Vraag 1a
Van een onderneming zijn eind 2014 de volgende feiten bekend:
- Er is een overeenkomst van geldlening ter financiering van een bedrijfspand. Op het bedrijfspand is een hypotheek afgegeven. De geldlening bedraagt op dit moment € 230.000. De oorspronkelijke lening bedroeg € 300.000. De aflossing op 30 december 2014 bedroeg € 10.000. De rentekosten (6%) over 2014 worden op 3 januari 2015 betaald.
- De auto van de zaak heeft een boekwaarde van € 25.000 en heeft nog een economische levensduur van twee jaar. Als de auto nu zou worden verkocht is de geschatte opbrengst € 5.000.
Welke posten komen voor op de balans ultimo 2014 - en voor welke waardering - op basis van deze feiten?
Vraag 1b
Welke accounting principles zijn te herkennen in de wijze waarop deze posten in de jaarrekening worden verwerkt? Licht uw antwoord toe.
Vraag 2a
Het eigen vermogen is veelal niet hetzelfde als de beurswaarde en de liquidatiewaarde.
Waarom wijkt de beurswaarde van een onderneming vaak af van het eigen vermogen van de onderneming? Geef hierbij aan of er verschillende waarderingsgrondslagen of accounting principles worden gehanteerd en zo ja, welke.
Vraag 2b
Waarom wijkt de liquidatiewaarde van een onderneming vaak af van het eigen vermogen van de onderneming? Geef hierbij aan of er verschillende waarderingsgrondslagen of accounting principles worden gehanteerd en zo ja, welke.
Vraag 3a
Een onderneming heeft de volgende balans opgesteld:
Balans NV
Activa | 17.000.000 | Aandelenkapitaal Winstreserve Schulden | 10.000.000 -/-3.000.000 10.000.000 |
17.000.000 | 17.000.000 |
Wat is de meest waarschijnlijke reden dat deze onderneming insolvent is? Betrek in uw antwoord alleen feiten die zijn terug te voeren op bovenstaande balans.
Vraag 3b
Bereken de solvabiliteit van deze onderneming.
Vraag 3c
Noem twee redenen waarom een goede solvabiliteit in het algemeen voor schuldeisers van belang is.
Vraag 1a
A:
Hypothecaire lening credit balans € 230.000
Te betalen rente credit balans € 14.400 (6% * 240.000)
B:
Auto debet balans: € 25.000
Vraag 1b
A:
Hypothecaire lening: geen
Te betalen rente, het matching beginsel. De rentekosten moeten worden toegerekend aan 2014 en worden daarvoor gepassiveerd.
B:
Auto: continuïteitsbeginsel en matching beginsel. De economische levensduur van de auto is nog twee jaar, de kosten daarvan moeten worden toegerekend aan deze twee jaar. De geschatte opbrengst is (in het algemeen) niet relevant.
Vraag 2a
Niet alle middelen van de onderneming komen voor op de balans. Dit geldt vooral voor bronnen in de immateriële sfeer. Daarnaast worden bezittingen veelal gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs en niet tegen actuele waarde.
De netto vermogenswaarde komt voort uit feiten in het verleden. De beurswaarde wordt bepaald door verwachtingen over de toekomst.
Verschillende waarderingsgrondslagen: historische kostprijs versus actuele waarde (bedrijfswaarde dan wel marktwaarde)
Vraag 2b
De netto vermogenswaarde is gebaseerd op het continuïteitsbeginsel, de liquidatiewaarde niet. De “continuïteitswaarde” wordt bepaald op basis van de historische kostprijs dan wel de bedrijfswaarde of vervangingswaarde. De liquidatiewaarde wordt bepaald op basis van de bedrijfswaarde.
Vraag 3a
De schulden betreft korte termijn schulden, de activa betreft vaste (langlopende) activa. Er zijn in dat geval onvoldoende liquide middelen om te schulden te betalen.
Vraag 3b
Solvabiliteit = Eigen vermogen/Totaal vermogen = 7.000.000/17.000.000 = 41,2%.
Vraag 3c
- Een goede solvabiliteit betekent dat een onderneming haar bezittingen met relatief veel eigen vermogen heeft gefinancierd. Hierdoor zijn de toekomstige rente- en aflossingsverplichtingen relatief laag. De kans dat een onderneming haar schulden niet betaalt is hierdoor lager.
- Indien de onderneming met relatief veel eigen vermogen is gefinancierd is ook de dekkingswaarde per euro schuld hoger. Dit geeft de schuldeiser meer zekerheid op een terugbetaling als de onderneming failliet is.