Strafrecht 3 - B3 - Rechten - RUG - Oefententamen 2019 (1)

Vragen

Casus "Jeugdvriendinnen"

Sanne Simons en Paula Peters zijn al vanaf de basisschool vriendinnen. Na de middelbare school zijn ze verschillende wegen ingeslagen. Sanne is gaan studeren en werkt inmiddels als CEO bij een bank. Paula is gelijk na de middelbare school voor zichzelf begonnen en verkoopt handgemaakte sieraden. Het bedrijfje van Paula loopt aardig, maar Paula wil een volgende stap maken. Daarvoor heeft ze een 3D-printer nodig.
Tijdens een filmavond vertelt Paula haar plannen aan Sanne. Ook Sanne is gelijk enthousiast en wil Paula graag helpen. Sanne stelt voor om Paula €10.000 uit te lenen, zodat Paula een industriële 3D-printer kan kopen. Omdat ze beide verwachten dat deze investering zich al snel gaat terugverdienen spreken de vriendinnen af dat Paula na een jaar de €10.000 weer terug zal betalen. Als vergoeding spreken ze af dat Sanne in plaats van rente een sieraad krijgt van Paula. De dag daarna maakt Sanne de €10.000 over naar Paula.

Een jaar verstrijkt en Sanne heeft al een tijd niets meer van Paula gehoord. Omdat ze de €10.000 die ze heeft uitgeleend goed kan gebruiken voor de verbouwing van haar keuken, stuurt ze een e-mail naar Paula waarin ze vraagt het geld weer terug te geven. Daarop reageert Paula niet. Sanne besluit om dan maar persoonlijk bij Paula langs te gaan. Als ze aanbelt bij het huis van Paula in Den Haag, wordt de deur niet opengedaan. Wel roept Paula uit het raam op de eerste etage: ‘Rot op, ik wil niets met je te maken hebben! En dat geld krijg je echt niet terug. Daarvan heb ik drank gekocht en die heb ik helemaal opgezopen’.

Boos gaat Sanne naar de politie om aangifte te doen. Naar aanleiding van de aangifte besluit de officier van justitie om Paula aan te houden op verdenking van verduistering (art. 321 Sr). De officier van justitie geeft vervolgens ook een bevel tot inverzekeringstelling. Daarna beroept Paula zich echter op aanraden van haar raadsman op haar zwijgrecht en zegt niets tijdens de verhoren bij de politie.

De officier van justitie vindt dat Paula nog langer vast moet blijven zitten. De officier van justitie heeft namelijk nog steeds vragen over de mogelijke verduistering en wil doorgaan met het verhoren van Paula. Bovendien stelt de officier van justitie dat Paula wel eens naar Oostenrijk kan vluchten als ze wordt vrijgelaten, omdat haar ex-vriend daar woont, en dat hij geen zin heeft in het gedoe om haar dan weer terug naar Nederland te halen. Daarom doet de officier van justitie een vordering tot bewaring bij de rechter-commissaris.

De raadsman van Paula wil de voorgeleiding waarop de vordering tot bewaring wordt behandeld graag goed voorbereiden. Daarom doet hij aan de officier van justitie het verzoek om kennis te mogen nemen van het proces-verbaal met de aangifte en verklaringen van Sanne. De officier van justitie wijst dit verzoek echter af, omdat hij daarvan de noodzaak niet inziet.

Ook Sanne wil als slachtoffer graag nog eens nalezen wat de politie van haar verklaring heeft gemaakt en vraagt aan de officier van justitie om kennisneming van deze verklaring. De officier van justitie wijst dit verzoek wel toe.

Vraag 1

Hoe moet de rechter-commissaris oordelen over de vordering tot bewaring? Besteed in uw antwoord aandacht aan alle relevante criteria en begin de bespreking van elk onderdeel op een nieuwe regel.

Vraag 2a

Beoordeel het recht van de raadsman op kennisname van het proces-verbaal met de aangifte, en betrek daarbij de weigering van de officier van justitie.

Vraag 2b

Beoordeel het recht van Sanne op kennisname van het proces-verbaal met haar aangifte.

Vervolg Casus "Jeugdvriendinnen"

Enige tijd later wordt Paula Peters gedagvaard om voor de rechtbank te verschijnen. Haar wordt ten laste gelegd: dat zij in of omstreeks de periode van april 2014 tot en met mei 2015 te Den Haag opzettelijk €100.000,00 dat geheel of ten dele toebehoorde aan Sanne Simons en welk geldbedrag verdachte anders dan door misdrijf, te weten uit hoofde van een door Sanne Simons verstrekte lening, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat niet veel bewijsmateriaal beschikbaar is waaruit blijkt dat Paula het geld heeft verduisterd. Naast de aangifte van Sanne is er nog een bankafschrift waaruit blijkt dat er inderdaad €10.000 is overgemaakt door Sanne aan Paula. Ook wordt de moeder van Paula gehoord. Die vertelt dat het een tijd niet zo goed ging met haar dochter. Paula had een vriend uit Oostenrijk, maar die relatie ging uit. Nadat Paula en haar vriend uit elkaar waren gegaan is Paula gestopt met het maken van sieraden en gestart met het drinken van grote hoeveelheden alcohol. Door de raadsman van Paula worden ter terechtzitting drie verweren naar voren gebracht:

I. ‘Ten eerste, het volgende. Het klopt dat mijn cliënt bijna al haar geld bewust heeft gebruikt voor het kopen van drank. Dat heeft zij mij verteld. Maar dat brengt nog niet mee dat sprake is van ‘toe-eigening’. Giraal geld is een soortzaak, wat betekent dat het geld van Sanne onmiddellijk tot het vermogen van mijn cliënt is gaan behoren. En wat al van je is, kan je je niet toe-eigenen in de zin van art. 321 Sr.’

II. ‘Ten tweede – mocht de rechtbank wel tot een bewezenverklaring komen – doe ik een beroep op psychische overmacht. Door het uit elkaar gaan van mijn cliënt en haar vriend is zij blootgesteld aan een grote druk waaraan zij redelijkerwijs geen weerstand kon bieden. Vanwege het heftige liefdesverdriet kon en mocht niet van haar worden verwacht dat zij anders zou handelen.’

III. ‘Ten derde – mocht de rechtbank tot een veroordeling komen – vraag ik om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van mijn cliënt. Inmiddels is het liefdesverdriet enigszins verwerkt en is ze weer begonnen met het maken van sieraden. Op die manier gaat ze proberen om haar schulden af te betalen. Een gevangenisstraf zou de schulden weer groter maken, waardoor mijn cliënt verder in de problemen komt. Daarom verzoek ik om alleen een taakstraf op te leggen en geen gevangenisstraf.’ De rechtbank komt uiteindelijk tot de volgende bewezenverklaring: dat zij in de periode van april 2014 tot en met mei 2015 te Den Haag opzettelijk €10.000,00 dat geheel toebehoorde aan Sanne Simons welk geldbedrag verdachte anders dan door misdrijf, te weten uit hoofde van een door Sanne Simons verstrekte lening, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

De rechtbank veroordeelt voor verduistering en legt een gevangenisstraf op van 4 maanden, waarvan 3 voorwaardelijk. De rechtbank baseert de bewezenverklaring op de volgende bewijsmiddelen:

  1. Het door de politieagent Arnold Bekkers ambtsedig opgemaakt en ondertekend proces- verbaal met daarin - zakelijk weergegeven - de verklaring van Sanne Simons: ‘Op 12 april 2014 heb ik €10.000 uitgeleend aan Paula Peters. We spraken af dat zij dat bedrag een jaar later zou terugbetalen. Toen ik een jaar later per mail weer contact met haar zocht, reageerde ze niet. Daarom ben ik enige weken later bij haar huis in Den Haag langsgegaan. Paula deed de deur niet open, maar schreeuwde uit het raam: “Dat geld krijg je echt niet terug. Daarvan heb ik drank gekocht en dat heb ik helemaal opgezopen”’.
  2. De verklaring van de raadsman van Paula ter zitting, luidende: ‘Het klopt dat mijn cliënt bijna al haar geld bewust heeft gebruikt voor het kopen van drank. Dat heeft zij mij verteld.’
  3. Een bankafschrift met daarop een overschrijving van €10.000 van de rekening van Sanne Simons naar de rekening van Paula Peters.

Vraag 3

Beoordeel – voor zover mogelijk – of elk van de bewijsmiddelen wettig is, of elk van de bewijsmiddelen redengevend is, of is voldaan aan het bewijsminimum en of de bewijsmiddelen toereikend zijn in die zin dat zij gezamenlijk alle onderdelen van de bewezenverklaring dekken. Begin de bespreking van elk onderdeel op een nieuwe regel.

Vraag 4a

Voldoet de aanduiding van tijd en plaats in de tenlastelegging aan de eisen van art. 261 Sv?

Vraag 4b

Is de bewezenverklaring van de rechtbank gebaseerd op de grondslag van de tenlastelegging? Ga in op alle relevante verschillen tussen de tenlastelegging en bewezenverklaring.

Vraag 5

Welk beslissingen en motiveringen moet de rechtbank naar aanleiding van de drie verweren van de raadsman in het vonnis opnemen? Motiveer uw antwoord onder verwijzing naar de relevante wetgeving en jurisprudentie, en begin de bespreking van elk onderdeel op een nieuwe regel.

Casus "Hennepkwekerij"

Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam, zittingsplaats Amsterdam, van 1 februari 2016, in de strafzaak tegen: Ton Vermaas, geboren te Amstelveen op 26 augustus 1981.

(...)

2 Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel klaagt dat het Hof in strijd met een gevoerd verweer een verklaring van de verdachte bij de bewijsvoering van het onder 2 tenlastegelegde heeft betrokken. Het gaat om een verklaring die de verdachte tegenover de politie heeft afgelegd zonder dat hij voorafgaand aan het verhoor in de gelegenheid was gesteld een advocaat te raadplegen, terwijl de verdachte daar wel om had gevraagd.

2.2.1.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
(...)
2: hij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 17 februari 2014 te Zutphen opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de Willebroekstraat 23, 93 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II (art. 11 lid 2 jo. art. 3 onder B Opiumwet)."

2.2.2.
De bewezenverklaring onder 2 steunt onder meer op de volgende bewijsmiddelen:

4. Het door Marieke Elsma en Johan Beek, agenten van politie Amsterdam-Amstelland beiden werkzaam bij drugscluster van Nieuw Sloten, opgemaakt proces- verbaal inhoudende - zakelijk weergegeven - als bevindingen van verbalisanten:
Op 10 maart 2015 werd een hennepkwekerij ontdekt aan de Diepenbeekplantsoen te Amsterdam. Nadat de kwekerij was ontdekt werd de aanwezige bewoner, Thomas Jansen, aangehouden. Hij verklaarde dat de hennepkwekerij in zijn woning van hem was en van Ton Vermaas. Ook de telefoon van Thomas Jansen werd onderzocht. Hierin stond een contact, genaamd "Ton V.". Het telefoonnummer staat in het politiesysteem, gekoppeld aan Ton Vermaas, wonende aan de
Willebroekstraat 23 te Amsterdam.

Officier van justitie, mr. Maas, gaf opdracht om Ton Vermaas buiten heterdaad aan te houden op verdenking van overtreding van de Opiumwet. Met een door de hulpofficier van justitie, J. Bordeaux, verstrekte machtiging ter aanhouding, zijn wij, verbalisanten, op 10 maart 2015, naar de woning Willebroekstraat 23 gegaan. Wij, verbalisanten, roken bij binnenkomst in de woning aan de Willebroekstraat 23 een sterke henneplucht. In de woning werd Ton Vermaas aangehouden ter zake een overtreding van de Opiumwet. Hem werd medegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht was. Verdachte moest zijn legitimatie ophalen van de eerste verdieping. Ik, verbalisant Johan Beek, ging met verdachte Ton Vermaas mee. Op dat moment zag ik, verbalisant Marieke Elsma, een zandspoor lopen vanaf de tuindeur naar een deur in de bijkeuken. Ik, verbalisant Marieke Elsma, kon dat zien vanuit de keuken waar ik op dat moment stond. Eveneens zag ik, Marieke Elsma, groene blaadjes liggen op de grond in de bijkeuken. Mede gezien de hennepgeur in de woning had ik, verbalisant Marieke Elsma, sterk het vermoeden dat in de bijkeuken/aanbouw een hennepkwekerij aanwezig zou zijn.

Nadat verdachte Ton Vermaas weer beneden was, deelde ik hem wederom mede dat hij niet tot antwoorden verplicht was. Ik, Marieke Elsma, vroeg aan Ton Vermaas of hij ook een hennepkwekerij in zijn woning had. Ton Vermaas antwoordde door te zeggen dat hij wel een kwekerij had gehad in de bijkeuken. Hierbij toonde hij ons een aparte ruimte in de bijkeuken. In deze ruimte was een ingerichte hennepkwekerij aanwezig. De hennepplanten waren reeds geoogst.

De kweekruimte bevond zich in een aanbouw. Deze grenst aan de bijkeuken. Een deur in de bijkeuken gaf toegang tot de kweekruimte. In de kweekruimte was een grote vierkante bak gecreëerd. Hierin lag zwart landbouwplastic op de grond. De wanden en een gedeelte van het plafond waren afgeplakt met zwart/wit plastic. De hennepplanten hadden in bloempotten gestaan. In totaal werden 93 bloempotten aangetroffen. Op de grond lagen meerdere restanten van hennepplanten. In een hoek lagen verdroogde hennepbladeren. In vuilniszakken zat potgrond met wortelrestanten. Ik, verbalisant Marieke Elsma, zag dat de restanten hennep betroffen. Eveneens trof ik in de kweekruimte één hennepplant aan. Deze is door mij, verbalisant Johan Beek, getest met een MMC-test. De test sloeg positief uit op hennep.

5. Het door Johan Beek en Marieke Elsma opgemaakt proces-verbaal inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:
(...)
O: We gaan je nu horen over de kwekerij aangetroffen in jouw eigen woning aan de Willebroekstraat 23 te Amsterdam.
V: Had je in iedere pot één plant staan?
A: Ja.
V: Heb je de kwekerij zelf opgebouwd?
A: Ja.
V: Wanneer heb je je stekken in de schuur gezet?
A: Ik weet het niet precies meer, anderhalve week geleden was ik klaar.

6. Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 16 januari 2015 van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland zittingsplaats Amsterdam, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte: “De verwijten kloppen. Mijn kwekerij was al ontmanteld. De bloempotten stonden er nog wel. Ik heb met Thomas Jansen een kwekerij opgebouwd aan het Diepenbeekplantsoen.”

(...)

Vraag 6

In het middel – onder 2.1 – wordt geklaagd over het gebruik door het Gerechtshof Amsterdam van de verklaring van de verdachte zoals weergegeven onder bewijsmiddel 5. Het middel is gebaseerd op de aanname dat de verdachte Ton Vermaas in deze casus het recht had om een advocaat te raadplegen. Is die aanname juist? Motiveer uw antwoord. Besteed in uw antwoord geen aandacht aan mededelingsplichten.

Vraag 7a

In het middel – onder 2.1 – wordt gesteld dat het hof heeft gehandeld in strijd met een verweer. Stel – ongeacht uw antwoord op de vorige vraag en anders dan in de bovenstaande uitspraak – dat het hof naar aanleiding van het verweer van de verdediging wél had geconcludeerd dat Ton Vermaas voorafgaand aan zijn verklaring inderdaad met zijn advocaat had moeten kunnen overleggen en dat aldus sprake was van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek naar het ten laste gelegde feit. Had het gerechtshof aan een dergelijk vormverzuim een consequentie moeten verbinden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke consequentie en waarom?

Vraag 7b

Geef aan welke eisen het hof onder de gegeven omstandigheden had mogen stellen aan een verweer van de verdediging over het verbinden van consequenties aan het genoemde vormverzuim, alvorens het hof verplicht zou zijn op dat verweer te responderen in zijn arrest.

Vervolg Casus "Hennepkwekerij"

Voordat de zaak bij het hof en de Hoge Raad is beland, is er al het nodige gebeurd. In eerste aanleg wordt de zaak behandeld door de Rechtbank Noord-Holland. Wanneer de rechters binnenlopen in de rechtszaal herkent de raadsvrouw van Ton Vermaas tot haar verbazing één van de rechters. Die rechter had als rechter-commissaris in het vooronderzoek opdracht gegeven tot de inbewaringstelling van Ton. Volgens de raadsvrouw kan deze rechter niet langer onbevooroordeeld kijken naar de zaak van Ton. Zodra de voorzitter de terechtzitting heeft geopend staat de raadsvrouw daarom op en wraakt de rechter die eerder als rechter-commissaris is opgetreden.

Vraag 8a

De wrakingskamer buigt zich over het wrakingsverzoek van de raadsvrouw. Hoe moet de wrakingskamer het wrakingsverzoek beoordelen wanneer alleen rekening wordt gehouden met de jurisprudentie van het EHRM? Besteed in uw antwoord aandacht aan zowel het toetsingskader en de daarmee samenhangende jurisprudentie van het EHRM, als aan de interpretatie van de Hoge Raad van deze jurisprudentie.

Vraag 8b

Hoe moet de wrakingskamer het wrakingsverzoek beoordelen naar Nederlands recht?

Antwoordindicatie

Vraag 1

De rechter-commissaris moet de vordering tot bewaring afwijzen. Er is geen grond voor voorlopige hechtenis.

De rechter-commissaris moet de volgende criteria bij langs gaan:

  1. Is er een geval van voorlopige hechtenis?
    • Ja, art. 321 Sr staat genoemd in art. 67 lid 1 onder b Sv. 
  2. Zijn er ernstige bezwaren?
    • Ja, op basis van de aangifte van Eva is het wel voldoende waarschijnlijk dat Marloes de strafbare feiten heeft gepleegd.
  3. Is er een grond voor voorlopige hechtenis?
    • Nee, door de officier van justitie worden twee redenen genoemd. Maar beide redenen leveren geen grond op.
    • Het horen van de verdachte is geen grond. Het valt niet onder art. 67a lid 2 sub 5 Sv, want die grond ziet alleen op het collusiegevaar.
    • Het vluchtgevaar is wel een grond (zie art. 67a lid 1 onder a Sv). Maar de officier van justitie moet wel een concrete onderbouwing geven van dit vluchtgevaar. ‘Stereotyped and abstract’ argumenten zijn onvoldoende (Buzadji t. Moldavie). In deze casus geeft de officier van justitie slechts een algemene onderbouwing van het vluchtgevaar door te wijzen op het feit dat de ex-vriend in Oostenrijk woont. Dat is onvoldoende concreet. Dus ook die grond kan niet worden toegepast.
  4. Anticipatietoets.
    • Het is niet onredelijk om te veronderstellen dat de rechter een gevangenisstraf van 2 weken of meer oplegt voor verduistering. (Maar een antwoord in tegengestelde richting is ook goed)

Vraag 2a

De raadsman heeft het recht om kennis te nemen van het proces-verbaal van aangifte en de officier van justitie heeft dit verzoek om onjuiste redenen afgewezen.
Volgens art. 30 lid 1 Sv heeft de verdachte recht om kennis te nemen van processtukken in ieder geval na het eerste verhoor van de verdachte. Het proces-verbaal van aangifte is zeker een processtuk, omdat het redelijkerwijs van belang kan zijn voor een door de rechter te nemen beslissing (art. 149a lid 2 Sv). Op grond van art. 48 Sv zijn de artikelen 30 tot en met 34 Sv van overeenkomstige toepassing op een raadsman. De officier van justitie mag het verzoek om inzage van processtukken afwijzen als dit niet in het belang van het onderzoek is (art. 30 lid 3 Sv), daar is alleen sprake van als de waarheidsvinding gevaar zou lopen. Door het verzoek af te wijzen omdat de officier van justitie de noodzaak niet zag van de inzage is de onjuiste maatstaf gehanteerd.

Vraag 2b

Het slachtoffer kan op grond van art. 51b lid 1 Sv aan de officier van justitie vragen om kennis te nemen van processtukken die voor het slachtoffer van belang zijn. Het proces- verbaal met de aangifte is een processtuk en het kan voor het slachtoffer van belang zijn om nog eens na te lezen wat zij heeft gezegd.
NB. Een antwoord gebaseerd op het recht van de aangever om een kopie te ontvangen van (het proces-verbaal van) de aangifte is ook goed gerekend.

Vraag 3

Wettig
1. Ja, proces-verbaal, art. 344 lid 1 onder 2 Sv
2. Nee, verklaringen van de raadsman mogen niet worden gebruikt, ook niet via de
waarneming van de rechter (zie KK, p. 488 en hoorcollege 4a/4b, sheet 6).
3. Ja, overig schriftelijk bescheid, art. 344 lid 1 onder 5 Sv

Redengevend
1. Ja, uit de verklaring van Eva lijkt verduistering te volgen.
2. Niet wettig, en dus ook niet redengevend
3. Ja, bevestigt dat er geld is overgemaakt.

Bewijsminimum
Op grond van art. 342 lid 2 Sv kan een verdachte niet worden veroordeeld op grond van alleen een getuigenverklaring – ook niet als die in een proces-verbaal staat van een opsporingsambtenaar. De vraag is of er naast de verklaring van Eva voldoende steunbewijs is. Bij de beoordeling of er voldoende steunbewijs is, moet de rechter beoordelen of het tweede bewijsmiddel voldoende steun biedt. Dat wil zeggen: het eerste bewijsmiddel mag niet op zichzelf staan en er is een inhoudelijk verband nodig tussen het eerste en het tweede bewijsmiddel. Het enige steunbewijs is het bankafschrift. Toepassing van deze criteria op dit bewijsmiddel kan twee kanten opvallen.

Toereikend
Ja, alle onderdelen van de bewezenverklaring volgen uit de verklaring van Eva.

Vraag 4a

Ja, de aanduiding van tijd en plaats in de tenlastelegging voldoet aan de eisen van art. 261 Sv. Uit art. 261 Sv volgt dat er een tijd en een plaats in de tenlastelegging moet staan. De aanduiding van de tijd en plaats moet wel voldoende concreet zijn. Wat voldoende concreet is, hangt af van het soort delict dat ten laste is gelegd. Een tenlastelegging van door rood licht rijden moet aanzienlijk preciezer zijn dan een tenlastelegging van verduistering. Bij verduistering kan worden volstaan met een tenlastelegging waarin de periode staat genoemd die is verstreken tussen het onder zich nemen van het goed en de ontdekking van de verduistering. Ook de plaatsaanduiding zal ruim en vaag moeten blijven. In dit geval is de periode van april 2014 tot mei 2015 en Den Haag tenlastegelegd. Dit is niet heel concreet, maar dat is onvermijdelijk bij een delict als verduistering.

Vraag 4b

Ja, de bewezenverklaring van de rechtbank is gebaseerd op de grondslag van de tenlastelegging. Er zijn twee belangrijke verschillen tussen de tenlastelegging en de bewezenverklaring.

  1. Het geldbedrag is verandert van €100.000 naar €10.000. Dit kan worden gezien als kennelijke schrijffout. Uit zowel de verklaring van Sanne als het bankoverschrift blijkt dat de kennelijke strekking van de tenlastelegging het bedrag van €10.000 was. Voor de verdediging was deze wijziging niet onbegrijpelijk. Op basis van de genoemde verklaringen was het duidelijk waarvoor Paula werd vervolgd.
  2. Ook het wegstrepen van ‘of omstreeks’ en ‘of ten dele’ is toegestaan. Dit zijn alternatieven die de rechter zonder problemen mag weglaten.

Vraag 5

Het eerste verweer is een bewijsverweer (1 e materiële vraag). Het verweer van de raadsman betreft de uitleg van een wettelijk bestanddeel dat in de tenlastelegging voorkomt en is dus een zogenoemd Dakdekker-verweer. Dit is mogelijk een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, waarbij de rechter op grond van art. 359 lid 2, tweede zin Sv moet motiveren waarom hij hiervan afwijkt. Bij een Dakdekker-verweer geldt inhoudelijk een lage maatstaf, vergelijkbaar met die in art. 358 lid 3 Sv, te weten dat het verweer naar inhoud en strekking bezwaarlijk anders kan worden verstaan. In dit geval blijkt uit de inhoud en strekking dat het verweer ziet op de uitleg van een wettelijk bestanddeel dat in de tenlastelegging voorkomt, namelijk op de uitleg van ‘toe-eigenen’. De rechter wijkt wezenlijk af van dit standpunt door tot een bewezenverklaring te komen. De rechter moet deze afwijkende beslissing motiveren in zijn vonnis op grond van art. 359 lid 2, 2 e zin Sv.

Het tweede verweer is een beroep op een strafuitsluitingsgrond. Dat ziet op de 3 e materiële vraag. Op grond van art. 358 lid 3 Sv moet de rechter een beslissing opnemen in het vonnis als hij afwijkt van verweer waarin een naar inhoud en strekking herkenbaar beroep op een strafuitsluitingsgrond wordt gedaan. Hieraan worden geen hoge eisen gesteld, hoewel de eisen wel wat hoger zijn als het verweer door een raadsman wordt gevoerd. Het verweer van de raadsman is naar inhoud en strekking herkenbaar als beroep op psychische overmacht (een beroep op een grote van buitenaf komende druk). De rechter wijkt wezenlijk af van dit verweer, want hij stelt wel verwijtbaarheid vast. Daarom moet de rechter op grond van art. 358 lid 3 Sv een beslissing op dit verweer opnemen in het vonnis en deze beslissing op grond van art. 359 lid 2, eerste zin Sv motiveren.

Het derde verweer is een strafmaatverweer (4 e materiële vraag). Een strafmaatverweer is geen art. 358 lid 3 Sv-verweer en daarom hoeft er geen beslissing op een strafmaatverweer in het
vonnis te worden opgenomen. Wel moet de rechter op grond van art. 359 lid 2, tweede zin Sv motiveren waarom hij afwijkt van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Deze motiveringsplicht ontstaat alleen als het standpunt duidelijk is, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie en ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht. Het verweer van de raadsman is duidelijk (sanctiemodaliteit), door argumenten geschraagd (schulden) en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie (taakstraf) ten overstaan van de feitenrechter. De rechter wijkt wezenlijk af van dit standpunt door Marloes tot een maand gevangenisstraf te veroordelen. Daarom moet de rechter op grond van art. 359 lid 2, tweede zin Sv zijn afwijkende beslissing motiveren.

Vraag 6

Ja, de verdachte had het recht om een advocaat te raadplegen.

Uit art. 28b lid 2 i.c.m. 28c lid 1 Sv volgt dat een verdachte voorafgaand aan een verhoor het recht heeft op consulatie van een raadsman. (1 punt) Er is sprake van een verhoor als er vragen worden gesteld aan een door een opsporingsambtenaar als verdachte aangemerkt persoon betreffende diens betrokkenheid bij een geconstateerd strafbaar feit.

Art. 28b lid 2 is van toepassing, want het gaat om een verdachte (dat is al gegeven in de vraag) die is aangehouden voor een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten (art. 67 lid 1 onder c Sv jo. art. 11 lid 2 jo. art. 3 onder B Opiumwet).
In dit geval is er sprake van een verhoor, omdat er aan de verdachte vragen worden gesteld over het telen van hennep.

Vraag 7a

Ja, het gerechtshof had aan het vormverzuim de consequentie van bewijsuitsluiting moeten verbinden.

Uit het arrest Criteria toepassing bewijsuitsluiting volgt dat bewijsuitsluiting noodzakelijk kan zijn ter verzekering van het recht van de verdachte op een eerlijk proces (1 e categorie).

Bij het niet kunnen raadplegen van een raadsman, wordt een inbreuk gemaakt op art. 6 lid 3 sub c EVRM. Dit betekent dat de consequentie van bewijsuitsluiting in de rede ligt. Deze consequentie is onder meer in het arrest Post-Salduz dan ook verbonden aan dit vormverzuim.

Vraag 7b

In beginsel moet een verweer waarin de verdediging een beroep doet op het verbinden van consequenties aan een vormverzuim worden gemotiveerd aan de hand van de criteria van art. 359a lid 2 Sv, zie arrest Loze Hashpijp, r.o. 3.7.
Maar als het gebruik van bewijsmateriaal leidt tot een schending van het recht op een eerlijk proces zijn de eisen aan een verweer lager, en mag de rechter niet een nadere toelichting eisen.

Vraag 8a

Op grond van alleen de jurisprudentie van het EHRM en de interpretatie daarvan door de Hoge Raad, hoeft de wrakingskamer dus geen consequenties te verbinden aan het wrakingsverzoek.

Op grond van de jurisprudentie van het EHRM moet de rechter bij de beoordeling van de onpartijdigheid van de rechter het volgende toetsingskader hanteren:

  • de subjectieve partijdigheid (was de rechter persoonlijk bevooroordeeld?) en
  • de objectieve partijdigheid (had de rechter schijn van partijdigheid)

Uit Hauschildt volgt ook dat het feit dat de rechter beslissingen heeft genomen in de zaak voorafgaand aan de terechtzitting nog niet noodzakelijkerwijs met zich meebrengt dat de rechter partijdig is, tenzij er ‘special circumstances’ zijn.

De Hoge Raad heeft naar aanleiding van onder meer Hauschildt bepaald dat de beoordeling in het kader van de voorlopige hechtenis dat er sprake is van ernstige bezwaren op voldoende afstand staat van de inhoudelijke beoordeling van de zaak en dus niet de schijn van partijdigheid oproept.

Vraag 8b

Naar Nederlands recht is er een dwingende reden om de rechter te wraken.

Op grond van art. 268 lid 2 Sv mag de rechter die als rechter-commissaris enig onderzoek in de zaak heeft verricht op straffe van nietigheid niet deelnemen aan het onderzoek ter terechtzitting. Hieronder valt de rechter-commissaris die heeft beslist op een vordering tot bewaring.

Access: 
Public

Image

This content is also used in .....

Strafrecht 3 - Recht - B3 - RUG - Oefenmaterialen

Strafrecht 3 - B3 - Rechten - RUG - Oefententamen 2019 (1)

Strafrecht 3 - B3 - Rechten - RUG - Oefententamen 2019 (1)

Vragen

Casus "Jeugdvriendinnen"

Sanne Simons en Paula Peters zijn al vanaf de basisschool vriendinnen. Na de middelbare school zijn ze verschillende wegen ingeslagen. Sanne is gaan studeren en werkt inmiddels als CEO bij een bank. Paula is gelijk na de middelbare school voor zichzelf begonnen en verkoopt handgemaakte sieraden. Het bedrijfje van Paula loopt aardig, maar Paula wil een volgende stap maken. Daarvoor heeft ze een 3D-printer nodig.
Tijdens een filmavond vertelt Paula haar plannen aan Sanne. Ook Sanne is gelijk enthousiast en wil Paula graag helpen. Sanne stelt voor om Paula €10.000 uit te lenen, zodat Paula een industriële 3D-printer kan kopen. Omdat ze beide verwachten dat deze investering zich al snel gaat terugverdienen spreken de vriendinnen af dat Paula na een jaar de €10.000 weer terug zal betalen. Als vergoeding spreken ze af dat Sanne in plaats van rente een sieraad krijgt van Paula. De dag daarna maakt Sanne de €10.000 over naar Paula.

Een jaar verstrijkt en Sanne heeft al een tijd niets meer van Paula gehoord. Omdat ze de €10.000 die ze heeft uitgeleend goed kan gebruiken voor de verbouwing van haar keuken, stuurt ze een e-mail naar Paula waarin ze vraagt het geld weer terug te geven. Daarop reageert Paula niet. Sanne besluit om dan maar persoonlijk bij Paula langs te gaan. Als ze aanbelt bij het huis van Paula in Den Haag, wordt de deur niet opengedaan. Wel roept Paula uit het raam op de eerste etage: ‘Rot op, ik wil niets met je te maken hebben! En dat geld krijg je echt niet terug. Daarvan heb ik drank gekocht en die heb ik helemaal opgezopen’.

Boos gaat Sanne naar de politie om aangifte te doen. Naar aanleiding van de aangifte besluit de officier van justitie om Paula aan te houden op verdenking van verduistering (art. 321 Sr). De officier van justitie geeft vervolgens ook een bevel tot inverzekeringstelling. Daarna beroept Paula zich echter op aanraden van haar raadsman op haar zwijgrecht en zegt niets tijdens de verhoren bij de politie.

De officier van justitie vindt dat Paula nog langer vast moet blijven zitten. De officier van justitie heeft namelijk nog steeds vragen over de mogelijke verduistering en wil doorgaan met het verhoren van Paula. Bovendien stelt de officier van justitie dat Paula wel eens naar Oostenrijk kan vluchten als ze wordt vrijgelaten, omdat haar ex-vriend daar woont, en dat hij geen zin heeft in het gedoe om haar dan weer terug naar Nederland te halen. Daarom doet de officier van justitie een vordering tot bewaring bij de rechter-commissaris.

De raadsman van Paula wil de voorgeleiding waarop de vordering tot bewaring wordt behandeld graag goed voorbereiden. Daarom doet hij aan de officier van justitie het verzoek om kennis te mogen nemen van het proces-verbaal met de aangifte en verklaringen van Sanne. De officier van justitie wijst

.....read more
Access: 
Public
Strafrecht 3 - B3 - Rechten - RUG - Oefententamen 2018 (1)

Strafrecht 3 - B3 - Rechten - RUG - Oefententamen 2018 (1)

Vragen

Casus ’Zware Enveloppen’

Op dinsdag 5 juni 2017 controleert de douanier Eva op luchthaven Eindhoven de passagiers die naar Colombia willen vliegen. Eva kan volgens art. 11:3 van de Algemene Douanewet worden aangemerkt als een bijzonder opsporingsambtenaar. Rond 14.00 uur komt Bart de Graaf langs de douanepost. Eva wil weten of Bart nog dingen bij zich heeft die hij moet aangeven bij de douane. Daarom vraagt zij onder meer naar de hoeveelheid geld die Bart bij zich heeft, omdat het op grond van art. 10:1 lid 5 Algemene Douanewet strafbaar is om zonder melding meer dan €10.000 in contanten uit te voeren. Bart antwoordt dat hij slechts een paar euro’s bij zich heeft.

Als onderdeel van de routinecontrole onderzoekt Eva de bagage die Bart heeft meegebracht. In de handbagage vindt zij een dagboek. Als Eva door het dagboek bladert, ziet ze meerdere enveloppen. Bij het openen van een envelop ziet Eva verschillende briefjes van €500,- zitten. Wanneer zij Bart daarop voor de tweede keer vraagt hoeveel geld hij eigenlijk bij zich heet, haalt hij eerst zijn schouders op en zegt daarna: “€45.000”.

Hierop besluit Eva haar teamleider van de douane, Herman, erbij te roepen. Die vindt nader onderzoek wenselijk. Hij zegt tegen Bart dat die zijn vlucht wel kan vergeten en neemt Bart mee voor een diepgaande controle. In het gesprek dat volgt vraagt Herman onder meer waar het geld vandaan komt, wat het doel van de Barts reis is en waarom Bart zijn geld meeneemt in een dagboek. Bart antwoordt dat hij naar Colombia vliegt om mee te doen aan een darttoernooi, dat hij het geld wil gebruiken om dit darttoernooi mee te betalen en dat hij het geld de afgelopen jaren heeft gewonnen bij eerdere darttoernooien. Herman maakt vervolgens een proces-verbaal op waarin hij opschrijft wat Bart aan hem heeft verteld.

Om 17.00 uur komt de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) langs om Bart aan te houden. Zij zijn door de officier van justitie gemachtigd om Bart aan te houden aangezien hij wordt verdacht van witwassen (art. 420bis Sr). Deze verdenking volgt uit het feit dat Bart €45.000 in contanten in bezit heeft. Het bezitten van zoveel contant geld is een algemeen bekende indicatie van witwassen. Bart wordt meegenomen naar het kantoor van de FIOD en voorgeleid voor de hulpofficier van justitie. Die stelt Bart op de hoogte van zijn rechten, waaronder het recht op een advocaat. Bart geeft aan dat hij wel een advocaat wil spreken. Maar als er twee uur nadat de hulpofficier van justitie dit verzoek heeft doorgegeven nog steeds geen advocaat is gekomen, zegt Bart tegen de opsporingsambtenaren van de FIOD dat hij niet langer op een advocaat wil wachten. Daarop wordt Bart verhoord zonder dat hij met een advocaat heeft kunnen spreken. Nadat hij de cautie heeft gekregen vertelt Bart nogmaals alles over de redenen

.....read more
Access: 
Public
Strafrecht 3 - B3 - Rechten - RUG - Oefententamen 2018 (2)

Strafrecht 3 - B3 - Rechten - RUG - Oefententamen 2018 (2)

Vragen

Casus ‘Koningsdag’

Op 30 april 2018, de maandag na Koningsdag, doet D.C. (Dunja) Wijnakker bij de politie aangifte van diefstal: ‘Ik zag afgelopen vrijdagochtend, 27 april 2018, vanuit mijn woning aan de Geeldijk 24 in Ter Aker, mijn buurman, Brutus Boon, om mijn huis heenlopen en vanuit mijn achtertuin mijn niet afgesloten bakfiets meenemen. Ik was te verbaasd om er iets van te zeggen, en heb dat achteraf ook niet gedaan. Brutus is namelijk nogal agressief en we hebben vorige maand flinke ruzie gehad over de tuinschuur. Hoewel de bakfiets niet erg nieuw meer was, kon je er nog prima op fietsen. Ik heb Brutus zeker geen toestemming gegeven om hem mee te nemen.’ De aangifte wordt volgens de voorschriften geverbaliseerd. De politie kent Brutus wel van wat eerdere akkefietjes waarbij hij veel last heeft veroorzaakt voor anderen. Peter de Vries, inspecteur van politie en hulpofficier van justitie, vindt dat er wat moet gebeuren en laat, met een machtiging van de officier van justitie, Brutus op 1 mei 2018, om 8.00 uur ‘s ochtends buiten heterdaad aanhouden en beveelt daarna hem op te houden voor verhoor.

Tijdens zijn verhoor wil Brutus niets zeggen, hoewel hij op zijn rechten en plichten is gewezen en overlegd heeft met zijn raadsman. Peter wil toch meer weten over de vermeende diefstal van de bakfiets, en bovendien een spoedrapportage laten opmaken door de reclassering over Brutus zijn persoonlijke omstandigheden. Hij stelt Brutus op 1 mei 2018 om 13.00 uur in verzekering. Uiteindelijk wordt Brutus door zijn raadsman overgehaald om te gaan verklaren en vertelt hij in diens bijzijn aan de politie: ‘Ik moest die ochtend extra vroeg weg, omdat ik bij de gemeente Utrecht werk en moest helpen met handhaving. Normaal ga ik met de scooter, maar uitgerekend die ochtend had ik een lekke band. Ik zal de dag ervoor wel door glas zijn gereden ofzo. Hoe dan ook, ik raakte in paniek omdat de koninklijke familie naar Utrecht kwam en het een rommeltje zou worden als ik er niet was. Toevallig zag ik in de achtertuin van de buren een bakfiets staan, bovendien niet op slot. Ik ben om het huis heengelopen, heb die bakfiets gepakt en ben daarop naar de stad gefietst. Toen ik de bakfiets wilde wegzetten begreep ik waarom hij niet op slot stond: het slot wilde niet dicht. Er zat niets anders op dan de bakfiets zo te laten staan. Toen ik hem ’s avonds terugzocht was hij weg. Ik ben met de tram teruggegaan. Ik durfde niets tegen de buurvrouw te zeggen omdat zij altijd irritant doet. Daarom zou ik die bakfiets sowieso niet terugbrengen, maar gewoon ergens in de sloot gooien.’ Zijn verklaring wordt correct geverbaliseerd en door Brutus ondertekend.

Op 4 mei 2018 wordt Brutus om 10.00 uur ’s ochtends voorgeleid aan de rechter-commissaris, die oordeelt dat de inverzekeringstelling

.....read more
Access: 
Public
Strafrecht 3 - B3 - Rechten - RUG - Oefententamen 2017 (1)

Strafrecht 3 - B3 - Rechten - RUG - Oefententamen 2017 (1)

Vragen

Lees het volgende fragment:

Uitspraak
16 september 2014, Strafkamer, nr. S 12/05887 SG/LBS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 6 december 2013, nummer 23/000289-11, in de strafzaak tegen:
Harwin Bakker, geboren te Wijnaldum op 15 februari 1981.

1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. O. Maaskamp, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal U.O.C.N Schippers heeft geconcludeerd tot (..).

2 Beoordeling van het tweede middel
2.1.
Het middel behelst de klacht dat het Hof de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde ten onrechte mede heeft doen steunen op de omstandigheid dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van zijn zwijgrecht.

2.2.1.
Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

"hij op 6 april 2009 te Amsterdam een auto Audi A4 TD, kenteken [XZ-MG-84], voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dit voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf."

2.2.2.
Deze bewezenverklaring steunt op onder meer het volgende bewijsmiddel:

"8. Proces-verbaal van verhoor van de verdachte met nummer 2009092786-21 van 6 april 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar Frits Venema (dossierpagina 46 en verder).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verdachte:

Vraag: we hebben je auto - een Audi kenteken [XZ-MG-84] - in beslag genomen. Hoe kom je aan dit waardevolle goed?

Antwoord: Ik wil daar geen antwoord op geven."

(..)

Dit arrest is gewezen door de vice-president B.I.B. van Duinen als voorzitter, en de raadsheren V. Boersma en E.T.G.M.E.I. Geertsma, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 september 2015.

Vraag 1

Heeft het middel kans van slagen?

Stel, anders dan hierboven:

Het gerechtshof heeft dit proces-verbaal niet tot het bewijs gebezigd. Wel is onder de bewijsmiddelen het deel van een proces-verbaal opgenomen waarin de verklaring is weergegeven die Fardau Sonnema, de vroegere vriendin van Harwin Bakker, tegenover de politie heeft afgelegd. Die verklaring luidt als volgt: 'Ja, die Audi. Daar was Harwin maar wat blij mee. Die heeft hij gekocht van geld dat hij had verdiend met de hennepteelt.' Fardau is naar aanleiding van deze verklaring door het Hof opgeroepen om als getuige te worden gehoord. Alleen uit haar verklaring bij de politie kan namelijk worden afgeleid dat Harwin de auto heeft gekocht met geld dat hij in de hennepteelt heeft verdiend. Er zijn wel andere personen die verklaren dat Harwin de betreffende Audi heeft gekocht. Kort nadat Fardau bij de politie heeft verklaard, heeft Fardau het weer bijgelegd met Harwin. Bij het Hof weigert Fardau, die nog niet eerder door

.....read more
Access: 
Public
Strafrecht 3 - B3 - Rechten - RUG - Oefententamen 2017 (2)

Strafrecht 3 - B3 - Rechten - RUG - Oefententamen 2017 (2)

Vragen

Lees het volgende fragment:
Uitspraak
8 november 2015, Strafkamer, nr. S 15/04611, AJ/CB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 16 juli 2014, nummer 22/000636-13, in de strafzaak tegen: Wietse Kruimel, geboren te Urk op 4 mei 1985.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal J.B. Veltman heeft geconcludeerd(..).

2 Beoordeling van het eerste middel
2.1.
Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat de onrechtmatige aanhouding en het daarop volgende onrechtmatige onderzoek in de auto en de onrechtmatige fouillering van de verdachte een vormverzuim opleveren in de zin van art. 359a Sv.

2.2.
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 22 mei 2009 te 's-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 643,9 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep en/of delen daarvan, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2.3.
Het Hof heeft de verdachte van het hem tenlastegelegde vrijgesproken en daartoe het volgende overwogen:

"Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman betoogd dat de staandehouding, de aanhouding en de fouillering van de verdachte en de doorzoeking van de auto onrechtmatig zijn geweest. Volgens de verdediging zou dit dienen te leiden tot uitsluiting van de bewijsmiddelen die ten gevolge van dit onrechtmatig handelen zijn verkregen, wat weer dient te leiden tot vrijspraak.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het dossier blijkt het volgende. Op zaterdag 21 mei 2009 omstreeks 20:44 uur krijgen verbalisanten O. Jakobsen en N. Veldstra een melding van beroving met een vuurwapen in het Willem Dreespark te Den Haag door twee verdachten. Het zou om een blanke man met sportkleding gaan en een negroïde man met een zwarte jas en een muts. Kort daarop kregen zij de melding dat er een witte combo met daarin twee mannen was weggereden bij het Willem Dreespark die mogelijk iets met de beroving te maken hebben. Op dat moment wordt door verbalisant Jakobsen in de binnenspiegel van de surveillancewagen gezien dat er een witte combo met daarin twee mannen achter de surveillancewagen reed, komende uit de richting van het Willem Dreespark. De verbalisanten hebben de witte combo een stopteken gegeven. Aan dit bevel is voldaan. Toen de combo stilstond zijn de verbalisanten uitgestapt en hebben zij de verdachte en de medeverdachte aangehouden ter zake van diefstal met geweld. Vervolgens is de verdachte door collega verbalisanten vervoerd naar het bureau van politie Zuiderpark.

Naar het oordeel van het hof was de staandehouding van de

.....read more
Access: 
Public
Strafrecht 3 - B3 - Rechten - RUG - Oefententamen 2016 (1)

Strafrecht 3 - B3 - Rechten - RUG - Oefententamen 2016 (1)

Vragen

Casus 1

Uitspraak 3 november 2015
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
Op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Hengelo, zittingsplaats Hengelo, van 15 december 2012, in de strafzaak tegen Erik Schoenmaker, geboren te Urk op 10 mei 1956.
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. N.K. Ravolkovic, advocaat te Vriezenveen, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal L.K. Lievendal heeft geconcludeerd (..) .

2 Beoordeling van het eerste middel
2.1.
Het middel klaagt dat het Hof het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging van de verdachte dan wel bewijsuitsluiting op onjuiste gronden, althans ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.

2.2.1.
Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen: "De raadsman heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. De politie heeft bij de aanhouding van de verdachte gehandeld in strijd met artikel 7 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en andere opsporingsambtenaren (hierna: de Ambtsinstructie) door bij die aanhouding gebruik te maken van vuurwapens. Het hof is van oordeel dat het gebruiken van vuurwapens bij de aanhouding van verdachte inderdaad in strijd was met de Ambtsinstructie. Verdachte had immers voordat hij wegvluchtte zijn rijbewijs aan de verbalisanten getoond, waardoor zijn identiteit bij de verbalisanten bekend was. De verbalisanten hebben niet geschoten ter afwending van dreigend gevaar. Zij hebben de verdachte, nadat hij met een personenauto op een verbalisant was ingereden, immers achternageschoten. Het hof is echter van oordeel dat het handelen van de verbalisanten in strijd met de Ambtsinstructie geen vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering oplevert. Het hof komt reeds hierom niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar-ministerie, zoals door de raadsman is bepleit. Evenmin zal dit handelen tot bewijsuitsluiting leiden. Bovendien heeft verdachte zichzelf in de situatie gebracht dat de politie zich genoodzaakt voelde om een vuurwapen te gebruiken, door weg te rennen terwijl hij door een verbalisant onder schot werd gehouden."

Vraag 1a

Het Hof oordeelt dat het handelen in strijd met de Ambtsinstructie geen vormverzuim oplevert in de zin van art. 359a Sv. Is dit oordeel juist? Rechtsvraag: is handelen in strijd met art. 7 Ambtsinstructie een “vormverzuim” i.d.z.v. art. 359a Sv?

Vraag 1b

Stel: het handelen in strijd met de Ambtsinstructie levert wel een vormverzuim in de zin van art. 359a Sv op.

Aan de hand van welk criterium moet in dat geval naar geldend recht worden beoordeeld of het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard? Is aan dit criterium voldaan?

Rechtsvraag: wat is naar geldend recht het criterium aan de hand waarvan moet

.....read more
Access: 
Public
Strafrecht 3 - B3 - Rechten - RUG - Oefententamen 2016 (2)

Strafrecht 3 - B3 - Rechten - RUG - Oefententamen 2016 (2)

Vragen

Uitspraak

Uitspraak 14 februari 2014
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
Op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 17 juli 2007, in de strafzaak tegen: Juan Puntaverde, geboren te Barcelona, Spanje op 28 juni 1978.

1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd (..)

2 Beoordeling van het eerste middel
2.1.
Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte verstek heeft verleend tegen de niet verschenen verdachte aangezien deze ten tijde van de behandeling van zijn zaak ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde was gedetineerd en hij niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn.

2.2.
De verdachte is gedagvaard te verschijnen ter terechtzitting in hoger beroep van 8 juni 2007. Het proces-verbaal van deze terechtzitting houdt het volgende in: ‘De verdachte, hoewel behoorlijk gedagvaard als: Juan Puntaverde, geboren te Barcelona, Spanje, op 28 juni 1978, niet ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens, en zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats, is niet verschenen. Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. F. van der Meij, advocaat te Amsterdam, die desgevraagd verklaart zijn cliënt heden niet te verwachten, al een jaar geen contact meer met hem te hebben en door de verdachte niet uitdrukkelijk te zijn gemachtigd als advocaat de verdachte te verdedigen. De advocaat-generaal legt over een formulier waaruit blijkt dat zowel op de datum van het uitreiken van de dagvaarding als drie dagen voor de zitting en heden door middel van geautomatiseerde informatiesystemen (VIP) is gecontroleerd of verdachte in een Nederlandse penitentiaire inrichting verbleef, hetgeen niet het geval bleek te zijn. Op vordering van de advocaat-generaal verleent de voorzitter namens het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.’

De advocaat heeft in cassatie - door middel van aanhechting aan de schriftuur - overgelegd een aan de verdachte gericht schrijven van Dirk Oldenbroek, Casemanager Latijns-Amerika en de Caraïben (Ministerie van Buitenlandse Zaken, Consulaire Zaken en Migratiebeleid, Consulaire aangelegenheden, Den Haag) van 21 mei 2014, waarin staat: ‘Onder verwijzing naar ons telefoongesprek van vandaag, waarin u mij ten behoeve van een juridische aangelegenheid alhier om een detentieverklaring verzocht, bevestig ik hierbij dat u op 2 juni 2007 in Argentinië gearresteerd en gedetineerd werd en dat u op 15 mei 2011 door de bevoegde Argentijnse autoriteit werd uitgezet en aldus dat land verlaten heeft.’

Vraag 1

Heeft het middel kans van slagen?

Vraag 2a

Welke korting zou de Hoge Raad maximaal kunnen geven, bij toepassing van

.....read more
Access: 
Public
Strafrecht 3 - B3 - Rechten - RUG - Oefententamen 2015 (1)

Strafrecht 3 - B3 - Rechten - RUG - Oefententamen 2015 (1)

Vragen

Uitspraak

(…)

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het eerste middel klaagt over het feit dat het Hof de bewezenverklaring slechts heeft doen steunen op de verklaring van één getuige.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

hij, op 4 januari 2013 te Groningen, Eline Verhagen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door opzettelijk aan voornoemde Eline Verhagen een dreigbrief te sturen met daarin de volgende boodschap: “Als ik jou was, zou ik op mijn hoede zijn. Je moet ogen in je rug hebben. Voor je het weet, sta ik voor je neus om je af te maken.”

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende twee bewijsmiddelen:

1.

Een in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte met nummer PL143C 2013560923-1, gesloten en getekend op 5 januari 2013 door verbalisant, BOA domein generieke opsporing van politie Groningen, inhoudende, voor zover van belang en zakelijk weergeven, als de verklaring van Eline Verhagen afgelegd tegenover verbalisant op 5 januari 2013:

‘Vanwege een zeer schokkende gebeurtenis die heeft plaatsgevonden wil ik aangifte doen van bedreiging door middel van een dreigbrief. Gisteren, 4 januari 2013 omstreeks 19.30 uur, was ik bij mijn oma, woonachtig op de Plutolaan 515 te Groningen, waar ik tijdelijk verblijf wegens financiële problemen. Zij stelde mij op de hoogte van het feit dat er een brief door de brievenbus was gegooid, gericht aan mij. Deze brief was afkomstig van mijn ex-man, Bart de Groot, te herkennen aan zijn typerende handschrift. In de brief stond vermeld dat Bart mij had opgegeven als de ontvoerder van ons dochtertje en dat hij mij en mijn oma binnenkort een bezoekje zou brengen met, ik citeer, “de nodige middelen om mijn dochter voor eens en altijd terug te krijgen. Als ik jou was, zou ik op mijn hoede zijn. Je moet ogen in je rug hebben. Voor je het weet, sta ik voor je neus om je af te maken.”’

2.

Een in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte met nummer PL143C 2013560923-2, gesloten en getekend op 5 januari 2013 door verbalisant, BOA domein generieke opsporing van politie Groningen, inhoudende, voor zover van belang en zakelijk weergeven, als de verklaring van Sasja Verhagen afgelegd tegenover verbalisant op 5 januari 2013:

‘Graag wil ik aangifte doen van bedreiging door Bart de Groot, gepleegd op 4 januari 2013, omstreeks 20.00 uur. Nadat ik, mijn kleindochter en achterkleinkind hadden gedineerd, schoot mij te binnen dat er een brief was binnengekomen voor Eline. Nadat zij de brief had geopend en gelezen, zag ik dat zij schrok en overstuur werd. De tranen liepen haar over de wangen. Vervolgens heb ik zelf de brief doorgelezen en ook ik herkende Bart zijn handschrift. De inhoud was zeer shockerend. Hierna zag ik dat Eline helemaal wit was weggetrokken en in paniek raakte. Ze is zo bang voor Bart, dat

.....read more
Access: 
Public
Strafrecht 3 - B3 - Rechten - RUG - Oefententamen 2015 (2)

Strafrecht 3 - B3 - Rechten - RUG - Oefententamen 2015 (2)

Vragen

Uitspraak

(…)

2 Beoordeling van het middel

2.1.
Het middel klaagt dat het Hof de bewezenverklaring uitsluitend heeft doen steunen op de verklaring van één getuige.

2.2.1.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
hij op 3 juli 2011 te Amsterdam Frida Langeveld heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde Frida Langeveld telefonisch dreigend de woorden toegevoegd: "Je moet uitkijken waar je gaat staan. Ik zal je komen afmaken."

2.2.2.
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

1.
Een proces-verbaal van aangifte van 18 mei 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar F.L. Zusjes. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover verbalisant afgelegde verklaring van Frida Langeveld:
‘Ik wil aangifte doen van bedreiging, gepleegd op de Reguliersdwarsstraat 75a te Amsterdam. Gisteren was ik bij mijn moeder. Dirk van Slangen belde mij op mijn mobiele telefoon. Dirk zei dat hij mij had opgegeven als ontvoerder van ons kindje. Hij zei letterlijk tegen mij: "Je moet uitkijken waar je gaat staan. Ik zal je komen afmaken" Hij hing de telefoon op. Na een aantal minuten belde Dirk mij weer op.’

2.
Een proces-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar F.L. Zusjes. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover verbalisant afgelegde verklaring van Nadia Karia:
‘Ik hoorde dat de mobiele telefoon van mijn dochter Frida Langeveld overging. Ik zag dat Frida de telefoon opnam. Ik zag dat Frida schrok en ging huilen. Na het telefoontje zei Frida dat ze Dirk van Slangen aan de telefoon had. Daarna hoorde ik dat de telefoon van Frida nog een keer overging. Ik zag en hoorde dat Frida de telefoon opnam en op de luidspreker zette. Ik hoorde aan zijn stem dat Dirk belde. Ik zag dat Frida hysterisch werd. Ze kon alleen nog maar huilen. Zo bang is ze voor Dirk.’

Vraag 1

Is art. 342 lid 2 Sv naar Uw oordeel geschonden?

Vervolg casus

Stel:

De raadsman van de verdachte heeft in eerste aanleg, een maand voor de terechtzitting, aan de officier van justitie verzocht om Frida Langeveld op te roepen voor de terechtzitting. Deze heeft daarop contact opgenomen met Frida.
Zij gaf tegen de officier van justitie aan er erg tegenop te zien ter terechtzitting te moeten getuigen. Het zou alle herinneringen aan dat vreselijke telefoongesprek weer boven brengen. Ze was bang dat ze daar nachten niet van zou kunnen slapen.

Vraag 2

Biedt ons Wetboek van Strafvordering de officier van justitie in dit geval de mogelijkheid om oproeping van Frida Langeveld te weigeren?

Vervolg casus

Stel:

De officier van justitie laat oproeping achterwege.

Ter terechtzitting verzoekt de raadsman aan het begin van de terechtzitting wederom om oproeping

.....read more
Access: 
Public
Strafrecht 3 - B3 - Rechten - RUG - Oefententamen 2014 (1)

Strafrecht 3 - B3 - Rechten - RUG - Oefententamen 2014 (1)

Vragen

Casus

De twee opsporingsambtenaren Tonnie en Ronnie zijn op een nachtelijke surveillance in de straten van Amsterdam-West. Na hier en daar wat akkefietjes omtrent overlast te hebben opgelost, ontvangen ze een telefoontje van de meldkamer van de regiopolitie. Het betreft een melding over een vermeende inbraak, een aantal straten verderop van hun huidige locatie. Eenmaal bij de woning aangekomen, ontdekken zij dat het raam van de deur van buitenaf is ingeslagen (te herkennen aan al het glas wat binnen op de deurmat ligt), en zo gemakkelijk de deur te openen is. Naast een enkele bloeddruppel is er verder geen spoor van de inbreker te bekennen. Vervolgens komt de oudere buurvrouw aanwandelen, die verklaart dat zij degene was die de melding heeft gemaakt, en dat de bewoners van het pand, Johan en Mirjam de Vries, tijdelijk op vakantie zijn. Zij is door hen aangewezen om het huis in de gaten te houden en de kat dagelijks eten te geven. De buurvrouw weet Tonnie en Ronnie te vertellen dat de inbreker ‘hun tabletten en dure, nieuwe spelcomputer’ heeft weggenomen. Na verdere uitleg is het duidelijk dat het gaat om twee iPads en een Playstation 4. Daarnaast vertelt de buurvrouw dat zij een man in trainingspak en met grote sporttas heeft zien lopen in de straat. Op basis hiervan besluiten Tonnie en Ronnie de straten te verkennen. In een drukke straat vol cafés en dronken mensen zien ze een man in trainingspak en met grote sporttas iedereen aan de kant beuken, om zich zo snel mogelijk een weg uit de menigte te banen. Snel gaan ze erachteraan, terwijl Tonnie ondertussen de officier van justitie belt. Van hem krijgen ze een bevel om de man buiten heterdaad aan te houden op verdenking van diefstal met verbreking (art. 311 lid 1 sub 5 Sr). Uiteindelijk krijgen ze de man te pakken en houden hem aan. Na een korte ondervraging geeft de man, genaamd Govert van Hek, toestemming om zijn sporttas te onderzoeken. Zoals verwacht is deze gevuld met twee iPads en een Playstation 4, en wordt de sporttas in beslag genomen. Vervolgens wordt Govert meegenomen naar het politiebureau.

Govert wordt de volgende ochtend meteen voorgeleid aan de officier van justitie. Deze probeert een bekentenis uit Govert te krijgen, maar zonder succes. Govert blijft volhouden dat hij niet de dader is en rept geen woord over hoe de spullen dan toch in zijn tas terecht zijn gekomen. Voorafgaand aan dit verhoor heeft hij met zijn raadsman, mr. Riddersma, gesproken. Na het verhoor wordt Govert in verzekering gesteld omdat de officier van justitie van plan is hem verder te (laten) verhoren. Ook wil hij onderzoeken of het raadzaam is dat Govert langer in voorarrest blijft, na zijn inverzekeringstelling.

Vraag 1

Is de aanhouding van Harold rechtmatig?

Vervolg casus

Na 3 lange dagen van inverzekeringstelling wordt Govert dan eindelijk voorgeleid

.....read more
Access: 
Public
Strafrecht 3 - B3 - Rechten - RUG - Oefententamen 2014 (2)

Strafrecht 3 - B3 - Rechten - RUG - Oefententamen 2014 (2)

Vragen

Casus 1

Op een prachtige zomerdag in juli in het pittoreske Groningse plaatsje Oude Pekela besluit Dirk Durksma, actief lid van de Hells Angels, om op zijn Harley Davidson eens flink wat kilometers te maken. Echter, nog voordat hij de snelweg betreedt, komt hij de bejaardenvereniging van het dorp tegen die net begonnen zijn aan hun jaarlijkse fietstocht. De begeleider van de fietstocht ziet en hoort Dirk aanstormen, en sommeert tevergeefs de traag reagerende bejaarden om te stoppen. Vervolgens begint hij wild met zijn armen te zwaaien om Dirk zijn aandacht te trekken, maar het mag niet baten. Doordat Dirk de toegestane snelheid fors overschrijdt en daardoor de begeleider pas op het laatste moment ziet, kan hij de groep niet meer ontwijken en veroorzaakt een ongeval waarbij de begeleider letsel oploopt.

Door het ongeval heeft Dirk veel woede opgewekt bij de bejaardenvereniging en andere inwoners van Oude Pekela. Na een storm van dreigementen is hij ter bescherming, nadat hij was aangehouden en na de inverzekeringstelling, een paar dagen in voorlopige hechtenis gehouden.

Na zijn vrijlating blijft het stil aan de kant van het Openbaar Ministerie (OM), dat Dirk had beloofd om hem zo snel mogelijk op de hoogte te stellen over een eventuele verdere vervolging. Omdat hij binnenkort met de Nederlandse Hells Angels richting Duitsland vertrekt om ditmaal de Autobahn onveilig te maken, besluit Dirk een telefoontje te plegen naar de officier van justitie (OvJ). Die geeft aan dat er nog geen officiële beslissing is genomen omtrent een verdere vervolging, aangezien er nog een grondig opsporingsonderzoek moet worden uitgevoerd.

Vraag 1

Bestaat er een mogelijkheid voor Dirk om ervoor (proberen) te zorgen dat het opsporingsonderzoek wordt beëindigd in geval van nodeloze vertraging, en om ervoor (proberen) te zorgen dat hij een verklaring krijgt dat de zaak is beëindigd?

Vervolg casus

Stel:

Het telefoontje van Dirk heeft zijn nut gehad en ervoor gezorgd dat de OvJ besloten heeft om snel de zaak af te sluiten. Hij besluit om, in plaats van een verder opsporingsonderzoek uit te voeren, direct een strafbeschikking uit te vaardigen. Dit terwijl er alle reden bestond voor een grondig opsporingsonderzoek; de verdenking was zeer mager, met enerzijds de strikte ontkenning van Dirk dat hij ook maar iets fout had gedaan, en anderzijds de aangifte van het slachtoffer.

De OvJ neemt op grond van het bewijsmateriaal het besluit om Dirk te vervolgen op grond van art. 5 WVW en legt hem een geldboete op van €250,-.

Vraag 2

In welke opzichten was er in casu niet voldaan aan de voorwaarden om Bart in voorlopige hechtenis te kunnen nemen?

Vervolg casus

Terwijl Dirk met zijn geliefde Harley Davidson over de Autobahn scheurt, valt bij hem thuis het afschrift van de strafbeschikking op de mat. Deze is ongeveer 2 maanden na het ongeval aan hem toegezonden. Twee weken later keert Dirk weer terug

.....read more
Access: 
Public
Strafrecht 3 - B3 - Rechten - RUG - Oefententamen 2012 (1)

Strafrecht 3 - B3 - Rechten - RUG - Oefententamen 2012 (1)

Vragen

Casus

Tom is een fanatieke supporter van voetbalvereniging Wormerveerse Boys. De club heeft een slechte periode achter de rug, waardoor Wormerveerse Boys troosteloos onderaan de ranglijst bungelt. De laatste wedstrijd werd ruimschoots verloren van aartsrivaal Zaandijk. Tom is het spuugzat. Hij besluit zijn opgekropte woede te koelen op de eigendommen van de vereniging Zaandijk. In de ochtend van zondag 3 april 2011 betreedt hij het sportpark van voetbalvereniging Zaandijk. Hij besprenkelt een deel van het clubgebouw met benzine en zet het gebouw vervolgens in vuur en vlam. Het gebouw brandt tot de grond toe af.

Tom is niet over een nacht ijs gegaan. Een onderdeel van zijn plan is om Jakob, supporter van Zaandijk, valselijk te beschuldigen van het stichten van die brand. Tom ligt al jarenlang overhoop met Jakob. Jakob is kort geleden door de club Zaandijk geroyeerd, zo weet Tom, omdat hij meerdere keren betrokken is geweest bij supportersrellen. Na die royering heeft de woedende Jakob de voorzitter van Zaandijk toegeschreeuwd dat ze ‘vanzelf zullen merken hoe boos hij is’. Tom stapt naar de politie en verklaart dat hij op zondag 3 april 2011, omstreeks 8.00 uur, op weg van de kroeg naar huis, heeft gezien dat Jakob een jerrycan in de kofferbak van zijn auto schoof. Door naspeuringen bij de club Zaandijk is de politie inmiddels op de hoogte van het dreigement dat Jakob heeft geuit tegen de voorzitter. De voorzitter heeft daarover tegen de politie een verklaring afgelegd. Daarbij heeft ene Teun, de plaatselijke houder van een pompstation, verklaard dat Jakob op vrijdag 1 april bij hem een jerrycan benzine heeft gekocht. Het is de politie bovendien bekend dat Jakob in het verleden twee keer onherroepelijk is veroordeeld voor opzettelijke brandstichting (artikel 157 Sr).

Op basis van een bevel van de OvJ wordt Jakob op 5 april 2011 aangehouden en onmiddellijk daarop in verzekering gesteld. Het doel van die inverzekeringstelling is zowel om Jakob stevig aan de tand te voelen over zijn mogelijke betrokkenheid bij de opzettelijke brandstichting als de wenselijkheid te onderzoeken van een vordering tot inbewaringstelling (artikel 157 sub 1 Sr). Na voorafgaand aan het eerste verhoor zijn raadsman te hebben geconsulteerd, geeft Jakob aan dat hij bij zijn vriend woont aan De Heerd, op nummer 10. Voor het overige beroept hij zich op zijn zwijgrecht. Op 6 april 2011 gelast de Hulp-OvJ, vanwege miscommunicatie met de OvJ, de invrijheidstelling van de verdachte. De dag erop raakt de OvJ op de hoogte van de fout van de Hulp-OvJ. Op 7 april 2011 wordt Jakob opnieuw op basis van een aanhoudingsbevel aangehouden en onmiddellijk daarop in verzekering gesteld. De OvJ wil nog eenmaal onderzoeken of het wenselijk is om te vorderen dat Jakob in bewaring wordt gesteld. Op 8 april krijgt Jacob wederom de gelegenheid zijn advocaat te raadplegen voor het eerste politieverhoor nadat hij opnieuw in

.....read more
Access: 
Public
Strafrecht 3 - B3 - Rechten - RUG - Oefententamen 2012 (2)

Strafrecht 3 - B3 - Rechten - RUG - Oefententamen 2012 (2)

Vragen

Casus I

Op maandag 19 september 2011 stapt Floris van der Wouden om 07:00 uur uit de kroeg op de Grote Markt te Groningen. Hij loopt door de Papengang naar de Peperstraat om zijn fiets op te halen. In de Papengang ziet hij twee mannen dicht bij elkaar staan. Als hij de mannen passeer, ziet hij dat één van de mannen een pistool in zijn handen heeft. Op dat moment zien de mannen Floris en schreeuwt één van de mannen naar hem: ‘Waag het niet om naar de politie te gaan! We hebben een pistool en jagen zo een kogel door je kop’. Floris schrikt, rent naar zijn fiets en fietst hard naar huis.

Enkele minuten later lopen twee verbalisanten hun eerste ronde door de binnenstad van Groningen. In de Peperstraat zien zij twee mannen schichtig om zich heen kijkend uit de Papengang lopen. Dit trekt de aandacht van de verbalisanten, omdat de Papengang bekend staat als een onveilige straat: een doorgang waar regelmatig wapens worden verhandeld. De verbalisanten aarzelen geen moment en houden beide mannen, Arie en Patrick, aan op verdenking van wapenhandel (artikel 31 lid 1 jo. artikel 55 lid 3 sub a WWM). Bij Arie wordt het pistool aangetroffen.

Beide mannen worden overgebracht naar het politiebureau om te worden voorgeleid aan de officier van justitie. Arie bekent direct na binnenkomst in het eerste inhoudelijke verhoor met opsporingsambtenaar De Vries.

Arie verklaart:
‘Ik had het pistool net gekocht van Patrick, omdat ik het wel stoer vond om in het bezit van een pistool te zijn. Maar ik geef toe dat dat natuurlijk nergens op slaat. Jullie mogen het pistool hebben. Jullie moeten niet mij, maar Patrick hebben, want hij is de wapenhandelaar.’

Vraag 1

Is de aanhouding van Patrick rechtmatig?

Stel, de aanhouding van Patrick is onrechtmatig. Niettemin stelt de officier van justitie Patrick in verzekering om hem nader te verhoren. Tijdens Patricks inverzekeringstelling wordt zijn woning doorzocht. In zijn woning worden vele pistolen en een aanzienlijk bedrag aan contant geld aangetroffen. De pistolen en het geld worden in beslag genomen. De officier van justitie vordert na drie dagen inverzekeringstelling de bewaring, met de volgende onderbouwing:

‘Ondanks de onrechtmatige aanhouding, is de inverzekeringstelling rechtmatig. Op dit moment zijn er voldoende gronden om Patrick van zijn vrijheid te beroven. Ten eerste is het aantal schietpartijen in de binnenstad sterk toegenomen en is de veiligheid op straat in geding. Daarnaast ben ik bang dat Patrick, gelet op de ernst van het delict waar hij van wordt verdacht, naar het buitenland zal vertrekken. Ik vorder daarom de bewaring.’

De rechter-commissaris toetst na drie dagen en vijftien uur de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling op grond van artikel 59a Sv en beoordeelt de vordering tot bewaring.

Vraag 2

Kan de rechter-commissaris Patrick in bewaring stellen op de door de officier van justitie aangevoerde gronden?

.....read more
Access: 
Public
Strafrecht 3 - B3 - Rechten - RUG - Oefententamen 2011 (1)

Strafrecht 3 - B3 - Rechten - RUG - Oefententamen 2011 (1)

Vragen

Casus I

Op vrijdag 16 oktober 2009 om 04:00 uur belt Marten de meldkamer van de regiopolitie Groningen en doet melding van een gewelddadige diefstal. Twee mannen hebben eerder die nacht zijn woning aan de Westerhavenstraat 5b te Groningen overvallen. In de woning hebben zij Marten geschopt, geboeit en geslagen met een pistool. Marten beschrijft de daders: het waren twee blanke mannen en zij droegen grijze sweaters met capuchon en donkere trainingsbroeken. Zij hadden een rode sporttas bij zich. De twee mannen hebben Martens autosleutels en zijn auto gestolen: een donkerblauwe Renault Mégane met kenteken 00-AAW-1.

Twee opsporingsambtenaren ontvangen van de meldkamer de melding om 04:10 uur en om 06:00 uur zien zij tijdens een reguliere surveillance op de ring Groningen de donkerblauwe Renault Mégane rijden. Het kenteken komt overeen met de gestolen auto. Op de hoedenplank zien de opsporingsambtenaren bovendien een rode sporttas liggen. Daarop besluiten zij de auto een stopteken te geven. Er zit één persoon in de auto, dat is Oscar en hij voldoet aan het signalement. Hij stapt uit en gooit meteen zijn handen in de lucht. De opsporingsambtenaren twijfelen geen moment en houden Oscar aan op verdenking van artikel 312 lid 2 sub 1 en 2 Sr en brengen hem vervolgens naar het politiebureau.

Vraag 1

Is Oscar rechtmatig aangehouden?

Stel, de aanhouding heeft op rechtmatige wijze plaatsgevonden. Oscar wordt vervolgens om 09:00 uur voorgeleid aan de hulp-OvJ. Oscar heeft contact gehad met zijn advocaat Ernst Pleiten. Zijn advocaat is aanwezig bij de voorgeleiding. Oscar bekent dat hij samen met medeverdachte Joppe de gewelddadige diefstal in de woning van Marten heeft gepleegd. De hulp-OvJ stelt Oscar daarop in verzekering, omdat hij hem verder wil verhoren en daarnaast de wenselijkheid van een vordering inbewaringstelling wil onderzoeken.

Vraag 2

Kan Oscar in verzekering worden gesteld op de genoemde gronden?

Stel, de inverzekeringstelling is rechtmatig en Oscar wordt op maandag 19 oktober 2009 om 09:00 uur ’s ochtends in bewaring gesteld. Vervolgens wordt op maandag 2 november 2009 de gevangenhouding voor 90 dagen bevolen. Halverwege november 2009 wordt geprobeerd de dagvaarding ter zake van dit feit aan Oscar te betekenen. Volgens de gemeentelijke basisadministratie (GBA) woont Oscar aan de Heymanslaan 10 te Groningen. Daar wordt echter niemand aangetroffen. De postbode laat schriftelijk bericht achter waarin staat dat de dagvaarding gedurende een week kan worden afgehaald op het postkantoor aan het Floresplein 32 te Groningen. De dagvaarding wordt niet opgehaald. Na een week wordt zij teruggestuurd naar het OM te Groningen. Uit verificatie bij de GBA blijkt dat Oscar nog steeds aan de Heymanslaan 10 woont (sinds 1 oktober 2008). De dagvaarding wordt vervolgens op 10 december 2009 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Groningen. Het OM verstuurt de dagvaarding vervolgens als afschrift naar de Heymanslaan 10 te Groningen.

Vraag 3

Is de dagvaarding rechtsgeldig betekend?

Stel, anders dan in

.....read more
Access: 
Public
Strafrecht 3 - B3 - Rechten - RUG - Oefententamen 2011 (2)

Strafrecht 3 - B3 - Rechten - RUG - Oefententamen 2011 (2)

Vragen

Casus I

Op 7 juni 2010 om 10:10 uur komt er een telefonische melding binnen van Gerda Lobetrotter bij de meldkamer van de politie Friesland dat zojuist een gewapende overval heeft plaatsgevonden op haar reisbureau E-Reizen in Leeuwarden, gelegen aan de Minnemastraat 32.

Verbalisanten Bennie Rom en Stefan Nor krijgen opdracht ter plaatse een onderzoek naar de gewapende overval in te stellen. Enige minuten later staat Bennie Rom buiten het reisbureau op de stoep en wordt hij aangesproken door een passerende automobilist. Die vertelt Bennie Rom dat hij gezien heeft dat de jongen die uit het reisbureau kwam rennen Pieter Latzak is en dat deze het huis aan de Minnemastraat 64 is binnengegaan. Pieter had een helm bij zich en hield een rugzak voor zijn borst geklemd.

Pieter Latzak is ambtshalve bekend bij deze verbalisanten, hij is eerder veroordeeld voor overvallen.

Bennie Rom en Stefan Nor lopen in de richting van Minnemastraat 64 en zien plotseling een witte Volkswagen Polo met hoge snelheid de straat inrijden. De auto komt met piepende remmen ter hoogte van Minnemastraat 64 tot stilstand en Bennie Rom en Stefan Nor zien Pieter Latzak met een rugzak tegen de borst geklemd, snel naar de witte auto rennen en instappen. De auto scheurt daarop weg in de richting van de binnenstad. Verbalisanten hollen naar hun dienstauto en zetten de achtervolging in. Bennie rijdt en Stefan neemt ondertussen contact op met de dienstdoende OvJ. Die geeft een bevel tot aanhouding van de inzittenden van de auto. Na een wilde achtervolging weten de verbalisanten om 11:00 uur precies de witte Volkswagen Polo tot stoppen te brengen. De inzittenden van de witte Volkswagen Polo worden aangehouden voor betrokkenheid bij een gewapende overval op reisbureau E-Reizen (artikel 312 Sr). De mannen worden meegenomen naar het politiebureau en aan de hulp-OvJ voorgeleid.

In de politieauto onderweg naar het politiebureau protesteert Pieter Latzak tegen zijn aanhouding. Hij zegt dat hij een regelmatige kijker is van RTL Boulevard en de juridische praatjes van Bram Moszkowicz altijd goed beluister. Bram Moszkowicz zou hebben gezegd dat aanhouden een erg ingrijpend dwangmiddel is. De uitoefening van dit dwangmiddel moet in overeenstemming zijn met de eisen van het EVRM. Zo moet het geregeld zijn bij nationaal rechter en moet dat nationale recht voldoen aan de kwaliteitseisen van ‘accessibility’ en ‘foreseeability’.

Vraag 1a

Geef aan wat volgens het EHRM onder de kwaliteitseisen van ‘accessibility’ en foreseeability’ moet worden verstaan.

Vraag 1b

Beoordeel of de Nederlandse regeling van aanhouding buiten heterdaad aan deze eisen voldoet.

Nadat Pieter contact heeft gehad met zijn raadsman, wordt hij uitgebreid verhoord. Pieter ontkent elke betrokkenheid bij de gewapende overval. Wel verklaart hij dat hij geen inkomen heeft en wel veel schulden. Pieter wordt vervolgens door de OvJ rechtmatig in verzekering gesteld.

Op 7, 8 en 9 juni 2010 doet de politie gronding onderzoek naar deze zaak.

.....read more
Access: 
Public
Strafrecht 3: Samenvattingen, uittreksels, aantekeningen & oefenvragen - RUG

Strafrecht 3: Samenvattingen, uittreksels, aantekeningen & oefenvragen - RUG

In deze bundel worden o.a. samenvattingen, oefententamens en collegeaantekeningen gedeeld voor het vak Strafrecht 3 voor de opleiding Rechtsgeleerdheid, aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Voor een compleet overzicht van de door JoHo aangeboden samenvattingen & studiehulp en de beschikbare geprinte samenvattingen voor dit vak ga je naar de Recht & Bestuur in Nederland: leren, studeren en kennis delen- startpagina

Access: 
Public
Work for WorldSupporter

Image

JoHo can really use your help!  Check out the various student jobs here that match your studies, improve your competencies, strengthen your CV and contribute to a more tolerant world

Working for JoHo as a student in Leyden

Parttime werken voor JoHo

Comments, Compliments & Kudos:

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Promotions
Image

Op zoek naar een uitdagende job die past bij je studie? Word studentmanager bij JoHo !

Werkzaamheden: o.a.

  • Het werven, aansturen en contact onderhouden met auteurs, studie-assistenten en het lokale studentennetwerk.
  • Het helpen bij samenstellen van de studiematerialen
  • PR & communicatie werkzaamheden

Interesse? Reageer of informeer

Check how to use summaries on WorldSupporter.org

Online access to all summaries, study notes en practice exams

How and why would you use WorldSupporter.org for your summaries and study assistance?

  • For free use of many of the summaries and study aids provided or collected by your fellow students.
  • For free use of many of the lecture and study group notes, exam questions and practice questions.
  • For use of all exclusive summaries and study assistance for those who are member with JoHo WorldSupporter with online access
  • For compiling your own materials and contributions with relevant study help
  • For sharing and finding relevant and interesting summaries, documents, notes, blogs, tips, videos, discussions, activities, recipes, side jobs and more.

Using and finding summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter

There are several ways to navigate the large amount of summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter.

  1. Use the menu above every page to go to one of the main starting pages
    • Starting pages: for some fields of study and some university curricula editors have created (start) magazines where customised selections of summaries are put together to smoothen navigation. When you have found a magazine of your likings, add that page to your favorites so you can easily go to that starting point directly from your profile during future visits. Below you will find some start magazines per field of study
  2. Use the topics and taxonomy terms
    • The topics and taxonomy of the study and working fields gives you insight in the amount of summaries that are tagged by authors on specific subjects. This type of navigation can help find summaries that you could have missed when just using the search tools. Tags are organised per field of study and per study institution. Note: not all content is tagged thoroughly, so when this approach doesn't give the results you were looking for, please check the search tool as back up
  3. Check or follow your (study) organizations:
    • by checking or using your study organizations you are likely to discover all relevant study materials.
    • this option is only available trough partner organizations
  4. Check or follow authors or other WorldSupporters
    • by following individual users, authors  you are likely to discover more relevant study materials.
  5. Use the Search tools
    • 'Quick & Easy'- not very elegant but the fastest way to find a specific summary of a book or study assistance with a specific course or subject.
    • The search tool is also available at the bottom of most pages

Do you want to share your summaries with JoHo WorldSupporter and its visitors?

Quicklinks to fields of study for summaries and study assistance

Field of study

Check the related and most recent topics and summaries:
Activity abroad, study field of working area:
Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
2144