Le Fevere de Ten Hove
Oplossingsgericht perspectief
Inleiding
Oplossingsgericht werken is verankerd in vragen als: ‘Welke visie op de mens en zijn werkelijkheid is nuttig in therapie? Welke therapeutische interventies helpen de patiënt en zijn systeem om hun doelen te bereiken? Welke houding van de therapeut helpt hierbij?’
- Esthetisch systeemdenken
- Baetson: je moet begrippen niet te absoluut toepassen. Hypothesen niet beoordelen met ‘wel/niet waar’, maar met ‘helpend/niet helpend’.
- Linguïstisch decoderen en hypnotisch taalgebruik
- Korzybski: semantische reactie: deze reactie bepaalt welke betekenis men geeft aan de realiteit en welke emoties dit oproept.
- Erickson: de oorsprong en mogelijke oorzaak van problemen zijn niet interessant. Een therapeut moet alles gebruiken wat de cliënt aanbrengt, ook als het zich aandient als onkruid. Aansluiten bij de betekeniswereld en krachten van een cliënt zijn belangrijke pijlers.
- Pragmatisch oplossingsgericht werken
- Shazer en Berg: oplossingsgericht therapiemodel: de klasse van de problemen behoort niet tot de klasse der oplossingen. De cliënt bepaalt zijn doel en de weg om dit te bereiken.
Het Brugse model
Het Brugse model gaat uit van bovenstaande drie invalshoeken. Daarbij kent het de volgende regels:
- Het mandaat dat door de cliënt wordt gegeven, wordt boven alles gerespecteerd;
- Mandaat: delegatie van macht waarover bij elke vraag om hulp wordt onderhandeld. Want: het opdringen van een therapeutisch doel heeft een anti-therapeutisch effect.
- De cliënt heeft zelfhelende capaciteiten;
- Zintuiglijke prikkels opvangen, decoderen, denken, beleven, problemen oplossen. Therapeut helpt mensen die capaciteiten te ontdekken.
- Oplossingen hebben vaak niets te maken met het probleem;
- De analyse van problemen geeft informatie over de problemen, maar geeft zelden informatie over de oplossingen. Analyse kan zelfs problemen versterken. Op oplossingen focussen versterkt de oplossingen.
- Het kunnen maken van keuzes bevordert psychisch welzijn;
- Het induceren van keuzemogelijkheden geeft cliënten weer greep op hun leven. Zo wordt een context gecreëerd waarin cliënten alternatieven ontdekken en weer zelf kunnen kiezen.
- Positie van de therapeut;
- Rol van een bescheiden gids: samen met cliënt op zoek naar oplossingsstrategie. Therapeut vertrekt vanuit positie van ‘niet weten’.
Een interventieschema
Aard van de therapeutische relatie achterhalen met de volgende vragen:
- Is een oplossing denkbaar?
- Ja: probleem; nee: beperking.
- Is er een hulpvraag?
- Nee > deze gezinnen geven nauwelijks mandaat voor therapeutische gesprekken.
- Is er een werkbare hulpvraag?
- Een werkbare hulpvraag wordt gemaakt door samen met het gezin een realistisch doel te vinden.
- Zijn passende steunbronnen voorhanden?
- Consulterende relatie: ze zijn bereid om nuttige technieken te ‘kopen’, die hen in staat stellen hun hulpbronnen ten volle te gebruiken voor het oplossen van hun problemen. Hier gaat een therapeut op zoek naar hun potentieel.
Beperkingen zijn feitelijkheden die niet op te lossen zijn. Problemen zijn moeilijkheden waar wel oplossingen denkbaar zijn. Zowel bij beperkingen als bij problemen worden de volgende vragen gesteld.
Enkele hulpmiddelen
Voor het construeren van een werkbare hulpvraag zijn de volgende zaken behulpzaam:
- De mirakelvraag (wondervraag)
Gevraagd wordt het scenario te omschrijven van de dag dat het probleem voldoende zal zijn opgelost. Het omschrijven van het gewenste scenario vergt een vertaling van ‘niet-doelen’ naar de ‘wel-doelen’.
Schaal van 1-10: waar bevind je je? Niveau X is een tussenfase. Praten over niveau X krijgt zo de betekenis stap voor stap vooruit gaan.
Familieleden focussen zich op de dingen die ze goed vinden in hun leven en op hun hulpbronnen. Het stelt de gezinnen gerust dat ze niet alles hoeven te veranderen.
Bij gezinnen die hun potentieel niet kennen, zijn observatieopdrachten vaak behulpzaam. Iedere dag kan andere observaties opleveren en andere oplossingen waardoor het probleem vermindert of stopt. Het navragen van uitzonderingen op het probleemgedrag geeft kostbare informatie over deeloplossingen die al voorhanden zijn.
Het maken van voorspellingen geeft hetzelfde effect als observatieopdrachten. Voorspellingen kunnen gaan over de intensiteit van een symptoom, het aantal keren dat het zich voordoet, de graad van controle.
Het oplossingsgerichte genogram
Dit genogram biedt mogelijkheden om het familiepotentieel in kaart te brengen. Sterke eigenschappen versterken het geloof in eigen kunnen.
Van weerstand tot coöperatie
Gezinnen kunnen weerstand bieden tegen de hulp. Gedrag is altijd interactioneel, dus de therapeut is een actieve deelnemer. Hij kan iets anders doen als het gezin ‘weerstand’ biedt. Hoeveel mandaat geeft het gezin? Zijn opdrachten te moeilijk?
Tot slot
Een van de meest ingrijpende interventies in een oplossingsgerichte therapie is de verschuiving van visie van probleemgeoriënteerd naar oplossingsgeoriënteerd.