
De behandeling van delinquente meisjes - Asscher et al. - Universiteit Utrecht
De behandeling van delinquente meisjes
Asscher
Inleiding
In 2005 is de Erkenningscommissie Gedragsinterventies Justitie ingesteld met als doel te beoordelen of de interventies die in Nederland aangeboden worden aan delinquente jongeren zouden kunnen leiden tot vermindering of het voorkomen van recidive. Het uiteindelijke doel is om alleen nog evidence-based interventies te financieren. De erkende interventies zijn op jongeren gericht, geen onderscheid tussen jongens en meisjes. Is dit nodig?
Wat zou kunnen werken voor meisjes?
Zijn de problemen bij jongens en meisjes hetzelfde in manifestatie, ontwikkeling en risicofactoren?
Er bestaan sekseverschillen in de manifestatie van antisociaal gedrag. Antisociaal gedrag van meisjes verschilt van dat van jongens in type, frequentie en intensiteit.
Veel onderzoek naar de ontwikkeling van delinquentie beschrijven wel de ontwikkeling van jongens en meisjes, maar verschillen worden hierbij niet helder. Onderzoek van Côté concludeerde dat er geen verschil was tussen jongens en meisjes in agressieontwikkeling bij kinderen in de leeftijd van nul tot vijf jaar, maar vanaf midden kindertijd vertoonden meisjes minder directe openlijke agressie, maar wel meer heimelijke fysieke agressie. Nederlands onderzoek van Wong onderscheid verschillende ontwikkelingstrajecten voor meisjes: een ‘adolescence-limited’ traject, een laagfrequent afnemend traject, een hoogfrequent afnemend en een laat startend traject.
Risicofactoren worden omschreven op het niveau van gezin, relaties met leeftijdgenoten en comorbiditeit. Er wordt onderscheid gemaakt tussen risicofactoren die gelijk zijn voor jongens en meisjes, en risicofactoren die seksespecifiek zijn.
Gezin: zowel voor jongens als meisjes belangrijk. Ook factoren die vooral invloed hebben op meisjes: negatieve kwaliteit van relaties met de ouders (vooral met moeder).
Relaties met leeftijdsgenoten: betrokkenheid bij deviante leeftijdgenoten even sterk voor jongens en meisjes. Echter, delinquente meisjes hebben meer kans om afgewezen te worden door “normale” leeftijdgenoten wegens hun agressieve gedrag dan jongens bij wie dit soort gedrag meer geaccepteerd wordt. Ander onderzoek vond juist wel dat voor meisjes de binding met ouders, delinquente vrienden en aantal vrienden met delinquentie samenhing, terwijl bij jongens delinquent gedrag samen bleek te hangen met binding met school, met aantal vrienden van het andere geslacht en met het totale aantal vrienden. Daarnaast hebben meisjes meer kans dan jongens om een relatie te beginnen met een partner die zelf ook deviant gedrag vertoont, en die vaak ook ouder is.
Tenslotte zijn er nog risicofactoren die het ontstaan van antisociaal gedrag kunnen verklaren, die vaker bij meisjes voorkomen dan bij jongens, waardoor er ook vaak sprake is van comorbiditeit in de problematiek. Zo is er bij meisjes is veel vaker dan bij jongens sprake van kindermishandeling, in het bijzonder seksuele mishandeling, dan bij jongens.
In onderzoek van Hipwell & Loeber (2006) werd gewezen op het bestaan van een “gender paradox”: ondanks lagere prevalentie van antisociaal gedrag bij meisjes laten studies met klinische steekproeven zien dat meisjes zwaardere problematiek vertonen. Bij meisjes in residentiële instellingen is vaker dan bij jongens sprake van co-morbiditeit, dat wil zeggen: ze vertonen naast antisociaal gedrag ook symptomen van angst en depressie en suïcidale neigingen. Meisjes in justitiële jeugdinrichtingen hebben bovendien vaker DSM IV gediagnosticeerde mentale stoornissen en psychologische symptomen dan jongens.
What works beginselen
O.b.v. onderzoek naar interventies, is een reeks algemene beginselen ontleend die strafrechtelijk ingrijpen effectiever zouden maken: “What Works” beginselen (uitleg van alle beginselen). Er zijn twee What Works beginselen die qua inhoud/benadering aangepast zouden moeten worden voor interventies voor meisjes. Om het behoeftebeginsel goed toe te passen moet er aandacht komen voor specifieke criminogene behoeften van meisjes. Er is ook een aantal “What Works” principes waarvan niet helder is in hoeverre ze ook ‘werken/gelden’ voor meisjes. Dit is het risicobeginsel: de meeste risico-inschattingsinstrumenten zijn gebaseerd op onderzoek bij jongens, hoewel er aanwijzingen zijn dat deze instrumenten ook voor meisjes goed werken. Het risicobeginsel behoeft inhoudelijke aanpassing, waarbij aandacht moet zijn voor zowel het vaststellen als het behandelen van meisjesspecifieke risicofactoren.
Ook het beginsel van behandelmodaliteit is niet direct toepasbaar op vrouwelijke jeugddelinquenten: gerichtheid op verschillende modaliteiten is geschikt. Echter, is het noodzakelijk (gezien de veelvoorkomende comorbiditeit) vast te stellen of de aanbevolen cognitief gedragstherapeutische aanpak de juiste is voor meisjes in het justitiële systeem. De inhoud van de behandeling zou, afhankelijk van de problematiek van het betreffende meisje, ook gericht moeten zijn op het tegengaan van denkfouten en internaliserende problematiek.
Wat is bekend over sekseverschillen in effectiviteit van interventies?
Bewijs voor effectiviteit van behandelingen voor delinquente meisjes is extreem beperkt. Bij vijf van de zes onderzochte programma’s leken er geen verschillen in effectiviteit. Een ander onderzoek vond zelfs alleen effecten voor meisjes, deze resultaten dienen echter met voorzichtigheid geïnterpreteerd te worden. Het onderzoek naar programma’s specifiek voor meisjes is zeer beperkt. De programma’s die wel onderzocht zijn waren vaak niet RCT, waardoor gevonden effecten niet met zekerheid aan de interventie toegeschreven konden worden. Een ander probleem bij het onderzoek was dat de focus van de programma’s nogal verschilde: waar sommige programma’s zich richtten op de bekende risicofactoren voor delinquent gedrag, richtten andere programma’s zich juist op risicofactoren met minder directe verbanden met delinquent gedrag. Daarnaast worden er veel verschillende uitkomstvariabelen meegenomen, wat de interpretatie van de gevonden resultaten bemoeilijkt.
Concluderend kunnen we stellen dat het antwoord op de vraag of interventies voor delinquent gedrag verschillende effecten sorteren bij meisjes en jongens helaas op dit moment (nog) niet te geven is, omdat gegevens hierover ontbreken. Er zijn wel indirecte aanwijzingen dat in interventies misschien te weinig rekening wordt gehouden met specifieke behoeften van meisjes. Meisjes met gedragsproblemen maken veel minder gebruik van hulpverlening dan jongens, en maken de behandeling minder vaak af dan jongens. Sommige onderzoekers gaan zelfs nog verder en stellen dat interventies voor meisjes schadelijke effecten zouden hebben (vooral residentiële plaatsing).
Wat is er voor meisjes in Nederland?
Er is in Nederland, voor zover ons bekend, nog geen onderzoek dat met behulp van een gedegen (RCT of quasi experimenteel) design de effectiviteit van behandelingen voor minderjarige vrouwelijke delinquenten onderzocht heeft. Wel is van een aantal interventies bekend dat ze sekse specifieke aanpassingen hebben gedaan. Uitgaande van de ‘What Works’ principes en Amerikaans onderzoek vermoeden wij dat algemene interventies - mits rekening gehouden wordt met meisjesspecifieke risicofactoren, vastgesteld met een risicotaxatieinstrument dat rekening houdt met specifieke meisjesproblemen- ook inzetbaar zijn voor meisjes. Wat de effectiviteit van deze interventies is, zal uit onderzoek moeten blijken.
Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>
Justitiële Interventies - Artikelen - Universiteit Utrecht
- De behandeling van delinquente meisjes - Asscher et al. - Universiteit Utrecht
- Making ‘what works’ work - Goense et al. - Universiteit Utrecht
- Aftercare programs for reducing recidivism among juvenile and young adult offenders: A meta-analytic review - James et al. - Universiteit Utrecht
- Jeugdigen en jongvolwassenen met LVB en criminaliteit - Moonen et al. - Universiteit Utrecht
- The outcome of institutional youth care compared to non-institutional youth care for children of primary school age and early adolescence - Strijbosch - Universiteit Utrecht
- Repression in Residential Youth Care: A Scoping Review - Valk et al. - Universiteit Utrecht
- Wat werkt bij migrantenjeugd en hun ouders? - Van Rooijen - Universiteit Utrecht
- Identifying effective components of child maltreatment interventions: A meta-analysis - Van der Put et al. - Universiteit Utrecht
- Het voorspellen van problematische opgroei- of opvoedingssituaties - Van der Put et al. - Universiteit Utrecht
- Zijn jongeren in Jeugdzorgplus anders dan jongeren in de open residentiële jeugdzorg? - Vermaes et al. - Universiteit Utrecht
- Are mainstream programs for juvenile delinquency less effective with minority youth than with majority youth? - Wilson et al. - Universiteit Utrecht

Contributions: posts
Spotlight: topics
Justitiële Interventies - Artikelen - Universiteit Utrecht
Samenvattingen van de artikelen van het vak 'Justitiële Interventies' 2020-2021
JoHo can really use your help! Check out the various student jobs here that match your studies, improve your competencies, strengthen your CV and contribute to a more tolerant world
Add new contribution