau wordt Paul behandeld voor zijn verwondingen en daarna verhoord. Aan het eind van het verhoor biedt Chris, politieagent en tevens de verantwoordelijke hondengeleider, Paul zijn excuses aan voor de hondenbeten. Hierbij geeft hij te kennen dat de betrokken hond de reputatie heeft van een ‘echte terriër’ en soms moeilijk in toom te houden is. Chris geeft hierbij tevens aan dat hij er op zal toezien dat deze zaak niet zal worden doorgestuurd naar de officier van justitie, zodat Paul er van uit kan gaan dat hij niet ter zake van dit feit zal worden vervolgd. Als Paul is heengezonden, besluit de coördinerend politiecommissaris echter anders. Voetbalvandalisme is immers een speerpunt en het OM hanteert op dit vlak een zerotolerancebeleid. Enkele maanden later wordt Paul toch gedagvaard voor het beschadigen van het bushokje.
U bent advocaat van Paul. Schrijf een verweer waarin u ingaat op zowel de gedane toezegging als de inzet van de politiehond, alsmede op de hieraan te verbinden consequenties.
Vraag 3 (25 punten)
Aan verdachte, Daan, is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 3 september 2015 te den Haag, althans in Nederland, Guido heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die Guido een mes getoond en hem, die Guido, daarbij (meermalen) opzettelijk dreigend de woorden toegevoegd: ‘ik vermoord je’. In het procesdossier bevinden zich de volgende processen-verbaal, waarvan de redengevende inhoud hieronder beknopt wordt weergegeven:
- een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van Gerard:
‘Ik wil aangifte doen van bedreiging met een mes. Op 3 september 2015 was ik in mijn woning te den Haag. Er werd op de deur van mijn woning gebonkt. Toen ik de deur open deed, zag ik dat Daan daar stond. Ik zag dat Daan een mes bij zich had. Ik hoorde Daan in mijn richting roepen: ‘ik vermoord je.’ Daan is weer weggegaan. Even later is Daan weer teruggekomen. Ik heb niet nogmaals de deur opengedaan, maar door het keukenraam zag ik dat hij mij wederom met het mes bedreigde en riep dat hij mij wilde doodmaken. Ik voel mij hierdoor heel erg bedreigd en ik ben heel bang voor Daan.’ - een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van Kasper (de broer van Guido):
‘Op 3 september 2015 werd ik door mijn broertje gebeld. Hij vertelde mij dat hij door Daan met een mes was bedreigd.’ - een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van Caro (de schoonzus van Guido):
‘Op 3 september 2015 was ik samen met mijn man Kasper koffie aan het drinken toen hij gebeld werd door zijn broertje Guido. Ik hoorde Guido over de telefoon aan mijn man vertellen dat hij door Daan met een mes was bedreigd.’ - een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van Michelle (de vriendin van Guido):
‘Toen ik op 3 september 2015 thuis aankwam van werk trof ik Guido hevig trillend en huilend aan in de huiskamer van onze woning. Hij vertelde mij dat Daan – mijn ex-vriend – zojuist aan de deur was geweest en hem met de dood had bedreigd.’ - een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van Daan:
‘op 3 september 2015 ben ik naar het huis van mijn ex-vriendin gegaan om verhaal te halen over haar nieuwe relatie met Guido. Aangekomen bij het huis deed Guido de deur open. Hierop volgde een woordenwisseling tussen mij en Guido’.
Uit het procesdossier blijkt dat Daan voorafgaand aan bovengenoemde verklaring afgelegd bij de politie niet de cautie is gegeven. De raadsman voert hierover verweer en stelt dat de rechtbank hieraan een sanctie dient te verbinden. Verder bepleit de raadsman dat Daan vrijgesproken dient te worden bij gebrek aan voldoende wettig bewijs.
U bent rechter in deze zaak. Hoe beoordeelt u de verweren van de raadsman?
Vraag 4 (20 punten)
In relatie tot de in het Nederlandse strafproces geldende grondslagleer wordt wel gesproken over de tirannie van de tenlastelegging. Hiermee wordt gedoeld op de strikte binding van de zittingsrechter aan de letterlijke bewoordingen van de tenlastelegging.
Schrijf een essay van maximaal 500 woorden over de strikte uitleg van de grondslagleer in concrete strafzaken. Besteed daarbij aandacht aan de achtergronden van de grondslagleer, mede bezien vanuit de belangen en rollen van de verschillende procesdeelnemers, alsmede aan de correctiemechanismen die in wet en praktijk bestaan op de strikte grondslagleer. Ga in uw betoog ook in op de voor- en nadelen van de thans geldende grondslagleer en trek een genuanceerde conclusie over de wenselijkheid deze te handhaven.
Vraag 5 (15 punten)
Uitgangspunt van het Nederlands bewijsrecht is dat de feitenrechter vrij is in de ‘selectie en waardering van het bewijs’. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) tornt in beginsel niet aan dit uitgangspunt, het stelt zich op het standpunt dat regulering betreffende ‘the admissibility of evidence’ aan de afzonderlijke verdragsstaten wordt overgelaten.
Geef aan op welke wijze de rechtspraak van het EHRM doorwerkt in de vrijheid die de Nederlandse feitenrechter heeft zelf te bepalen welke bewijsmiddelen hij wenst te gebruiken. Betrek bij uw antwoord ten minste twee (deel)rechten uit het EVRM.
Vraag 1 (15 punten)
Met de typering ‘voortbouwend appel’ wordt bedoeld dat de behandeling in hoger beroep gericht is op de bezwaren die de procespartijen naar voren brengen (de grieven), met dien verstande dat de appelrechter bevoegd is om ambtshalve onderzoek te doen naar alle kwesties die van belang zijn voor de beantwoording van de vragen als bedoeld in de artikelen 348 en 350 Sv. Dat de behandeling in hoger beroep gericht is op de bezwaren die de procespartijen naar voren brengen, blijkt uit art. 415 lid 2 Sv.
Dat aan de appelrechter een ambtshalve bevoegdheid toekomt om onderzoek te doen naar alle kwesties die van belang zijn voor het beslissingsschema van 348 en 350 Sv, kan worden afgeleid uit het feit dat de appelrechter niet gebonden is aan de door de procespartijen naar voren gebrachte bezwaren (zie art. 415 lid 2 Sv) en dat hij ingevolge de schakelbepaling van art. 415 lid 1 Sv de vragen uit de artikelen 348 en 350 Sv zelfstandig dient te beantwoorden.
Gezegd kan worden dat met de vormgeving van de behandeling in hoger beroep als een voortbouwend appel een middenweg wordt bewandeld. Het betreft een model dat geplaatst kan worden tussen enerzijds het model waarin de zaak geheel opnieuw wordt behandeld en anderzijds het model waarin de behandeling in hoger beroep wordt beperkt tot de bezwaren die de procespartijen naar voren brengen.
Vraag 2 inhoud (18 punten)
Mijn eerste verweer strekt tot niet-ontvankelijkheidverklaring van de officier van justitie wegens schending van het vertrouwensbeginsel. Politieagent Chris heeft mijn cliënt toegezegd dat hij de zaak niet zou doorsturen naar het OM. Mijn cliënt heeft op deze toezegging vertrouwd en mocht hierop vertrouwen. Uit het toetsingskader dat volgt uit de arresten ‘Parkeerwachter’ (NJ 1989, 379) en ‘Vertrouwen na kennisgeving sepot’ (NJ 2015/492), blijkt dat om te kunnen spreken van ‘gerechtvaardigd’ vertrouwen de aard van de overtreding van belang is, alsmede de omstandigheden waaronder de toezegging is gedaan. Nu sprake was van een gering feit, de omstandigheden er mede uit bestonden dat de toezegging gepaard ging met excuses en Paul er tevens, gelet op artikel 156 Sv, vanuit mocht gaan dat de verbalisant vermocht te beschikken over de beslissing om de zaak al dan niet door te sturen, was het vertrouwen in de mededeling van de verbalisant zeker gerechtvaardigd. Ook de vraag of de vervolgingsbeslissing moet wijken voor het gerechtvaardigd vertrouwen moet in deze zaak bevestigend worden beantwoord, nu geen sprake is van zwaarwegende omstandigheden die tot een ander oordeel nopen. Aldus staat het vertrouwensbeginsel aan vervolging in de weg. Op grond hiervan verzoek ik u de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren (art 349 Sv).
Mocht u aan het bovenstaande verweer voorbij gaan, richt mijn tweede verweer zich op de inzet van de politiehond bij de aanhouding. Deze hond werd losgelaten op het moment dat Paul reeds had aangegeven zich over te geven en bovendien geen kant op kon doordat hij zich in een container bevond. Hiermee is gehandeld in strijd met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, beginselen die volgen uit het arrest Braak bij Binnentreden (NJ 1979, 142) en/of respectievelijk lid 5 en lid 1 van artikel 7 Politiewet. De aanhouding is hiermee op onrechtmatige wijze geschied. Dit levert een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek op als bedoeld in artikel 359a Sv. Subsidiair verzoek ik daarom om strafvermindering. Aan de criteria geformuleerd in het arrest ‘Afvoerpijp’ (NJ 2004, 376) is immers voldaan.
- Mijn cliënt heeft daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, hetgeen bestaat uit bijtwonden en blijvende littekens.
- Dit nadeel is veroorzaakt door het verzuim, nu het een direct gevolg is van de hondenbeten.
- Het nadeel is ook geschikt voor compensatie door middel van strafvermindering, nu andere vormen van sanctionering niet in aanmerking komen. Tot slot meen ik dat
- strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is, nu niet kan worden volstaan met constatering zonder rechtsgevolg. Daarvoor is het belang dat het geschonden voorschriftdient, te weten de bescherming van de lichamelijke integriteit van mijn cliënt, te zwaarwegend en is het verzuim te ernstig.
Met betrekking tot dit laatste wil ik nog aanvoeren dat niet alleen sprake was van een onrechtmatige inzet van de politiehond, maar de betrokken agenten ook wisten dat de hond moeilijk in toom te houden is en de hond de reputatie heeft een ‘echte terriër’ te zijn.
Kortom, primair verzoek ik de rechtbank de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie uit te spreken. Mocht u hier niet in meegaan, verzoek ik subsidiair om strafvermindering krachtens artikel 359a Sv.
Vraag 2 Vorm (7 punten)
- Bij de beoordeling van de vorm zijn onder andere de volgende aspecten als wegingsfactor meegenomen:
- Goed geschreven vanuit rol advocaat. Dus betogend, niet voorhouden wat wel goed is gegaan en geen oeverloze uitwerking van leerstukken.
- Geen onnodige ballast, dus geen uitweidingen die niet relevant zijn voor het betoog. In het bijzonder geen onnodig gebruik van vooraf uit het hoofd geleerde frasen: trefzeker formuleren aan de hand van de feiten van deze casus.
- Duidelijk geschreven zonder storende taal- en schrijffouten.
- Geen inhoudelijke onjuistheden of onzuiverheden (voorbeeld onzuiverheid: de drie factoren die worden genoemd in lid 2 van artikel 359a zijn geen ‘voorwaarden’, maar eerder criteria of wegingsfactoren)
- Goed gestructureerd en in verhaalvorm, waarbij in het bijzonder gelet is op eenlogische opbouw (dus primair niet-ontvankelijkheid en subsidiair strafvermindering).
- Benoemen van de juiste artikelen en leden.
- Een onjuist begrip van het beslissingsmodel van 348-350 heeft eveneens geleid tot aanmerkelijke aftrek voor de vorm.
Vraag 3 Inhoud (18 punten)
De verdediging heeft twee verweren gevoerd. In de eerste plaats stelt zij dat aan de niet gegeven cautie een consequentie moet worden verbonden. In de tweede plaats stelt zij dat er onvoldoende wettig bewijs is.
Met betrekking tot het eerste verweer overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 29 lid 2 Sv stelt dat de verdachte voorafgaand aan het verhoor wordt medegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht is. Uit het procesdossier blijkt dat deze mededeling niet aan de verdachte is gedaan, hetgeen een vormverzuim behelst als bedoeld in artikel 359a Sv waarbij aan de drempels zoals geformuleerd in het Afvoerpijp-arrest is voldaan. Gelet op de beoordelingscriteria van artikel 359a Sv is bewijsuitsluiting de geëigende sanctie, nu het een belangrijk strafvorderlijk voorschrift betreft dat niet is nageleefd (art. 29 lid 2 Sv) en de verdachte nadien een belastende verklaring heeft afgelegd. Het niet geven van de cautie raakt aan het recht op een eerlijk proces en valt daarmee in de eerste van de drie categorieën zoals onderscheiden in het arrest Onbevoegde hulpofficier. De ruimte om af te zien van bewijsuitsluiting is zeer beperkt. De rechtbank ziet daar ook geen aanleiding toe en zal de verklaring van de verdachte derhalve uitsluiten van het bewijs.
Het tweede verweer ziet op de bewijsminimumregel zoals vervat in artikel 342 lid 2 Sv. Hieruit volgt dat het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. In het arrest ‘Steunbewijs en bewijsminimum’ is daaraan nadere invulling gegeven. Hier heeft de Hoge Raad bepaald dat de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden niet op zichzelf mogen staan en voldoende steun moeten vinden in ander bewijsmateriaal. De Hoge Raad laat zich evenwel niet in algemene zin uit over de vraag wanneer aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan. Aan overige jurisprudentie kan niettemin een aantal handvatten worden ontleend: het overige bewijs mag niet uit dezelfde bron afkomstig zijn en eigen waarnemingen mogen niet enkel zien op emotie of gedragsverandering. In deze zaak zijn de verklaringen van Kasper en Caro van horen zeggen. Dat geldt ook voor de verklaring van Michelle, met dien verstande dat zij ook heeft verklaard dat zij hem bij thuiskomst zag huilen en trillen. Dit betreft naar het oordeel van de rechterbank echter een waarneming die primair ziet op emotie en om die reden geen zelfstandige steun kan opleveren voor de verklaring van Guido. Aangezien de verklaring van de verdachte is uitgesloten van het bewijs, blijft alleen de verklaring van Guido over. De rechtbank is derhalve van oordeel dat niet is voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv en zal verdachte van het hem tenlastegelegde feit vrijspreken.
Vraag 3 Vorm (7 punten)
Bij de beoordeling van de vorm zijn onder andere de volgende aspecten als wegingsfactor meegenomen:
- Goed geschreven vanuit rol rechter.
- Niet voorhouden wat wel goed is gegaan en geen oeverloze uitwerking van leerstukken.
- Geen onnodige ballast, dus geen uitweidingen die niet relevant zijn voor het betoog. In het bijzonder geen onnodig gebruik van vooraf uit het hoofd geleerde frasen: trefzeker formuleren aan de hand van de feiten van deze casus.
- Duidelijk geschreven zonder storende taal- en schrijffouten.
- Geen inhoudelijke onjuistheden of onzuiverheden (voorbeeld onzuiverheid: de drie factoren die worden genoemd in lid 2 van artikel 359a zijn geen ‘voorwaarden’, maar eerder criteria of wegingsfactoren)
- Goed gestructureerd en in verhaalvorm, waarbij in het bijzonder gelet is op een logische opbouw (dus eerst bewijsuitsluiting behandelen en dan het bewijsminimum).
- Benoemen van de juiste artikelen en leden.
- Een onjuist begrip van het beslissingsmodel van 348-350 heeft eveneens geleid tot aanmerkelijke aftrek voor de vorm.
Vraag 4 (20 punten)
De grondslagleer houdt in dat de zittingsrechter zijn beslissing moet nemen op grondslag van de tenlastelegging. De achtergrond van de grondslagleer is gelegen in de verhouding tussen de officier van justitie en de zittingsrechter. De officier van justitie is dominus litis en bepaalt de inzet en omvang van het geding. Op het moment dat de rechter veel ruimte heeft om van de tenlastelegging af te wijken, wordt daarmee afbreuk gedaan aan het opportuniteitsbeginsel. De verdachte heeft er bovendien belang bij dat hem op voorhand duidelijk is waarvoor hij terecht moet staan opdat hij zijn verdediging adequaat kan voorbereiden.
Het probleem is echter dat niet zozeer de strekking van de tenlastelegging leidend is, maar de letterlijke bewoordingen. Dat heeft in de praktijk geleid tot ingewikkelde tenlasteleggingen met allerlei alternatieven die moeten voorkomen dat de rechter vrijspreekt omdat de bewoordingen van de tenlastelegging op (ondergeschikte) onderdelen niet geheel overeenkomen met de werkelijkheid.
Nu bestaan er enkele correctiemechanismen in wet en praktijk. Zo heeft de rechter onder omstandigheden de mogelijkheid om de tenlastelegging verbeterd te lezen of passages uit te strepen. De officier van justitie heeft bovendien de mogelijkheid om de tenlastelegging aan te vullen of te wijzigen (op grond van art. 312 respectievelijk art. 313 Sv), mits sprake blijft van hetzelfde feit. De fout in de tenlastelegging moet dan wel worden opgemerkt door de officier van justitie. Is dat niet het geval, dan kan dat alsnog leiden tot vrijspraak. In de praktijk verschillen voorts de opvattingen over de ruimte die de zittingsrechter heeft om onjuistheden in de tenlastelegging op het onderzoek ter terechtzitting aan de orde te stellen.
Er gaan in de literatuur dan ook stemmen op om de grondslagleer te versoepelen, waarbij meer ruimte is voor de zittingsrechter om van de letterlijke tekst af te wijken zolang aan de strekking van de tenlastelegging (en daarmee de oorspronkelijke bedoelingen van de officier van justitie) geen afbreuk wordt gedaan. Daarmee blijft het vervolgingsmonopolie intact, maar worden vrijspraken op grond van een onjuiste redactie van de tenlastelegging teruggedrongen. Voorts biedt dat de mogelijkheid om tenlasteleggingen te vereenvoudigen, wat de leesbaarheid – en daarmee mogelijk ook de positie van de verdachte – ten goede komt.
Vraag 5 (15 punten)
Hoewel de feitenrechter in beginsel vrij is in de selectie en waardering van het bewijs, wordt hij hierin beperkt door de rechtspraak van het EHRM. Uit de EHRM-rechtspraak vloeit namelijk voort dat sommige typen bewijs niet voor het bewijs gebruikt mogen worden, omdat gebruik ervan een schending van artikel 6 EVRM zou opleveren.
Voorbeelden hiervan zijn:
- De EHRM-rechtspraak betreffende de vraag wanneer het gebruik van verklaringen voor het bewijs ten aanzien waarvan de verdachte het ondervragingsrecht – als bedoeld in artikel 6 lid 3 onder d EVRM – niet heeft kunnen uitoefenen, tot een schending van artikel 6 EVRM zal leiden. Aan de hand van de drie vragen die het EHRM in het Al Khawaja en Tahery-arrest (EHRM 15 december 2011, NJ 2012/283 m.nt. Schalken) formuleert (1. Was er een goede reden voor het ontbreken van de gelegenheid tot ondervraging?; 2. Is de verklaring beslissend voor de veroordeling?; en 3. Zijn er compenserende factoren?), kan worden vastgesteld of schending van het ondervragingsrecht er toe noopt de betwiste verklaring terzijde te schuiven.
- De EHRM-rechtspraak betreffende de vraag wanneer het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs tot een artikel 6 EVRM-schending zal leiden, waarbij gedacht kan worden aan bewijs verkregen door middel van een schending van het recht op rechtsbijstand als bedoeld in artikel 6 lid 3 onder c EVRM. Uit EHRM-rechtspraak kan worden afgeleid dat schending van het recht op consultatiebijstand uitsluiting van de daardoor verkregen verklaring van de verdachte tot gevolg dient te hebben (dit om een schending van artikel 6 EVRM te voorkomen). Dit wordt bevestigd in het Nieuwe Salduz-arrest (HR 22 december 2015, NJ 2016/52, m.nt. Klip), evenals in het arrest ‘Onbevoegde hulpofficier’ (HR 19 februari 2013, NJ 2013/308 m.nt. B.F. Keulen).
Add new contribution