
HC25: Complicaties van diabetes mellitus
Algemene informatie
- Welke onderwerpen worden behandeld in het hoorcollege?
- In dit college worden de complicaties van diabetes mellitus type I en II besproken
- Welke onderwerpen worden besproken die niet worden behandeld in de literatuur?
- Alle onderwerpen in dit college worden ook behandeld in de literatuur
- Welke recente ontwikkelingen in het vakgebied worden besproken?
- Er zijn geen recente ontwikkelingen besproken
- Welke opmerkingen worden er tijdens het college gedaan door de docent met betrekking tot het tentamen?
- Er zijn geen opmerkingen over het tentamen gemaakt
- Welke vragen worden behandeld die gesteld kunnen worden op het tentamen?
- Er zijn geen mogelijke vragen behandeld
Lange termijn complicaties
Lange termijn complicaties zijn een belangrijke reden tot angst bij patiënten. In het algemeen treden ze meerdere jaren na het ontstaan van hyperglykemie op. Bij diabetes mellitus type 2 zijn er al regelmatig complicaties bij de diagnose aanwezig. Het verhoogde glucoseniveau is vaak slechts één van de risicofactoren voor het optreden van complicaties.
Complicaties zijn:
- Vaatschade
- Microvasculair
- Macrovasculair
- Verminderde levensverwachting
Vaatschade
- Microvasculaire complicaties
- Retinopathie
- Diabetes is de belangrijkste reden van blindheid in de westerse wereld
- Meer dan 90% van de diabetespatiënten ontwikkelt (een milde vorm van) retinopathie
- Vanaf 5 jaar na de diagnose wordt de controle van het netvlies verloren
- Kleine bloedingen in het netvlies zijn zichtbaar
- Nefropathie
- Op termijn > 30% enige vorm van nierschade
- Diabetes is een belangrijke reden van dialyse in de westerse wereld
- Verminderde nierfunctie is een belangrijke risicofactor van overlijden
- Versterkend verloop: een verstoorde nierfunctie zorgt voor een nog hoger risico op vasculaire complicaties
- Controleerbaar door eiwitten in de urine
- Neuropathie
- Perifere neuropathie
- Aantasting van de lange zenuwvezels → als de lange vezels worden uitgeschakeld, ontstaat gevoelloosheid
- Ulcera aan de voeten
- Vaak in combinatie met vaatafwijkingen → diabetische voet
- Diabetes is de belangrijkste oorzaak voor niet-traumatische amputaties
- Autonome neuropathie
- De autonome vezels zijn aangedaan
- Cardiovasculair: bloedvezels passen zich tijdens verandering van positie niet meer aan → posturale hypotensie
- Gastro-intestinaal:
- Gestoorde maagrelaxatie: bij een normale maaltijd ontstaat een vol gevoel
- Gestoorde motiliteit: afwisselend obstipatie en diarree
- Urogenitaal: blaasdysfunctie
- Impotentie: erectiele dyfunctie
- Ontstaat door een combinatie van microvasculair en schade aan de zenuwen
- Perifere neuropathie
- Retinopathie
- Macrovasculaire complicaties
- Hartinfarct
- Coronairlijden
- Beroerte
- Perifeer vaatlijden
- 8/10 patiënten met diabetes gaat dood aan een cardiovasculaire aandoening
- Met name bij diabetes type 2 is er veel atherosclerose
Risicofactoren:
Risicofactoren voor vasculaire complicaties zijn onder te verdelen in twee categorieën:
- Niet modificeerbaar
- Leeftijd
- Familiegeschiedenis (genetische predispositie)
- Modificeerbaar
- Hyperglykemie (diabetes): hoe beter diabetes behandeld wordt, hoe lager het risico wordt
- Hypertensie
- Dyslipidemie: laag HDL cholesterol en hoog LDL cholesterol
- Roken: de belangrijkste modificeerbare risicofactor
De diagnose voor diabetes wordt gesteld bij een glucosegehalte van 7 mmol/L, omdat hierbij het risico op retinopathie toeneemt. Hoe hoger de glucosewaarden, hoe groter het risico op complicaties. Het risico op complicaties kan verlaagd worden door intensieve insulinetherapie. Diabetes kan ook gediagnosticeerd worden met het HbA1c: een soort geglyceerd hemoglobine dat de hoeveelheid glucose van de afgelopen 3 maanden weergeeft. Een HbA1c van boven de 6,5 geeft de diagnose diabetes mellitus.
Mortaliteit
De verminderde levensverwachting is afhankelijk van de leeftijd waarop de diagnose is gesteld. Iemand van 40 jaar die de diagnose krijgt, leeft gemiddeld 7-8 jaar minder lang.
Diabetes type I:
Mensen met diabetes type I, zelfs als ze goed zijn ingesteld, hebben een verhoogd risico op overlijden:
- Als de HbA1c van de patiënt goed is ingesteld, is het risico op overlijden 2x zo groot
- Als de HbA1c van de patiënt slecht is ingesteld, is het risico op overlijden 8,5x zo groot
- Als er stadium 5 van een chronische nierziekte is, is het risico op overlijden 28x zo groot
- Als er nierschade is, is het risico 10x zo groot
Risicofactoren
Er zijn verschillende risicofactoren voor het ontstaan van complicaties:
- Glucose: bij intensieve glucoseregulatie is het risico op complicaties lager
- Met name effect op vermindering van microvasculaire complicaties (retinopathie, nefropathie, neuropathie)
- Relatief minder effect op macrovasculaire complicaties (hartinfarct, beroertes)
- Indien mogelijk vroege intensieve glucoseregulatie om complicaties te voorkomen (met name bij jonge patiënten zonder co-morbiditeit)
- Bloeddruk: een verhoogde bloeddruk is een voorspeller van vaatschade
- > 80% van de patiënten met diabetes heeft een hoge bloeddruk
- Hoe hoger de bloeddruk, hoe hoger het risico op myocardinfarct en microvasculair lijden
- Met name de systolische bloeddruk moet omlaag → dit is de belangrijkste factor van de systolische of diastolische druk
- Patiënten hebben veel bloeddrukverlagende middelen → er is sprake van polyfarmacie
- De diastolische streefwaarde is makkelijk te halen
- De systolische streefwaarde is moeilijk te halen
- Bloedregulatie is lastig, maar wel belangrijk
- Scherpere streefwaarden zijn nodig van systolische en diastolische bloeddruk
- Lipiden
- Soorten
- Cholesterol
- LDL cholesterol: slecht cholesterol → er zijn streefwaarden voor patiënten met diabetes
- HDL cholesterol: goed cholesterol
- Triglyceriden
- Cholesterol
- LDL cholesterol en diabetes
- Bij type 2 diabetes is er een andere samenstelling van de cholesteroldeeltjes
- LDL cholesterol is bij diabetes niet veel hoger dan normaal, maar zijn de deeltjes kleiner → ze zijn atherogeen en gaan makkelijk de vaatwand in → gaan ophopen
- Hoe hoger het aantal LDL deeltjes, hoe hoger het risico op hart- en vaatziekten
- Een lager LDL-cholesterol door medicatie (statine) reduceert het cardiovasculaire risico (en niet de microvasculaire complicaties)
- Primaire preventie: het risico is lager
- Secundaire preventie: mensen hebben al een vaatprobleem gehad → er is een hoger risico op een volgend event
- Patiënten met type II diabetes worden beschouwd als een secundaire preventiegroep → type II diabetes patiënten krijgen cholesterolverlagende medicatie
- Streefwaarden LDL cholesterol: < 2,5 mmol/L
- Bij type 2 diabetes is er een andere samenstelling van de cholesteroldeeltjes
- Soorten
Onderzoek
Er zijn verschillende studies gedaan naar complicaties bij diabetes. Eén hiervan is STENO-2 studie, een multifactoriële interventie die verschillende factoren aanpakt:
- Stoppen met roken
- Bloeddruk van maximaal 130/80
- HbA1c < 7%
- LDL < 2,6
Mensen die niet op al deze risicofactoren behandeld worden, hebben een groter risico op cardiovasculaire events. Dit heet multifactoriële interventie.
Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>
Hoorcolleges, patiëntdemonstraties en (proef)tentamens bij Sturing en Stofwisseling 2019/2020
- Sturing en Stofwisseling HC1: Inleiding
- Sturing en Stofwisseling HC2: Regeling van de voortplanting
- Sturing en Stofwisseling HC3: Microscopie van de gonaden
- Sturing en Stofwisseling HC4: Sturing en temperatuur
- Sturing en Stofwisseling HC5: Mechanisme van het baringsproces
- Sturing en Stofwisseling HC6: Sturing en seksualiteit
- Sturing en Stofwisseling HC7: Feedbacksystemen en modellen
- Sturing en Stofwisseling HC8: Inleiding maag-darmkanaal
- Sturing en Stofwisseling HC9: Macroscopie van de buik
- Sturing en Stofwisseling HC10: Microscopie van de buik
- Sturing en Stofwisseling HC11: Ontwikkeling maag, darm en lever
- Sturing en Stofwisseling HC12: Ontwikkeling en groei
- Sturing en Stofwisseling HC13: Transport van de voedselbrij door het maag-darmkanaal
- Sturing en Stofwisseling HC14: Lever (galtransport)
- Sturing en Stofwisseling HC15: Farmacologie
- Sturing en Stofwisseling HC16: Secretie, digestie en absorptie
- Sturing en Stofwisseling HC17: Patiënt met diarree
- Sturing en Stofwisseling HC18: Sturing van de maagprocessen
- Sturing en Stofwisseling HC19: Stofwisseling van de cel
- Sturing en Stofwisseling HC20: Cholesterol, the good and the bad
- Sturing en Stofwisseling HC21: Regulatie van de energiehuishouding
- Sturing en Stofwisseling HC22: Metabool syndroom
- Sturing en Stofwisseling HC23: Psychologie van eetstoornissen
- Sturing en Stofwisseling HC24: Type I + II diabetes
- Sturing en Stofwisseling HC25: Complicaties van diabetes mellitus
- Sturing en Stofwisseling HC26: Schildklierhormoon-ontregeling
- Sturing en Stofwisseling HC27: Cortisol regelkring, hyper- en hypocortisolisme
- Sturing en Stofwisseling HC28: Microscopie schildklier, bijnier, hypofyse
- Sturing en Stofwisseling Proeftentamen 1
- Sturing en Stofwisseling Proeftentamen 2

Contributions: posts
Spotlight: topics
Hoorcolleges, patiëntdemonstraties en (proef)tentamens bij Sturing en Stofwisseling 2019/2020
Deze bundel bevat alle hoorcolleges, patiëntdemonstraties en (proef)tentamens van het blok Sturing en Stofwisseling van de opleiding Geneeskunde aan de Universiteit Leiden.
JoHo can really use your help! Check out the various student jobs here that match your studies, improve your competencies, strengthen your CV and contribute to a more tolerant world
Add new contribution